De Amsterdamse Krant

4 maart 2017

De Amsterdamse Krant 4 maart 2017


Actiegroep Bouw-es-wat-anders voorkwam sloop Paradiso

Mooie typisch Amsterdamse humor: het Leidseplein wordt opgegraven. Dat gebeurde vijftig jaar ook al. Wij vroegen u verhalen over uw gevoel bij het Leidseplein en kregen deze keer eens geen reacties. Maar misschien kan onderstaande terugblik in de geschiedenis over de plannen voor het Kleine Gartmanplantsoen die het niet hebben gehaald - en dat gebeurde exact een halve eeuw terug - u alsnog verleiden tot het schrijven van een reactie.

Ach ja, het Leidseplen. Misschien nog wel meer dan het Rembrandtplein hét uitgaanscentrum van de stad. En al die aanslagen van projectontwikkelaars op het plein of op de onmiddellijke nabijheid ervan zijn van alledag. Zolang er politici en ambtenaren zijn, zullen er plannen komen om het plein te veranderen. Zo ook in de jaren zestig en zeventig toen horecaexploitant Nicolaas Bouwes plannen presenteerde voor een enorm hotelcomplex (49.000 vierkante meter, 300 kamers verdeeld over 25 verdiepingen, een parkeergarage, winkels en natuurlijk horeca) op de plek waar aan het Kleine Gartmanplantsoen de gevangenis vanwege verhuizing naar de Bijlmerbajes de poorten sloot.

Paradiso
Het waren plannen van dik hout zaagt men planken, want Paradiso en de Balie moesten wijken. Na jaren van mislukte onderhandelingen en falende ontwerpen werden de plannen gepresenteerd. En toen begon het gedonder natuurlijk, zo memoreert Tim Verlaan, docent aan de afdeling Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam, op de website historici.nl.
"Vanuit de gemeenteraad konden vorm en functie op weinig enthousiasme rekenen. Raadsleden spraken van een stuk Manhattan, ontwikkeld om zo veel mogelijk te verdienen op zo weinig mogelijk ruimte, en schreven de architect van Bouwes eindeloze fantasieloosheid toe (…). Ook de pers had felle kritiek. De Groene Amsterdammer sprak spottend van een stuk Hoog Catharijne in Amsterdam; Het Parool repte van een gevaarte dat de veelzijdigheid van de binnenstad verving door één soort architectuur met één soort sfeer."

Han Lammers
De aanvraag lag op het bordje van voormalig wethouder Stadsontwikkeling Han Lammers en die constateerde dat Bouwes best hart voor de stad had: hij ruimde een stuk ellendige architectuur op en voorkwam dat het Leidseplein een desolate en rottende plek werd, aldus Verlaan. Maar er kwam verzet, hevig verzet zelfs, dat onder andere leidde tot de actiegroep Bouw-es-wat-anders (BEWA) waarbij onder anderen politica Hedy d'Ancona en kunstenaar Wim T. Schippers en een aantal architecten zich hadden aangesloten.

Op de wagen
Het spel kwam in het voorjaar van 1977 na veel gedoe achter de schermen echt op de wagen. Tim Verlaan schrijft over het verloop het volgende: "In het voorjaar van 1977 gingen Bouwes en zijn partners de confrontatie aan met BEWA. De media spraken hun voorkeur uit voor de actiegroep, die het als David zou opnemen tegen Goliath. Voor het journalistieke waardeoordeel maakten de bestemmingen van de plannen het verschil. Hollands Diep sprak van een keuze tussen links en rechts bouwen: "Zaken doen met hotelmagnaten is oude koek, maar nu staat een volledig geëquipeerde actiegroep op de stoep." De voorkeur van De Volkskrant ging uit naar een plein voor sjiek én sjofel. Hoewel Bouwes naar eigen zeggen niet discrimineerde, zag hij weinig in deze sociaal-culturele menging:
"Moeten nou net op dát stukje Amsterdam woningwetwoningen komen? Ik bedoel niets denigrerends hoor, maar dan zie je ook de was hangen op maandag […]. Als dit plan niet doorgaat is het een ramp voor Amsterdam."

Intolerant en onfris
Het college en de raad namen een steeds onwelwillender standpunt in tegenover Bouwes. Zijn uitspraken over het Paradiso-publiek noemde een deel van de PvdA-fractie "intolerant en onfris". Met het vertrek van Lammers als wethouder had de ontwikkelaar in de zomer van 1975 zijn belangrijkste medestander verloren. Lammers' plaatsvervanger Cees de Cloe nam een gematigder standpunt in, maar bleef trouw aan de planbeginselen van Bouwes. Hierop stelde een aantal raadsleden voor om met een bindend bestemmingsplan een einde te maken aan de wildwestpraktijken rond het Leidseplein. Na het terugveroveren van hun woonbuurten moesten Amsterdammers volgens de raadsleden ook de macht overnemen op hun pleinen. Niet marktwerking, zakelijk overleg en informatiemonopolies, maar het politieke primaat moest hier de toekomst van de stad bepalen. Op 27 april 1977 wist de gemeenteraad gronduitgifte aan Bouwes te voorkomen en werd het college gedwongen een nieuw wensen-en-eisenpakket samen te stellen voor het plangebied, waarin aandacht kwam voor sociale woningbouw en culturele voorzieningen. Bouwes gooide hierop de handdoek in de ring.
En sinds 1991 is er nu het Max Euweplein.

Raadplaat: basketbal in burgerkloffie

We geven deze keer geen hints of tips, want volgens ons is het niet heel erg moeilijk om te raden waar deze foto van basketballende mensen - gewoon, in hun burgerkloffie - is gemaakt. Wij kunnen ons heel goed voorstellen dat er lezers zijn die hier een balletje door de basket hebben gegooid. En misschien is hier wel de basis gelegd voor basketbal in clubverband, want basketbalverenigingen waren er vroeger genoeg in de stad.
We zijn dan ook weer erg benieuwd naar de inzendingen, die u zoals gewoonlijk kunt mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Tanks in de stad

Foto: André Verheul sr.

Krakersrellen. Daarvan zijn er in Amsterdam veel geweest. Vaak heftig vanwege ontruimingen en de agressie van krakers en politie. Op 29 februari 1980 wordt in de Vondelstraat een pand gekraakt en de Mobiele Eenheid gaat tot ontruiming over. Dat gaat met zwaar geschut, waarbij zelfs tanks en scherpschutters worden ingezet. In de volgende editie staan we stil bij deze rellen die de hele stad ontwrichtten. Was u hier op de een of andere manier bij betrokken (als kraker, ME'er of toeschouwer bijvoorbeeld) en wilt u deze kennis delen met de lezers van de Amsterdamse Krant?
Mail ons dan: info@amsterdamsekrant.nl.

'Lucifers van de Actie Kabouterhuis'

De raadplaat van de vorige keer was het Kabouterhuis ofwel Villa Johanna.

