De Amsterdamse Krant

11 maart 2017

De Amsterdamse Krant 11 maart 2017


'ME door de krakers verdreven. Resultaat: 53 gewonde agenten'

De rellen in beeld. Foto: Reinder van Zaanen

Wij vroegen om reacties op de hevigste kraakrellen die Amsterdam ooit meemaakte, die op 29 februari 1980 in de Vondelstraat. We kregen er twee. Een is een zeer uitgebreide van ooggetuige Reinder van Zaanen.

door Reinder van Zaanen
In 1980 was mijn grootste hobby het maken van nieuwsfoto's van wat we tegenwoordig 112 nieuws zouden noemen zoals branden, ongelukken en demonstraties, met als vurige wens op den duur een professionele persfotograaf te worden.
Die vrijdagmiddag, 29 februari 1980, was ik iets eerder gestopt met mijn werk omdat ik via via had vernomen dat er aan het eind van die middag een grote krakersdemonstratie zou plaatsvinden in de binnenstad van Amsterdam, met als enige doel de aandacht af te leiden van politie en ME zodat een andere groep krakers een pand op de Vondelstraat zou kunnen kraken. Ik parkeerde mijn auto aan het begin van de Vossiusstraat zodat ik niet te ver hoefde te lopen om in de Vondelstraat te komen.
Op het moment dat ik over de Vondelbrug de Eerst Constantijn Huygensstraat inliep, zag ik de eerste krakers al voor het pand op de hoek van de Vondelstraat staan en heel snel daarna had een aantal zich toegang verschaft en stond op het balkon van het pand. Andere krakers waren druk in de weer met bouwmateriaal om het pand te kunnen barricaderen.

Drie pelotons
Heel snel daarna verschenen drie pelotons ME in de Eerste Constantijn Huygensstraat en volgde een verschrikkelijk harde strijd tussen de ME en de krakers die voor het pand stonden. De ME probeerde de krakers voor het pand weg te slaan, maar de krakers hielden dapper stand en lieten zich niet verwijderen en vochten stevig terug. De politie was zo geschrokken van de felle reactie van de krakers dat er in wilde paniek zelfs met de ME-wagens op de betogers werd ingereden. Het is een wonder dat er toen geen doden zijn gevallen.
Ik heb de hele gebeurtenis zo goed als mogelijk fotografisch vastgelegd, waarbij ik de gekste capriolen moest uithalen om ook niet het slachtoffer te worden van deze gewelddadigheden. De ME werd binnen een kwartier door de krakers verdreven met als trieste resultaat 53 gewonde agenten, waarvan er 25 voor behandeling naar het ziekenhuis moesten.

Jongere broer Frans
Mijn jongere broer Frans, die ook begonnen was met persfotografie, was nieuwsgierig en kwam ook op de kraakactie af. En omdat ik er geen goed gevoel over had heb ik Frans gevraagd mijn auto op een andere plek, verder weg van de Vondelstraat, te parkeren zodat ik bij het gekraakte pand kon blijven om nieuwe ontwikkelingen fotografisch vast te leggen.
Toen hij weer terugkwam kon hij vertellen dat er nog veel ME op het Museumplein aanwezig was.

Hergroeperen
De krakers waren ondertussen rustig verder gegaan met het barricaderen van het gekraakte pand, maar toen er meldingen kwamen dat de ME zich aan het hergroeperen was op het Museumplein en dat er (volgens geruchten) ME vanuit andere steden onderweg zou zijn, werd er al snel besloten om dan maar de toegangswegen te blokkeren. Gelukkig stond mijn auto nu een stuk buiten het gebarricadeerde gebied, anders was de kans groot geweest omdat hij zo dicht bij de Eerste Constantijn Huygensstraat stond, hij net als een paar andere auto's ook op de barricade terecht zou zijn gekomen.

Steeds grimmiger
Omdat de situatie binnen de barricade steeds grimmiger werd en het ook voor ons als fotografen te link werd om te kunnen werken werd besloten om snel naar huis te gaan om de films te ontwikkelen en de foto's af te drukken zodat we ze ruimschoots op tijd bij de kranten konden inleveren voor publicatie in de krant van zaterdag. Doordat het inmiddels landelijk nieuws was geworden, kwamen er al heel snel fotografen van diverse kranten en persbureaus op de kraakactie af en werd geen van mijn foto's in de krant van zaterdag geplaatst.
De volgende dagen ben ik nog regelmatig teruggekeerd naar de kraakactie en kon je ook binnen het gebarricadeerde gebied komen. Toen heb ik ook mijn meest interessante foto van deze kraakactie geschoten van met stokken gewapende krakers die op een bank zitten uit te rusten op de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat en de Overtoom.
Van de uiteindelijk ontruiming heb op maandagmorgen alleen de live verslaggeving op Radio Stad meegekregen, omdat zoals iedereen ik weer gewoon aan het werk moest.
Foto's van de hele kraakactie staan op mijn blog Reinder van Zaanen Ooggetuige Vroeger.