In elke editie van de Amsterdamse Krant publiceren we de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland, foto's die lezers hebben ingestuurd of foto's die we ergens zijn tegengekomen, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen. Deze keer ging het om het Kabouterhuis aan de Amsteldijk. En we komen terug op het karren- en fietsenverhuurbedrijf in de Marco Polostraat dat in de vorige raadplaat opdook.

Laten we eens beginnen met een verkeerde inzending: "De raadplaat van 03-02 is een van de villa's die staan aan de Weteringschans tussen de brug naar het Rijksmuseum en het Leidseplein. Dit moet het huis geweest zijn waar Mathilde Willink in haar roemruchte jaren heeft gewoond en waar zij in 1977 dood werd gevonden, waarschijnlijk zelfmoord", laat Gerard Jansen weten. Gerard doelt op de villa aan de Weteringschans 22, waar ook modeontwerper Frans Govers woonde en dat met Mathilde Willink de beroemdste bewoner had. Mathilde Willink werd hier 25 oktober 1977 levenloos in haar hemelbed aangetroffen, vermoedelijk door zelfdoding. Maar deze villa is het dus niet.

Villa Johanna
Het is wél Villa Johanna aan de Amsteldijk 196, beter bekend als het Kabouterhuis. Op de website kabouterhuis.nl lezen we over de villa onder andere het volgende: "Stichting 't Kabouterhuis kwam in 1945 vanuit particulier initiatief tot stand en werd gevestigd in de destijds bestaande Villa Johanna, gelegen aan de Amstel. Op 15 december 1945 opende Prinses Juliana in aanwezigheid van haar dochters Beatrix en Irene 't Kabouterhuis. De behandeling richtte zich op dat moment vrijwel volledig op jonge kinderen die door de laatste oorlogsjaren een lichamelijke achterstand hadden opgelopen. De hulp ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een volledige behandeling van kind en gezin. Dit leidde in 1970 tot een erkenning van het werk als een verstrekking in de zin van de AWBZ."

Voor de waarschijnlijk laatste keer: de karrenloods aan de Marco Polostraat.
De 'bleekneusjes' maakten tripjes met de Kabouterbus. Foto: geheugenvanplanzuid.nl/Ton Apon/Kabouterhuis
Gebruikt beeld op een oude folder van het Kabouterhuis.

Interview
Verschillende lezers hadden het goed, onder wie onze trouwe gast Anneke Huijser, die er verder geen bijzondere herinneringen aan bewaart. Ook Ton Apon heeft het bij het rechte eind: "Ik meen met enige zekerheid te durven vertellen dat dit Villa Johanna op Amsteldijk 196 betreft. Sinds 1945 is hier het zogeheten Kabouterhuis gevestigd, intussen vervangen door nieuwbouw. In 2012 had ik het genoegen om samen met Jos Wiersema, toen nog beheerder van website De Zuidelijke Wandelweg, een interview af te nemen met de toenmalige managementassistente aldaar, Ester van Dreumel."

Verkeerde been
En na Anneke Huijser komen we bij nog een aantal stamgasten, onder wie Mike Man. Die schrijft: "Bijna zette uw tekst bij de laatste raadplaat mij op het verkeerde been: 'het huis bestaat nog steeds'. Inderdaad, het Kabouterhuis bestaat nog steeds, maar de afgebeelde villa, waarin de kinderopvang kort na de Tweede Wereldoorlog werd gevestigd, is in 1968 helaas afgebroken om plaats te maken voor modernere huisvesting."
"En dan heb ik het over Villa Johanna, aanvankelijk Overdrecht genaamd, aan de Amsteldijk 196. De villa werd in 1904 gebouwd in opdracht van de heer Van der Kuylen, een rijke handelaar in paarden. Bij de sloop is veel van het rijkgedecoreerde interieur en exterieur in art-nouveaustijl verlorengegaan, maar de keukentegels schijnen te zijn gered en zich nu in het Rijks te bevinden."

Verrekijker
"Vanuit het raam van mijn oom Dirk en tante Bertha Vlaming, die op de Rivierenlaan woonden, mocht ik begin jaren 50 met een verrekijker naar de in aanbouw zijnde Utrechtsebrug, de Zuidergasfabriek en de villa kijken. Dat was voor een klein jongetje allemaal best heel spannend en ik denk er dan ook met plezier aan terug."

Kabouterhuis
Bij Gielijn Escher ging er niet direct een belletje rinkelen, bekent hij. "Ik herkende de villa niet direct, het moest dus zeer waarschijnlijk om een niet meer bestaand bouwwerk gaan. Waar zou ik dit eerder gezien kunnen hebben? Ik dacht eerst even aan het Museumplein, waar voor de bouw van het Van Gogh Museum vier van dergelijke kapitale villa's tegen de vlakte moesten (tweede helft jaren 60). Overtoom? Kan niet. Sarphatistraat? Kan ook niet. Amsteldijk, als je de stad uitgaat richting Zorgvlied? Ja, dat is het! Dan toch nog even naar het internet voor de juiste huidige plaatsbepaling. Bij deze de oplossing."

Later komt Escher nog even terug op zijn inzending. "De verstrekte details over de villa zijn deels niet eigen herinnering of waarneming, daarvoor is 1904 te lang voor mijn tijd. Even checken op het net was dus noodzakelijk en zo kwam ik op het Kabouterhuis."

Lucifer-etiketten
"Kabouterhuis, kabouterhuis, waar ken ik dat van? En toen had ik het: lucifers! In de jaren 50 waren lucifer-etiketten (merken) een geliefd verzamelobject. Naast de grote merken als Zwaluw, Drie Paardjes en vele andere had je echter ook zogenaamde liefdadigheidslucifers. Zo voerde het Koningin Wilhelminafonds ten bate van de kankerbestrijding jarenlang een eigen merk. Ook kan ik mij herinneren dat na de watersnoodramp van februari 1953 het Nationaal Rampenfonds lucifers voor het goede doel op de markt bracht. En zo had je eind jaren 50 lucifers van de Actie Kabouterhuis. Daarvan zal dus indertijd de nieuwbouw mede gefinancierd zijn."

Lievelingspaard?
En er zijn ook de Mollen en de Koningen, die we ook op het verkeerde been hebben gezet. "Hans Peijs schrijft dat deze statige villa van rond de vorige eeuwwisseling is en dat het huis nog steeds bestaat, maar hij bedoelt waarschijnlijk de instelling, want het huis is afgebroken in 1968. Het handelt zich om Villa Johanna, Amsteldijk 196. Villa Johanna werd in 1904 gebouwd in opdracht van de gefortuneerde paardenhandelaar W. van der Kuylen. Johanna zou kunnen wijzen op de naam van zijn vrouw/vriendin of van zijn lievelingspaard. De oorspronkelijke naam van de villa was Overdrecht. Het toegangshek is prachtig met smeedwerk uitgevoerd en draagt de naam Johanna en is uitgevoerd in symmetrische art-nouveaumotieven. Het hekwerk is hoogstwaarschijnlijk vervaardigd door F. Braat te Delft.
Vlak na de oorlog in 1945 heette Villa Johanna 't Kabouterhuis en werd door Koningin Juliana in tegenwoordigheid van haar dochters Beatrix en Irene geopend. Het was de bedoeling 'bleekneusjes' de gelegenheid te geven aan te sterken."

Mijn jeugd
Ook André Woons – ook al zo'n trouwe klant – zit goed: "Deze raadplaat bracht mij meteen terug naar mijn jeugd in de Rivierenbuurt. Aan het eind van de Hoendiepstraat bij toen nog de Rivierenlaan lag een braakliggend stuk land. Een ideaal speelterrein, waar nu het Martin Luther King park is. Aan de rand van dit terrein aan de Amsteldijk stond de prachtige Villa Johanna, beter bekend als het Kabouterhuis. De villa staat er nog steeds, is inderdaad geheel ingebouwd. Jammer genoeg."

Tot slot nog een inzending die, net als de eerste suggestie bovenin, niet klopt. "Bij het zien van de nieuwe raadplaat dacht ik aan de Hoofdweg, bij de Postjesweg", schrijft Hanneke Hommersom. En ook zij stuurt regelmatig oplossingen.

De nazit
In de nazit komen we terug op eerdere raadplaten, zoals het karren- en fietsenverhuurbedrijf in de Marco Polostraat. Bert Hoffschlag schrijft: "De raadplaat is voor mij in de Spaarndammerstraat, tegenover de toen nog Maria Magdalenakerk. Het verhuurbedrijf ken ik niet zo goed. Vlak ernaast zit een dierenarts. Ik woonde vlak bij het Westerpark en in de zomermaanden liep je dan onder het viaduct naar het Brediusbad. Ik praat over de jaren vijftig."

Gehuurde bakfiets
Ook leuk is de reactie van Joanna Sloot: "Ik wil even reageren op het bakfietsbedrijf (Smit) in de Marco Polostraat. Mijn vader was straatventer, hij verkocht petroleum en schoonmaakartikelen (Henk van Soest uit de Baffinstraat 7). Toen hij vlak na de oorlog begon, deed hij dat met een gehuurde handkar van Smit, daarna met eigen bakfiets en later met een motorbakfiets. Volgens mij stalde hij beide rijtuigen bij Smit in de Marco Polostraat. De stalling was naast de winkel die je op de foto ziet. Wij als kind gingen weleens mee in de bakfiets als mijn vader naar de stalling reed. In mijn ogen (als kind) was dat toen een flinke loods."

Opgeslagen
"Toen begin jaren vijftig de Vespuccimarkt kwam, werden de marktkramen door dit bedrijf op- en afgebouwd en daarna bij hen opgeslagen. Ik vond het heel leuk deze foto te zien, dat haalde heel wat herinneringen naar boven van vroeger zoals de buurt toen was. Er is nu heel veel veranderd. Ik woon al vanaf 1967 in Barcelona, maar ga nog jaarlijks een rondje maken door mijn buurt."

Jongensland
De raadplaat van de Marco Polostraat inspireert Leo Lases tot een bijdrage over Jongensland. "Toen ik het stukje las over de Marco Polostraat waarin Willy v.d. Heide vertelde over de huiswerkklas van de Dominicus Mulo o.l.v. Pater Dury, dacht ik gelijk aan die tijd dat ik met Pater Dury van Beesthallen, dat was zijn originele naam, te maken kreeg. Hij was ook geestelijk verzorger op de Mgr. Rutteschool aan de Jan van Galenstraat, recht tege over het Jan van Galenbad en de huishoudschool. Ja, je gelooft het niet, maar van hem kregen we seksuele voorlichting en wat we niet met onszelf mochten doen. Toen we ons kamertje uitkwamen, werden de nodige ervaringen uitgewisseld."
"Pater Dury was (want hij is al lang overleden) een Salesiaan van Don Bosco, woonde op de Hoofdweg 24, en had Jongensstad opgericht. Ook bezat hij een grote boot, de Don Bosco, waar we dan een weekend mee gingen varen; de ene keer gingen we het IJsselmeer op, dan weer het Amsterdam-Rijnkanaal. Ook zijn we een keertje door de Oranjesluizen gevaren, zodat we konden zeggen dat we op de Noordzee waren geweest."

Blikjes leverpastei
"Als ontbijt hadden we altijd brood met blikjes leverpastei. Beneden lagen allemaal de originele Kuifje-boeken. Op woensdag gingen we vaak naar Blaricum om pony te rijden. De ene heette Bosco (hoe kan het ook anders) en later kwam Frida erbij, die zwanger bleek te zijn waarna een veulentje werd geboren. Ook draaide hij soms op zondag films in het parochiegebouw Roodhaanhuis aan de Rozengracht."

Keukenhulp
"Als keukenhulp van de meegereisde moeders ben ik ook met hem op zomerkamp geweest, al weet ik niet meer waar dat was. Ik zeg dat het in die tijd heel gezellig en leuk was. De laatste tijd zijn de Salesianen zeer slecht in het nieuws geweest en laat ik dit zeggen: ik heb er niets van meegekregen toen we onder de hoede van pater Dury van Beesthallen waren. Dus Jongensstad kan ook in de rubriek 'Dat komt nooit meer terug'."

P.S. Het zou leuk zijn als er nog meer mannen, jongens die toen die ook met Jongensstad zijn meegeweest, hun verhaal vertellen, want veel is niet ter sprake gekomen.

Nieuwe raadplaat

Basketballende mensen, in hun burgerkloffie, ergens in Amsterdam. We verraden alleen dat deze ruimte er momenteel heel anders uitziet. We zijn weer heel benieuwd naar reacties, vooral van personen die hier ook een balletje hebben gegooid.
Uw reactie kunt u zoals gebruikelijk mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

'Herinnering aan barbier Lafeber'

In Het Parool stond in 1986 een artikel over de barbier.

door Henk Tolsma
Het was nog in onze lagereschooltijd (Koningin Wilhelminaschool, Cornelis Drebbelstraat in de Watergraafsmeer). Woensdagmiddag, moeder was thuis, naar de kapper. Toen nog vanzelfsprekend naar herenkapper Lafeber op de hoek van (toen) het Pretoriusplein en de Laings Nekstraat, tegenover de reeds jarenlang bestaande grossier in automaterialen Schreurs. Dat bedrijf heeft overigens decennialang bestaan en steeds op dezelfde plek.

Gewone woning
Aan de buitenkant zag je kapper Lafeber er niet af, het was een gewone beganegrondwoning. Geen ramen zoals bij een middenstander, geen inkijk door glas-in-lood-voorzetramen. De inrichting was klassiek, dus uit die tijd. Het was alleen een herensalon, goed beklant met veel oudere mannen die alleen voor hun dagelijkse? scheerbeurt kwamen. Modern of niet, wat ik me herinner zou de inrichting kunnen spelen in de tijd van Swiebertje, maar die serie moest toen nog worden 'uitgevonden'.

Lafeber zelf was een statige en rijzige man van toen al in de vijftig en z'n 'kappersknecht' Willem was kleiner en toen al gezegend met een grijze bos sluik haar en droeg een bril met een zwaar en donker montuur. Zolang wij klant bij deze kapper waren vormden zij een goed team. Wetenswaardig is te vertellen dat Willem, toen de negentig al gepasseerd, nog steeds de schaar hanteerde en liet optekenen in een (lokaal, het zou Het Parool kunnen zijn geweest) dagblad nog lang niet aan stoppen te denken.