De rook
Van Rob Riphagen kregen we de volgende bijdrage: "Ik werkte toen in een gebouw op het Leidseplein dat uitzag op de Stadsschouwburg en het Leidse Bosje. Vanuit het raam van mijn kantoor kon ik de rook zien die bij de Vondelstraat/Overtoom omhoogwam. En ik was zeer verbaasd toen een collega uit New York mij in de middag belde en beleefd informeerde hoe het met onze 'Civil War' stond. Kennelijk waren de beelden van de rellen in de VS op de televisie geweest en van zwaar overdreven commentaar ('het leger heeft pantserwagens ingezet') voorzien."

Nieuwe raadplaat: nu in verval

Over dit absoluut markante gebouw vertellen we niet meer dan dat het nog steeds bestaat, maar ernstig in verval is geraakt. Dat moet voldoende zijn, menen wij.
We zijn dus zeer benieuwd of er bij u weer een lichtje gaat branden over deze nieuwe raadplaat, waarvan we zeker weten dat heel veel Amsterdammers er herinneringen aan moeten hebben, zij het dat er nauwelijks nog Amsterdammers zijn die de oorspronkelijke staat kennen. Maar misschien zijn verhalen over de overlevering wel net zo mooi. En o ja, die auto bestaat zeker niet meer.
Uw inzending kunt u weer mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Grootveld

Op woensdagavond 18 april 1962 - binnenkort dus 55 jaar geleden - slaan in de Korte Leidsedwarsstraat de vlammen uit het dak van de 'anti-rooktempel' van Robert Jasper Grootveld.
De vraag is of de provo de tent zelf in brand heeft gestoken, maar uiteindelijk komt hij er vanaf met een voorwaardelijke straf.
Maar wat was dit voor een tempel? En wie was die fameuze provo Robert Jasper Grootveld eigenlijk? Het zijn vragen die we graag met u willen beantwoorden, Dus heeft uw herinneringen en foto's aan Grootveld en/of zijn anti-rooktempel dan kunt u die mailen naar
Info@amsterdamnsekrant.nl.

'Dit was in feite onze gymzaal!'

In elke editie van de Amsterdamse Krant publiceren we de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland, foto's die lezers hebben ingestuurd of foto's die we ergens zijn tegengekomen, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen. Deze keer ging het om het basketbalveldje van het Museumplein dat bekendstaat als de bakermat van het basketbal in Nederland. En we komen uitgebreid terug op de eerdere raadplaat van Het Kabouterhuis én van de raadplaat daar weer voor van de Marco Polostraat.

Vorige keer startten we met een foutieve inzending – ook leuk trouwens – en dit keer weer eerst met de trouwe hap. Zoals de Mollen en de Koningen, die er moeite mee hadden. "De Mollen en Koningen hadden dit keer wat problemen om de raadplaat goed in beeld te krijgen, maar toen dit met enige kunstgrepen toch was gelukt (later is de foto wél geplaatst), was het niet meer zo moeilijk. Het gebouw op de achtergrond is een typisch gebouw voor de omgeving van het Rijksmuseum. En zo was snel duidelijk dat het hier het basketbal- annex volleybalveld op het Museumplein betrof. Aan de kleding van de jongens te zien is de foto eind vijftiger of begin zestiger jaren van de vorige eeuw gemaakt."

Opgegroeid
Voor Gielijn Escher was de plaat een terugblik in zijn jeugd. "Ik ben in deze buurt opgegroeid en heb er tot mijn twaalfde gewoond. Onze bovenbuurvrouw tevens 'huisbaas' was tante Marie, beter bekend als mevrouw Van der Does de Willebois-Ingen Housz. Zij was goed bevriend met Geurt Brinkgreve, met wie zij indertijd de vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad heeft opgericht. Jarenlang is zij bestuurslid geweest, in welke hoedanigheid zij mij in de jaren 70 lid van deze vereniging heeft gemaakt. De liefde voor stadsschoon en monumentenbehoud zat er dus al vroeg in!"