Een hoofdse knik
Dat de verhouding tussen Lafeber en Willem jarenlang zo goed is geweest, zal mede te verklaren zijn uit het volgende: als na een knip- en/of scheerbeurt en betaald was inclusief een fooi riep Lafeber: "Willem, pot voor meneer", waarop Willem beleefd antwoordde met een hoofdse knik: "Dank u wel." Kom daar tegenwoordig eens om!

Houten stoelen
Wat ik mij herinner is het wachten tot je aan de beurt was op houten stoelen die onder de ramen waren geplaatst. Het kon lang duren en om onrust te voorkomen had Lafeber een aantal plastic schuifpuzzels van toen bekende verzekeraars zoals de Fatum en Labor. Je doodde daar de tijd mee. Had je de puzzel klaar, liep je trots naar Lafeber en verwees hij je naar de achterliggende keuken en kon je daar kiezen tussen een 'muilpeer' of een 'warme bal gehakt'. De echtgenote van Lafeber speelde het spel mee, want de bal gehakt was, zoals altijd, uitverkocht en in de muilpeer had niemand trek.

Kippensnot
Ook Henks broer Hans heeft trouwens herinneringen aan kapper Lafeber: "Als de heer Lafeber klaar was met knippen en het haar nat moest maken, pakte hij altijd een grote fles en zei: 'Even wat kippensnot erin doen.' En Henk schrijft dat er alleen een herenkapper was, maar achterin was ook een dameskapper. En het rook altijd sterk naar die permanentvloeistof! Vóór Lafeber zijn we ook nog naar Dilg geweest, in de Pretoriusstraat, om de hoek bij Lubbe. Meneer Willem is nog diverse keren in de Cilliersstraat bij ons thuis geweest om ome Dik te knippen, die toen al bedlegerig was. Hij was inderdaad al in de 90!"

Osdorp

door Christi de Lange
Onlangs was ik bij mijn oom van 83 jaar. Toen ik hem vertelde dat ik naar Osdorp was verhuisd zei hij: "Dat is vlak bij de flats waar mijn dochter en haar vriend woonden toen ze studeerden." Dat was begin jaren tachtig van de vorige eeuw.
Nu ben ik benieuwd in welke straat/straten in Osdorp die studentenflats precies stonden en hoe ze eruitzagen. Kunt en wilt u mij verder helpen?
Bij deze hebben we de oproep geplaatst.

Ouderlijk huis

door Mickey Abrahamsz
Wat leuk zo'n foto van mijn ouderlijk huis in de vorige editie van Amsterdamse Krant. Dit bord hing aan ons huis op de Nieuwendammerdijk 172 in Amsterdam–Noord. Opzij had je de ingang naar het Vliegenbos, waar we met de buurkinderen wel eens gingen spelen. Ik ben nu 81 jaar, maar dit plekje is mij heel dierbaar.

De jongste

door Jannie Booij
Ik kan me heel goed vinden in de bijdrage van Harry Slinger in de Amsterdamse Krant enkele maanden geleden over het feit dat hij de jongste thuis was (Kop boven artikel: Mijn lipje begon te trillen).
Ook ik ben de jongste van vier kinderen; nou, dat heb ik geweten met twee oudere broers (helaas beiden overleden) en een oudere zus.
Ook mij probeerden ze altijd aan het huilen te maken, wat al heel snel lukte. Ze zongen dan heel meewarig en zielig het liedje: 'Roodborstje tikt tegen het raam' en voordat ze de volgende regels zongen begon ook mijn lipje te trillen; ze vonden het prachtig en kwamen niet meer bij van het lachen!
Dat zijn herinneringen die je nooit meer vergeet, ook al is het al 60 jaar geleden!

Hoofdletter

door Juul Mulder
Mijn man en ik (oude Amsterdammers) lezen met belangstelling de digitale versie van de krant en zijn er blij mee. Er wordt regelmatig bericht over de Tweede Wereldoorlog, zo ook recentelijk in het artikel over de foute burgemeester. Daarin staat het woord 'joden' met een kleine letter. Aangezien het hier om de etnische achtergrond gaat en niet om de godsdienst, hoort er 'Joden' te staan, met hoofdletter. Dat is het gevolg van de idiote spellingsregel van de Taalunie, waarbij godsdiensten een kleine en volken een hoofdletter krijgen. Bij twijfel dus ook een hoofdletter!"

Mijn leven in de Jordaan (2)

Foto op binnenplaats. Jongen op achtergrond Albert Ticheler. Rechtsachter broeder Eustachius. Linksvoor rector Hupperetz.

Van Albert Ticheler kregen we een geweldig artikel over zijn leven in de Jordaan. We besteden er in drie afleveringen aandacht aan. Vandaag deel 2, het vervolg over zijn verblijf in Huize Aloysius.

De broeders waren in mijn ogen liberaal en konden veel van de jongens hebben. Zij kwamen uit alle delen van het land met heel veel verschillende achtergronden. Een probleemfiguur was de rector. Dit was een priester die je 's morgens in de kapel zag, maar die je ook de biecht afnam. Ik vond het maar niks dat een vreemde wist wat je al dan niet uitspookte en ik had daarom altijd eenzelfde nietszeggend rijtje overtredingen klaar.

Deze foto werd gemaakt ter gelegenheid van het eeuwfeest van de congregatie.

Schraalhans was keukenmeester
Ofschoon Huize Aloysius deels door de overheid betaald werd, was schraalhans keukenmeester. Het eten was goed, maar vlak na de oorlog was er weinig keuze. In de keuken zwaaide broeder Gerardus, een boerenzoon, de scepter als kok, waarbij Simon als roerder/mixer werkte. Simon was een beresterke man met armen als Popeye. Met een soort honkbalknuppel roerde hij in grote gamellen stamppot door elkaar, vulde de pannen voor de verschillende groepen, maakte groente schoon. Hij was een fanatiek Ajax-fan.
Dat ondervond ik aan den lijve.
Als je een onvoldoende voor catechismus had dan moest je 1 week afwassen en corvee doe. Had je een 4, dan werden dat 2 weken. Die catechismus ging mij goed af, dus ik had nooit corvee. Tot op een zondagavond. Een groot aantal jongens ging in het weekend naar huis zodat er op dat moment een tekort aan corveeërs was. De broeder vroeg mij een lege pan naar de keuken terug te brengen.