Tuschinski
"Terug naar de raadplaat. We staan op het Museumplein en kijken door de Hobbemastraat richting Boerenwetering en Ruysdaelkade. Links een der bijgebouwen van het Rijksmuseum. De villa rechts was jarenlang het hoofdkantoor van het Tuschinski-concern. Daarachter vaag herkenbaar de lichtkoepel van het Zuiderbad."

'Dik hout en planken'
"Mijn meest speciale herinnering aan dit gedeelte van het Museumplein was een grote openlucht expositie 'Dik hout en planken', een tentoonstelling helemaal gewijd aan hout. Als klein jochie heb ik daar menig uur rondgezworven. Dat moet ergens in 1953 zijn geweest."

Feest van herkenning
Ook Mike Man is weer aangeschoven. "Gezien ik mijn middelbareschooltijd, zoals ik al eens eerder schreef, in Oud-Zuid heb mogen slijten, was deze raadplaat een feest van herkenning. De foto toont het basketbalveldje op het Museumplein, gezien naar het pand op de hoek van de Joh. Vermeerstraat en de Hobbemastraat, met vaag links op de achtergrond het torentje dat een van de bijgebouwen van het Rijksmuseum op de hoek van de Hobbemakade siert."

Schoolpauzes
"Zeker bij mooi weer brachten mijn schoolgenoten en ik vaak de schoolpauzes door op het plein, dat toen nog 'de kortste snelweg van Nederland' werd genoemd vanwege de vierbaansweg die tussen de grasvelden door van het Rijks naar het Concertgebouw liep."

KLM-kantoor
"Op de hoek met de Gabriél Metsustraat stond toen nog het KLM-kantoor dat in 1953 het gesloopte kantoortje op het Leidseplein verving, dat daar vanaf 1921 had gestaan. Met de opening van de Schiphollijn in 1981 verviel de functie als vertrekpunt van de KLM-bussen en werd het afgebroken. Of het plein er anno nu mooier op is geworden blijft een kwestie van smaak. En herinnering..."

Niet sportief
Anneke Huijser laat weten: "Dit moet haast wel op het Musemplein zijn! Daar was indertijd een baksetbal- en volleybalveld. Ik was toen nog een tiener, maar absoluut niet zo sportief dat ik daar ook eens een balletje opgooide..."

Geen gymzaal
Leo Lases dan: "Volgens mij is het het Museumplein bij de Hobbemastraat. Toen ik op de banketbakkersschool St. Nicolaas in het Van Nispenhuis op de Stadhouderskade zat hadden we daar geen gymzaal, dus voor onze lichamelijke oefeningen gingen we naar dat basketbalveld. Eerst moesten we oefeningen doen, daarna was het de beurt aan spelletjes zoals volleybal, voetbal en natuurlijk basketbal. Als het te slecht weer was, weken we ook uit naar het Zuiderbad in de Hobbemastraat."

Eerste beginselen
Ook Gerard Jansen raadt mee en dat doet hij goed: "De raadplaat in de uitgave van 4 maart kan maar één plek zijn en dat is het Museumplein. Ik zat op de lagere school op de Stadhouderskade en bij mooi weer gingen wij altijd met gymles naar deze plek en leerden hier de eerste beginselen van het basketbal. Ook tijdens mijn opleiding op de Horecavakschool St.Hubertus, waarvan ik het laatste jaar nog meemaakte op de Stadhouderskade voordat de school verhuisde naar de Reinaert de Vosstraat in West, waren we hier heel vaak te vinden. Een geweldige tijd!!!!!"

Veel ruimte
Martin Greven: "Ik denk dat jullie heel veel goede oplossingen gaan krijgen voor de raadplaat van deze week. Geboren en getogen in de Pijp (Gerard Doustraat) en op de Frans Halsschool op school gegaan, gingen wij in de jaren 50 heel veel spelen op het Museumplein waar je veel ruimte had. De raadplaat betreft dus het Museumplein. Hier waren klimrekken, maar eronder lag grint en als je viel had je het grint in je knieën zitten!"