Besluiteloos
Ik liep met de andere jongens mee, die goed de weg in de keuken kenden. Alleen ik stond daar een beetje besluiteloos rond te kijken waar die pan moest staan. Simon kwam boos op mij af en zei dat ik op moest schieten. Ik zei dat ik niet wist waar de pan moest staan. Intussen hadden andere jongens hem staan sarren omdat Ajax verloren had.
Hij griste de pan uit mijn handen en toen... werd ik weer wakker op de ziekenkamer.
Het bleek dat hij mij met een hand onder mijn kaken had opgetild en met de andere hand een vuistslag tegen mijn slaap had gegeven. Ik ben toen kennelijk knock-out gegaan. Hij schrok hiervan en gooide mij toen ruggelings in een teil waarin spinazie lag te weken. Toen ik alsnog niet bijkwam, gooide hij mij over zijn schouder en bracht mij naar de ziekenkamer. Ik kwam weer bij en broeder Antonius zei tegen mij dat het allemaal weer goedkwam. Simon moest via broeder-overste zijn excuses aanbieden. Daarmee was het incident gesloten. Voor de goede orde: mijn vader had hangende zijn echtscheiding broeder-overste tot wettelijke voogd laten verklaren en mijn grootvader tot toeziend voogd. Zo konden wij in Aloysius blijven en werden we niet toegewezen aan mijn stiefmoeder. Waar intussen onze zusjes en hun moeder gebleven waren bleef voor ons een raadsel, omdat vader er bij zijn spaarzame bezoeken nooit over sprak. Achteraf bleek dat zij in de Generaal Bothastraat, respectievelijk President Steynstraat woonden.

De Zonnehoek
Ik ging intussen gewoon naar de St. Jozef MULO in de Van Ostadestraat. Ik ging dan met de tram vanaf het Hoofdkantoor van Politie aan de Elandsgracht weer naar het Gartmanplantsoen en via lijn 16 naar de Ceintuurbaan.
In de Zonnehoek was het te druk om na schooltijd je huiswerk te maken. Broeder Victor (Willem Blankendaal was zijn burgerlijke naam) regelde voor mij een apart kamertje waar ik kon werken. Toen ik hem vertelde dat er helemaal geen bibliotheek was in Aloysius stelde hij voor dat ik in dat kamertje een bibliotheek inrichtte. Toen ik vroeg hoe je aan boeken kwam zei hij dat dat zijn zorg zou zijn. Een paar weken later kwamen er vrachten boeken. Het bleek dat hij in een paar parochies via de preekstoel de kerkgangers gevraagd had om overtollige boeken te doneren. Ik had veel tijd nodig om ze allemaal te sorteren, te kaften en titels in een schrift te schrijven. Ik ontdekte al snel dat er veel boeken bij zaten die niet voor jeugdige lezers bestemd waren. Toen ik er een paar met rooie oortjes gelezen had zei ik dat tegen broeder Victor. Hij vond het geen bezwaar en zei dat het leven je nog wel andere dingen zou leren. Daarna verdeelde ik mijn tijd in het hok tussen lezen en uitlenen en huiswerk maken.

Vindingrijk
De broeders waren vindingrijk om dingen te organiseren. In het voorjaar gingen zij in plaatsen buiten Amsterdam op de preekstoel staan en vroegen de kerkgangers dan of zij zes weken lang jongens een fijne vakantie wilden bezorgen. Zo ben ik op vakantie geweest in Blaricum bij een banketbakker/kokerij en in Baarn bij een directeur van een drukkerij van prentenbriefkaarten. Wij gingen dan met legertrucks en kwamen met extra bagage terug, zoals kleding, schoenen en huisdieren of kleinvee.

Na de vakantie
Na de vakantie liepen over de geheel betegelde binnenplaatsen hondjes, katten, eendjes en ook een geitje. Na verloop van tijd verdwenen die dieren onopgemerkt. Het geitje pas toen het al wat groter geworden was. Tenslotte bleef alleen de hond van de rector en kater Kareltje over. Bij Kareltje zaten in de staart allerlei knikjes die ontstaan waren doordat hij bij het binnengaan van een zaal soms te laat was en de stalen randen van de deuren zijn staart afklemden.

Jongenskoor
Wij hadden ook een jongenskoor, dat tijdens de hoogmis de liederen zong. Op een gegeven moment had de KRO het idee om de nachtmis vanuit onze kapel via de radio uit te zenden. Mijn broer had een zogenaamde heldere kopstem en ik zong alt. Wij moesten dan bij de kerstliederen als voorzangers optreden. Het geheel werd op een wire(draad)recorder opgenomen. We kregen dat later nog te horen, maar halverwege het afspelen knapte de draad en kreeg de technicus het niet meer gerepareerd. Wij waren wel trots. Mijn broer Wim heeft aan deze uitzending nog een paar optredens bij luisteraars, tussen de schuifdeuren, overgehouden.
De matrassen met het kortgehakte stro werden op een gegeven moment vervangen door 3-delige sets kapokmatrassen. Een gulle gever zou dit betaald hebben. Wij mochten de loodzware stromatrassen uit de ramen van de slaapzalen kiepen en vervolgens onze bedden met de nieuwe matrassen opmaken. De inhoud van de oude matrassen werd naar het politiebureau gebracht, waar het in de paardenstallen verdween.

Goede verstandhouding
De broeders hadden een goede verstandhouding met de hoofdcommissaris van politie (Kaasjager?). Toen het Sinterklaas werd kwam de goedheiligman (broeder Gregorius, de kok) op de schimmel van de hoofdcommissaris via de poortingang en de binnenplaats zo de zaal van de Zonnehoek binnengelopen.
Wij hadden hier een paar pingpongtafels aan elkaar gezet met daarop een leunstoel voor Sinterklaas. Het paard zag de tafels als een barrière en stapte met één been op zo'n tafel, die prompt omkiepte. Sinterklaas stapte af en ging toen in zijn stoel zitten. Sinterklaas droeg ook de bisschopsring en de hilariteit was groot toen de rector de ring moest kussen. Immers, een bisschop is hoger in rang dan een priester.
Bij een ander sinterklaasfeest hadden de oudste jongens van de Club zich verkleed als zwarte pieten en stonden in de dakgoten. Zij hadden parachuutjes gemaakt met daaraan kleine presentjes die zij naar beneden gooiden. Intussen werden er sinterklaasliedjes gedraaid op een platenspeler, die ook boven op het dak stond. Je kunt je voorstellen wat het betekent wanneer 100 jongens als gekken probeerden zo veel mogelijk parachuutjes te bevechten.

Volgende keer deel 3.

Deze foto werd gemaakt ter gelegenheid van eeuwfeest van de congregatie

Er werd een foto gemaakt van alle bewoners op de binnenplaats en kregen we een diner aangeboden in Hotel Americain. We deden onze beste kleren aan en kwamen in een fantastische zaal met daarin de eettafels met een hele groep obers die allemaal in pandjesjassen gekleed waren. De stoelen werden onder ons geschoven. Veel jongens aten in Aloysius met hun arm om het bord en gebruikten geen mes en vork. Plotseling ontdekten ze, dat er in een andere wereld ook anders gegeten werd. Na het feest hebben een aantal hun eetgewoontes aangepast.

Er werd ter gelegenheid van dit jubileum ook een boekje uitgegeven "Eeuwige Jeugd"waarin onder andere ook Godfried Bomans een stukje geschreven had. Voor fotos uit dit boekje moest ik en mijn jongere broer model staan.

Iets wat op mij een grote indruk heeft gemaakt is een demonstratie voor het gebouw van Huize Aloysius.

Op een gegeven moment stond er een joelende menigte op de poort te slaan. Broeder portier deed niet open, maar waarschuwde de broeder overste Bruno. Wij verdrongen ons in de hal om niets te missen. Broeder Bruno deed de poort gedeeltelijk open, waarop geroepen werd dat de broeders als kapitalisten de kinderen uitbuitten. Broeder Bruno probeerde de groep te kalmeren. Een man vooraan haalde zijn vuist aan om broeder Bruno te slaan, maar plotseling zakte hij in elkaar. Broeder Bruno had hem met een korte stoot gevloerd. Wij riepen hoera en de hele groep verdween.

Later hoorden wij dat broeder Bruno erfgenaam van een horecaconcern was en in Amerika had gestudeerd waar ook boksen bij hoorde.

Het verblijf in Aloysius was eigenlijk heel beschermd, waardoor je het contact met de buitenwereld wat kwijtraakte. Toch deden de broeders hier wat aan, door de vakanties te organiseren, maar ook elke zaterdagmiddag. Wij gingen dan als groep via de Rozengracht naar de Munt. Vooraf zei de broeder dan "Ja lui, haren kammen, jas aantrekken, loopje maken". Bij de Munt kregen we dan vrijaf, maar moesten dan prompt om 5 uur weer bij de Munt zijn. Wie te laat was had een week afwas corvee.

Een happening was een dansavond, die georganiseerd was voor de bewoners van de Club. De jongeren mochten dan kijken. Verderop in de Elandstraat was er een identieke instelling voor meisjes. Op die avond waren een aantal van deze meisjes aanwezig, die met jongens van de Club zouden dansen. Voor ons waren meisjes wezens van een andere planeet.

De gramafoon werd gestart en de eerste paren trachtten te gaan dansen. De jongens waren duidelijk ongeoefend en wisten niet goed hoe ze dames moesten vasthouden.

De Vogelbuurt: Noodzaak & Droom

Een keuken met een aanrecht en stromend water.

Van Dirk Roos, Voorzitter VvE Vogeldorp, kregen we toestemming om in een aantal delen aandacht te besteden aan het ontstaan en de geschiedenis van Vogeldorp in Amsterdam-Noord, de wijk die recent in de spotlights stond door een documentaireserie over de armoede die hier heerst. Deze artikelen zijn afkomstig van www.vogeldorp.nl. Vandaag deel 2.

In minder dan een half jaar waren zowel Disteldorp als Vogeldorp voltooid. In de loop van 1918 konden de eerste bewoners er hun intrek nemen.
Aanvankelijk telde Vogeldorp 313 woningen en diverse gemeenschapsvoorzieningen zoals een badhuis, een brandweer- en politiepost, een administratiegebouw, een clubhuis van Ons Huis, vier 'dagwinkels' en een centrale winkel. In 1922 werden er in de 6e Vogelstraat nog twee huisjes onder-een-kap bijgebouwd, alsook twee kinderdagverblijven en zes karrenbergplaatsen.

Noorddorpen
De twee nooddorpen vertonen duidelijk de inspiratie van de bevlogen ideeën zoals die waren vervat in de tuinstadgedachte van Ebenezer Howard, die door de toenmalige directeur van de Stedelijke Woningdienst, ir. Arie Keppler, en wethouder Wibaut zo omarmd werden.
De volledig uit laagbouw bestaande wooncomplexen ademen een landelijke sfeer door de ruime bebouwing, de houten bebording van de gevels en de karakteristieke poortwoningen. De aandacht voor groen en ruimte vertaalt zich in voor- en achtertuintjes bij elk huis en een centraal gelegen plein en plantsoen. De eenheid in bouwstijl en stratenpatroon accentueert nog eens de dorpse intimiteit.

Aanrecht en stromend water
De inrichting van de woningen bestond uit ingebouwde bedsteden en kasten met legplanken, een keuken met een aanrecht, voorzien van stromend water, en een toilet met waterspoeling. Douches waren in die tijd een onbekend fenomeen. Baden deed men in een teil of in het Gemeente Badhuis. Daar ging het er vrolijk aan toe. Het badhuis was een echte ontmoetingsplaats waar de laatste nieuwtjes werden uitgewisseld. Op initiatief van hun school bezochten groepen kinderen een maal per week het badhuis. En die verplichting werd niet als een straf ervaren.

Vogeldorp gezien in westelijke richting, met op de voorgrond de Steenkolen Handels Vereeniging.
Van Hasseltkanaal-Oost, oktober 1962. Links de kraan van Steenkolen Handels Vereeniging. Foto: Frits Weeda

Museumwoning
Sinds enkele jaren is er in Amsterdam-Noord een huis ingericht als museumwoning. Dit huis stamt uit 1922 en is ontworpen door dezelfde architecten als die van Vogeldorp en Disteldorp. Wie over de drempel van de Meteorenstraat 174 in Tuindorp Oostzaan stapt, gaat een kleine eeuw terug in de tijd. Iedere tweede zondag van de maand, tussen 11.00 en 17.00 uur, is de museumwoning geopend voor publiek.

Gedwongen
Niet voor elke nieuwkomer was het rustieke 'tuinstadje' Vogeldorp het paradijs op aarde. Men was er, en dat gold met name voor de beginjaren, vaak door de (woning)nood gedwongen terechtgekomen. Doorgaans hadden de eerste bewoners ook niet de middelen om een duurdere woning te huren van bijvoorbeeld woningbouwverenigingen.
Uit interviews die in het kader van het wetenschappelijk onderzoek in 1991 zijn gehouden, blijkt dat heel wat nieuwkomers Vogeldorp een 'vreselijke uithoek' vonden, 'een rimboe', waar ze, als de gelegenheid zich voordeed, zo snel mogelijk weer uit wilden vertrekken. Ook al zou dat in sommige gevallen de terugkeer naar opnieuw een krotwoning zijn, het warme nest met familie en vrienden in de oude buurt verkoos men boven de gerieflijkheid en de ruimte in Vogeldorp.

Verloop was groot
Zo was het verloop in de eerste jaren dan ook tamelijk groot en was er nog geen sprake van een echt buurtgevoel. Het bevorderen van dat buurtgevoel was en is een onderdeel van het gemeentelijk woningbeleid. Het was destijds gemeentebeleid om zo veel mogelijk mensen met dezelfde levensgewoonten bij elkaar te plaatsen. Dat zou de leefbaarheid ten goede komen. Dit idee staat haaks op de latere visie dat segregatie tot probleembuurten zou leiden. Tegenwoordig neigt men weer naar het beleid van weleer.

Arbeiders
Vogeldorp werd bevolkt door arbeiders. Men ging ervan uit dat de meer welgestelden er niet zouden kunnen aarden. Af en toe werden er wel ambtenaren tijdelijk gehuisvest. Dat waren in de ogen van de vaste bewoners rijkelui. De ambtenaren betaalden de normale huur van 6 gulden per week. Aangezien de Stedelijke Woningdienst huizen onder de kostprijs mocht verhuren, was het huurbedrag voor de meeste bewoners gemiddeld 3 gulden en 22 cent per week.