Nederlands team
Jan Wortel: "Op dit halfverharde sportveld op het Museumplein stonden niet alleen baskets, maar ook palen voor een volleybalnet. Vanuit dit volleybal is de Museum Volleybal Club (MVC) ontstaan, die om logistieke redenen fuseerde met de volleybalclub Reva uit Amsterdam (Reva-MVC), welke combinatie zich na enige tijd verbond aan AMVJ (AMVJ-R), het latere Deltalloyd-AMVJ, inmiddels samen met (Brother)-Martinus spelend onder de naam AMVJ-Martinus Amstelveen. Er zijn destijds nog enkele uit MVC afkomstige leden tot het Nederlands team doorgedrongen, onder meer Paul van 't Lith. De huidige volleybalclub Reva, vernoemd naar dezelfde Russische stervolleyballer Konstantin Reva, speelt in Gorredijk en heeft – behalve de naam – niets met het bovenstaande te maken."

Ook L. Schoo, Niek Merks, Hans Volmer, Ben Meupelenberg, Jan Burgers, René Polanus (die komt zo direct nog terug met een geweldige bijdrage), Olaf Horn, Annie van der Vos, Theo Engel, Joop Groot en Herman Boeker hadden het bij het rechte eind, maar zij schreven geen bepaalde herinneringen.

De nazit
En dan komen we bij de nazit, te beginnen bij de bakfietsenverhuur aan de Marco Polostraat
Lilian van Nol heeft nog herinneringen aan de Marco Polostraat en is een beetje teleurgesteld in ons: "In de vorige Amsterdamse Krant was een raadplaat over A.C. Smid, stallenbaas in de Marco Polostraat. Ik had daar over willen reageren en dacht mijn verhaal komt in de krant, maar helaas... (maar bij deze alsnog, blijkbaar is de reactie ons ontgaan). De reden is dat mijn man Cor jarenlang bij Henk Smid gewerkt heeft. Dat was op de Vespuccimarkt, een gezellige tijd. Iedereen zat bij koffiehuis Nol en de voddenkarren stonden op de markt."

Fritschgy
Marc Stegeman heeft ook een mooie reactie, wat eigenlijk meer een soort verzoek is over een bakfietsverhuurbedrijf in de John Franklinstraat : "De afgelopen afleveringen stonden in de Amsterdamse Krant nog enkele reacties op de karrenverhuur van Smit in de Marco Polostraat. Maar daar vlakbij, in de John Franklinstraat op nr .5, net naast de poort bij de 'Jan Eef', zat de Besteldienst en Bakfietsenverhuur van J.Th. Fritschy met telefoonnummer 84594. Ik sprak de bejaarde graficus Fred Fritschy, maar die vertelde dat hij van een andere tak van de familie afstamt, de Zwitserse, 'die ooit Zouaven leverden aan het Vaticaan', zoals hij mij zei. Nou staan er nog wel een paar andere Fritschy's in het telefoonboek, maar ik vond de door ons gezochte J.Th. Fritschy alleen terug in het telefoonboek van 1950. Voor de WHGA maakte ik bijgaande foto waarop nauwelijks nog te onderscheiden is waar het om gaat. Ik hoop dat de WHGA (met medewerking van Woningstichting De Key) er weer wat moois van kan maken. Maar reacties van lezers die daar een handkar of bakfiets huurden en zich Fritschy weten te herinneren zouden uitermate welkom zijn!"

Meer nazit, over Het Kabouterhuis, staat op pagina 4.

Nieuwe raadplaat

Over dit gebouw vertellen we niet meer dan dat het nog steeds bestaat, maar ernstig in verval is geraakt. We zijn dus zeer benieuwd of er bij u weer een lichtje gaat branden over deze nieuwe raadplaat, waarvan we zeker weten dat heel veel Amsterdammers er herinneringen aan moeten hebben, zij het dat er nauwelijks nog Amsterdammers zijn die de oorspronkelijke staat kennen.
Uw inzending graag naar info@amsterdamsekrant.nl.

'Wees mijn vriendje, stort een tientje'

Op de vorige twee pagina's staan reacties op de vorige raadplaat. Dat geldt ook voor deze pagina, met twee bijdragen over het Kabouterhuis.

Van René Polanus kregen we bijgaande reactie, die als een soort geschiedenisles – en bepaald geen kleine - over deze buurt kan worden beschouwd. "Ik ken Het Kabouterhuis uitstekend en meende het ook direct te herkennen; alleen het hek met de poort eromheen bracht mij in verwarring; die herkende ik niet (meer)."