De opzichteres
De toen ontstane opvatting dat een mooie woonomgeving automatisch tot een betere levenswijze zou leiden, bleek in de praktijk niet altijd op te gaan. Vandaar dat men ertoe overging om in de gemeentecomplexen opzichteressen aan te stellen. Voor dit 'opvoedkundig element' achtte men het vrouwelijk geslacht het meest daartoe geschikt, die daarvoor een driejarige opleiding had genoten. Haar taak bestond uit het met raad en daad bijstaan van de mensen. Om in contact met de bewoners te komen inde zij wekelijks de huur, waarbij ze ondertussen huis en gezin aan een inspectie onderwierp.
Misstanden zoals huiselijk geweld, alcoholmisbruik, gebrek aan hygiëne bij de huisvrouw, onregelmatig schoolbezoek of het ontbreken van legplanken, die wel eens in de kachel belandden, werden aan de gezondheidscommissie gerapporteerd.

Ingrijpende gevolgen
De bevoogding van de opzichteres had soms zeer ingrijpende gevolgen, zoals blijkt uit verslagen van het archief van de Stedelijke Woningdienst. Een alleenstaande vrouw moest, nadat haar kinderen het huis uit waren, de woning verlaten omdat die voor haar alleen te groot zou zijn. En een man, wiens vrouw en kinderen in verschillende inrichtingen geplaatst waren, moest vanwege onvoldoende meubilering vertrekken. Hetzelfde overkwam een vrouw waarvan men vond dat ze een debiele psychopate en geestelijk abnormaal was.

Pottenkijkster
De bewoners beschouwden de opzichteres over het algemeen als een 'pottenkijkster' die zich te veel met privézaken bemoeide. Ook de heer Henk Eskes, een oudere Vogeldorper, kan hierover meepraten. "Tijdens de crisistijd in de dertiger jaren waren er op het dorp heel wat mensen werkloos. Via een steunfonds kon men kleding en linnengoed betrekken. Bij de mensen die hiervan gebruikmaakten, kwam de opzichteres inspecteren. IJskoud trok ze dan de kastdeur open om te zien of je de spullen niet verkocht had."

Steunkleren
Het dragen van steunkleren was bepaald geen pretje. Omdat de kleding identiek was en dus herkenbaar, werd je erom uitgejouwd. Daarom vormde het dorp voor de mensen een veilige haven waar men elkaars sores kende en solidariteit een sleutelwoord was. De mensen uit de Vogelbuurt en van de Meeuwenlaan stonden wat hoger op de maatschappelijke ladder en keken over het algemeen neer op 'dat wijkje aan de overkant'. Vandaar dat de bewoners zich geneerden voor hun woonadres. Zo ook een meisje uit het dorp dat zelfs haar vriendje uit schaamte niet durfde te vertellen waar ze woonde.

Vermaak en saamhorigheid
In de 'enclave' Vogeldorp hielp men elkaar met de weinige middelen die men bezat. Vogeldorper Henk Eskes vertelt dat men bij ziekte en geboorte geld inzamelde om de families te voorzien van hartversterkende middelen, zoals een flinke paardenbiefstuk, eieren en boter.
Was er een sterfgeval in het dorp dan hingen veel bewoners witte lakens voor het raam. Men nam afscheid van de overledene door gezamenlijk met de lijkkist rond het dorp te lopen. Toen de geboren en getogen Vogeldorper Karel Kappel in 2003 overleed, betoonden vrienden hem dezelfde eer. Ditmaal met de kist in een auto.

Dikke Bandenwedstrijd
Het was trouwens ook deze Karel ('Kareltje') die wist te verhalen over de jaarlijkse Dikke Bandenwedstrijd, een wielerwedstrijd rond het dorp. Misschien daardoor zijn grote liefde voor de wielersport. Menig fiets heeft Kareltje voor buurtbewoners gerepareerd. En er was een andere, inventieve buurtbewoner die voor muzikaal genot zorgde. Hij was een van de weinige mensen die beschikte over een platenspeler. Vanuit zijn huis had hij een draadverbinding naar de woningen van diverse muziekliefhebbers doorgetrokken, waardoor men tegen een kleine onkostenvergoeding van zijn platen kon genieten. Henk Eskes denkt hier met plezier aan terug: "Het gaf zo veel warmte en vrolijkheid in die armoedige tijd."

De 'Vliegende burgemeester' was zeer geliefd

Installatie d'Ailly tot burgemeester door wethouder B.C. Franke in 1946.

Personalia
Arnold Jan d'Ailly was een populaire Amsterdamse burgemeester van 1946-1956. Hij was een hoffelijke,
joviale en soepele figuur, die eerste burger was in de naoorlogse
periode. Hij beheerde zelf de havenportefeuille en zette zich onder meer in voor herstel en uitbreiding van Schiphol en nieuwbouwprojecten als Bos en Lommer, Geuzenveld en Slotermeer. D'Ailly was afkomstig uit de bankwereld en keerde daarin ook weer terug na zijn aftreden. D'Ailly werd geboren in Franeker in 1902 en is overleden in Amsterdam in 1967.
Hij was de zoon van Jacob d'Ailly, die
huisarts was in Doesburg, en Johanna Greebe. Hij had nog één broer en één zuster. Hij trouwde in 1930 met Anna Fritz die juriste was. Hij kreeg vier kinderen maar scheidde uiteindelijk en huwde met Marie-Gisèle van Waterschoot van der Gracht, een beeldend kunstenaar en kunstmecenas. Zij woonden toen op de Herengracht 401 waar zij in 2013 op 100-jarige leeftijd overleed. Hij overleed in 1967 en ligt begraven op het kerkhof van het dorp Spaarnwoude.

Algemene kenmerken van d'Ailly en belangrijke gebeurtenissen tijdens ambtsperiode
Arnold d'Ailly komt uit een hugenotengeslacht en bracht zijn jeugd door in Doesburg waar het geestelijk klimaat modern-protestants was. Hij bezocht het gymnasium waar hij in 1921 eindexamen deed. Hij ging daarna naar Amsterdam om rechten te studeren aan de Gemeentelijke Universiteit. Hij ontmoette er zijn toekomstige vrouw, Anna Fritz, die ook rechten studeerde en een jaargenote van hem was. In 1923 behaalde hij het doctoraalexamen en werd advocaat/waarnemend griffier bij het Amsterdams Gerechtshof. In 1929 ging d'Ailly bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) werken om na precies twee maanden in dienst te treden van de Vereeniging voor den Effectenhandel. D'Ailly maakte deze stap om zijn salarispositie te verbeteren. De handelsfirma van zijn aanstaande schoonvader ging namelijk failliet, kort na de paniek op Wall Street (1929).
Een compleet familiedrama was het gevolg, wat ook zijn huwelijk met Anna Fritz in 1930 overschaduwde. Er werd niet in het wit getrouwd, maar in een lichtblauwe japon! Het ging goed met d'Ailly's carrière bij de Vereeniging voor den Effectenhandel. Hij toonde zich een goede organisator die in 1940 werd benoemd tot directeur van de Amsterdamse bankfirma de Kasvereniging N.V. Toen benaderde de Amsterdamse bankier G. van Hall in 1944 namens het Nationaal Steun Fonds - de financier van het verzet - de directeuren van de 12 grootste banken. Hij verzocht ze elk 20.000 gulden ter beschikking te stellen voor de financiering van verzetsactiviteiten.
D'Ailly was met nog een bank de enige die geweigerd heeft. Dit optreden heeft hij zeer snel rechtgezet door tijdens de hongerwinter steun aan het NSF te verlenen. Vanaf september 1922 verving hij heimelijk de promessen die bij zijn bank op naam van de Rijkspostspaarbank stonden door verhandelbare stukken op naam van de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank. Die vervalste promessen verkocht hij vervolgens aan vijf Amsterdamse banken. Door dit gedurfde optreden wist hij 51 miljoen gulden te verzilveren ten behoeve van het stakende spoorwegpersoneel.