Vechtstraat
"Ik ben geboren in 1946 in de Vechtstraat, halverwege de Uiterwaardenstraat en de (toen nog) Rivierenlaan. Bij de Rivierenlaan hield Amsterdam op en was even verder de Amstel; de Utrechtse Brug kwam pas in 1954 gereed. Links aan de overkant van de Amstel was de Zuidergasfabriek en wat jachthavenachtigs."

Pont
Bij Het Kabouterhuis vertrok de pont naar de overkant, de Korte Ouderkerkerdijk, bij die gasfabriek. Het gas was er ook duidelijk te ruiken. Aan de overkant van de Rivierenlaan was 'landje'; daar heb ik uiteraard ook met andere kinderen niet alleen vaak fikkie gestookt, maar ook gevoetbald. De kuilen waren heel geschikt voor het eerste, maar bepaald niet voor het tweede; je moest eromheen dribbelen en pingelen."

Fietsje
"In feite was de Rivierenlaan vanaf de Trompenburgstraat tot aan ongeveer de Rijnstraat écht de Amsteldijk. De Rivierenlaan werd bij ons in de straat daarom gemakshalve 'de dijk' genoemd; je kon er zo lekker hard van naar benee de straat in op je autoped of (meestal in de fietsenwinkel voor een uur gehuurde en helaas van doortrapmechanisme voorziene) fietsje."

Word mijn vriendje, stort een tientje
Na een strook 'landje' ging het naar beneden (er was ook een stenen trap) en kwam het (toen nog mini) Amstelpark. Naar links kijkend, was er in die leegte maar één bouwwerk te zien: Het Kabouterhuis. Jawel, dat van: 'Word mijn vriendje, stort een tientje'. Ik kan mij herinneren dat die bedelbrieven bij mijn eerste baas (01-09-1964 tot 31-12-1965) op de Keizersgracht binnenkwamen."
"Naar rechts was veel meer 'landje', want de asfaltrijbaan was er nog niet. Lijn 25 had er alle ruimte en lag veel verder van de bebouwing; voor de aanleg van die asfaltbaan kwamen rails en 'conducteurspauzehuisje' dichter bij de huizen te liggen."

Naar de grote school
"In 1952 liep ik aan de hand van mijn moeder voor 't eerst naar de 'grote school'. Mijn moeder had er extra haar nette kleren en schoenen voor aangetrokken. Daar liep ze dan met haar mooie schoenen met halfhoge hakken over die zandvlakte met kuilen en graspollen naar de nieuw neergezette openbare Prof. Kohnstam-school II (volledigheidshalve: I stond in de Uiterwaardenstraat tegenover de Griftstraat, overigens wel nog 'verscholen' achter twee rijen van de katholieke Albertus Magnusschool; de II werd later omgedoopt tot Prof. G. van der Leeuwschool). Ik kan het mij zelf niet meer herinneren, maar mijn moeder heeft later verteld dat ik die eerste dag 's middags na thuiskomst uit school woedend was, omdat ik nog niet kon lezen en schrijven; mij was immers lang voorgehouden dat ik dat daar zou leren. Gelukkig kon ik (weet ik ook alleen maar van mijn moeder) rond Kerstmis wel al Jip en Janneke in Het Parool van zaterdag lezen."

Schoolzwemmen
"De school stond tussen het De Mirandabad en een (nylonkousen?)fabriek van AKU. Pal naast die fabriek werd later de Utrechtse Brug gebouwd. Schuin achter de school is nog steeds het De Mirandapaviljoen. Vanuit de school gingen wij naar het schoolzwemmen, waarvoor een simpele houten deur in een zijmuur voor ons geopend werd. Het was zeker nog wel 50 meter lopen!!"

IJs op de Amstel
"In de winter was het vóór schooltijd altijd even de dikte van het ijs op de Amstel 'controleren'; degeen die het eerst erin slaagde helemaal over te steken vergaarde eeuwige roem, vergelijkbaar met het winnen van de Elfstedentocht. Het was natuurlijk levensgevaarlijk, want de Amstel werd lang opengehouden door ijsbrekers. Alleen in de winter van 1956 lukte dat absoluut niet meer; in die van 1963 vast en zeker ook niet meer, maar toen woonde ik niet alleen al zes jaar in de Biesboschstraat, maar zat ik ook al een poosje niet meer op die lagere school, doch reeds in de voorlaatste klas van de '2e 5-jarige Hogere Burgerschool A' (2e Openbare Handelsschool) in de P.L. Takstraat. Volledigheidshalve: 'de 1e' stond op het Raamplein tegenover de Marnixstraat."