Wetenswaardigheden
Na de oorlog werd d'Ailly gevraagd om toe te treden als minister van Financiën in het kabinet Schermerhorn-Drees. Deze post ging aan zijn neus voorbij want hij ging naar Piet Lieftink, die later het 'tientje van Lieftink' introduceerde. Hij werd directielid van De Nedelandse Bank en in 1946 volgde hij de tijdelijke burgemeester Feike de Boer op. De burgemeester beleefde zijn hoogtepunt met de inhuldiging van koningin Juliana in 1948. Hij had nauwe banden met het koningshuis, in het bijzonder met koningin Wilhelmina.
Hij had als bijnaam 'de vliegende burgemeester' om de eenvoudige reden dat hij de hele wereld afvloog voor contacten met zijn stedenpartners. D'Ailly ging graag naar allerlei bijeenkomsten in de stad en ging ook veel mee met economische missies in het buitenland, wat hem de bijnaam 'Burgemeester d'Ailleurs' opleverde.
Tijdens zijn ambtsperiode was hij ook commissaris van Drukkerij Senefelder. Er werden soms vergaderingen belegd om het personeel te informeren over, niet altijd vrolijke, besluiten van de directie. Hij was dan aanwezig bij deze bijeenkomsten die in de personeelskantine werden gehouden. De kantine was te klein om al het personeel netjes op stoelen te ontvangen, dus werden er wat banken bij geplaatst. De directie zat voor achter de zogenaamde bestuurstafel, maar burgemeester d'Ailly zat midden tussen het personeel, meestal op een bank, als een van het personeel. Dit was natuurlijk heel tactisch en zo werden beslissingen zonder al te veel weerwoord genomen.

Eerste officiële bezoek prinses Beatrix aan de Stadsschouwburg aan het Leidseplein. In het midden d’Ailly.

D'Ailly vroeg in 1954 aan commissaris Kaasjager of hij hem wilde adviseren over het probleem van het toenemende autoverkeer. Kaasjager stelde een notitie op waarin hij voorstelde een deel van de Amsterdamse grachten te dempen. Toen de notitie uitlekte leverde dit veel kritiek op. 'Aantasting van het Amsterdamse cultuurgoed' was een van de mildere reacties. Het plan-Kaasjager werd naar de prullenmand verwezen en er kwam een beleidsplan, waarbij nog slechts verkeerswegen door de Haarlemmer Houttuinen en de Nieuwmarktbuurt gepland werden.
Op 16 maart 1955 deelde hij vol trots mee dat de regering had besloten toestemming te geven voor de aanleg van de IJtunnel.
De burgemeester was vanwege zijn brede interesse een geliefde burgemeester. Hij mocht zich graag vertonen in het officiële ambtsgewaad: een rokkostuum met steek en een ambtsketting.
Gedurende zijn 10-jarige ambtsperiode na de oorlog heeft de burgemeester vele activiteiten ontplooid zoals kransleggingen, herdenking Februaristaking, onthulling verzetsmonumenten, helpen bij de watersnoodramp, opening Amsterdam-Rijnkanaal, aanleg Amsterdamse Bos, het IJtunnelplan in werking zetten, eerste kinderpostzegel uitgeven, kinderenoversteekactie initiëren et cetera et cetera.

Ambtswoning
D'Ailly moest door de commissaris van de Koningin gedwongen worden te verhuizen van de Gerrit van der Veenstraat naar de ambtswoning. Dit had te maken met een bepaling in de schenkingsakte van de woning. Als hij twee jaar niet zou worden bewoond of gebruikt voor representatieve doeleinden, kon hij door de schenker teruggevorderd worden.

Andere bestuurders en opvolger
Het begin van d'Ailly's ambtsperiode viel samen met de Koude Oorlog. Hij had na de oorlog twee CPN-wethouders ontslagen (Seegers en Polak), hetgeen leidde tot een geweldige vechtpartij in de raad. Jonas van der Velde was wethouder voor Publieke Werken en Volkshuisvesting. Hij was verantwoordelijk voor de versnelde uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan. Onder zijn leiding werd het '50.000 woningenplan' vastgesteld.
Toen Van der Velde in de Gemeenteraad werd gevraagd hoe het mogelijk was dat er op een plek in Amsterdam al heiwerkzaamheden hadden plaatsgevonden terwijl de gemeenteraad het krediet voor de woningbouw nog moest goedkeuren, antwoordde hij dat er volgens hem nog niet met de bouw was begonnen, maar dat slechts de heipalen verticaal waren opgeslagen.
Arnold d'Ailly's opvolger was Gijsbert (Gijs) van Hall. Hij wist slecht om te gaan met de gezagsproblemen uit die tijd, zoals Provo.

Burgemeesters van Amsterdam 6: Arnold Jan D'Ailly

Adrie de Koning en Jos en Frits Mol zijn de auteurs van de rubriek 'Burgemeesters van Amsterdam'. Wij hebben hen de afgelopen jaren leren kennen als grote kenners van de geschiedenis van Amsterdam, hetgeen zich heeft geuit in de series 'Dit komt nooit meer terug' (over allerlei zaken die vroeger zo normaal waren in het Amsterdamse straatbeeld, maar inmiddels van het toneel zijn verdwenen), daarna 'Verdwenen kinderspelen' en vervolgens 'Amsterdamse hofjes'.
In 'Burgemeesters van Amsterdam' worden niet alle Amsterdamse burgervaders uit de loop der eeuwen behandeld, maar alleen de burgemeesters uit de vorige en deze eeuw, want daar zullen Amsterdammers en oud-Amsterdammers herinneringen aan hebben. En misschien weten lezers iets over hen te vertellen. In totaal gaat het om twaalf burgemeesters die in de collage op deze pagina zijn verwerkt. Het zijn de vooroorlogse burgemeesters Tellegen en De Vlugt, de tijdens de oorlog aangestelde Voûte en de naoorlogse De Boer, D'Ailly, Van Hall, Samkalden, Polak, Van Thijn, Patijn, Cohen en Van der Laan.