Familie Lierens
Louis van Mulken kent Het Kabouterhuis ook: "Als kleine jongen waren wijlen mijn vader en ik op bezoek bij de familie Lierens aan de Amsteldijk – eigenaar van de villa Johanna. Het buitengebeuren sprak mij erg aan, want er was veel groen enzovoort. Later vernamen wij dat de familie Lierens (kan ook Van Lier zijn geweest, wie weet dit?) al in 1939 gevlucht was voor de Nazi's. In de naoorlogse periode hebben wij niets meer van de familie vernomen."

Bouwes

door Hans Goedhart
Ik werkte in die tijd in de Stadsvernieuwing. Mijn collega was bezig met de perikelen rond de oude bajes. Nadat het plan-Bouwes van tafel was, is er een inventarisatie gehouden onder de Amsterdamse bevolking waarbij men een idee kon neerleggen voor dit gebied. Ik heb de lijst van ideeën toen gezien. Ik schat nu, na al die jaren, dat er zo rond de honderd ideeën waren ingediend. Serieuze, maar ook minder serieuze, haalbare en minder haalbare. Eén is mij bijgebleven, dat is de 'raketlanceerinstallatie'.

Misschien is het leuk de planontwikkeling die heeft geleid tot het huidige Max Euweplein te achterhalen. Daar moet in het archief van de voormalige Dienst Ruimtelijke Ordening wel iets over terug te vinden en een leuk stukje over te schrijven zijn.

Senefelder

door Paul Soueverein
In De Amsterdamse Krant van 5 september alweer schreef Gielijn Escher naar aanleiding van de raadplaat over Senefelder. Mijn oom Jan (Sjeng) van de Vorst (broer van moeder) heeft daar gewerkt. Hij was geboren in Weert 1897, reisde rond om goed werk te vinden, kwam bij familie in Haarlem terecht, daarna in Amsterdam waar hij trouwde en een gezin stichtte en (dus) werkte bij Senefelder. Hij overleed in 1964.

FETIM

door Marc Stegeman
In een editie van De Amsterdamse Krant van 22 juli 2016 alweer schreef Kees van Duijnen in 'Wij gingen dagjes uit' dat ze van de Houthaven vertrokken en daar was een houtzaak BIM. Nee, vast niet BIM, want vermoedelijk bedoelde Kees de firma FETIM-BEKOL die lage houten kantoren had, net over de sloot die parallel liep aan de Spaarndammerdijk.
FETIM startte in 1919: Fijnhout En Triplex IMport; het triplex werd o.a. verkocht aan de Fokker vliegtuigfabriek. Een luchtfoto van dit stukje Spaarndammerbuurt met de FETIM erop vond ik op de Beeldbank van Amsterdam. Hopelijk maakt dit weer reacties los!

Flat

door Henk Hemelaar
Ik reageer op het bericht van de lezer die wil weten welke flats hij zich herinnert. De betreffende studentenflat in Osdorp bevindt zich op de hoek Meer en Vaart-Pieter Calandlaan.

Regent Van Hall struikelt over hevige rellen

Burgemeester Van Hall tijdens een nieuwjaarsreceptie in het stadhuis.

Personalia
Als opvolger van de vertrokken Arnold d'Ailly werd door de regering gekozen voor PvdA-senator Gijs van Hall, die naam gemaakt had als verzetsstrijder en afkomstig was uit een bekende bankiersfamilie. Van Hall was in 1904 geboren in Amsterdam, alwaar hij in 1977 ook overleed. Hij was getrouwd met Emma Nijhoff, die een bekend grafologe was en die ook zeer geschikt was bevonden om een aantal representatieve taken op zich te nemen. Samen hadden zij drie dochters. Zijn vader Adriaan was een bankman en was ook voorzitter van de Vereniging voor Effectenhandel. Van Hall had na zijn gymnasium in Leiden zijn studie Nederlands recht afgerond. Tot zijn benoeming tot burgemeester was Gijs van Hall directeur van de bank Labouchère en Co. Zijn burgemeesterschap liep van 1 mei 1957 tot 1 juli 1967.

Algemene kenmerken van Van Hall en belangrijke gebeurtenissen tijdens zijn ambtsperiode
Van Hall was een geheel andere bestuurder dan zijn voorganger d'Ailly. Laatstgenoemde was joviaal en begaf zich graag onder het volk; Van Hall leek veel afstandelijker en werd al gauw gezien als een strenge regent. Maar hij was toch een echte bestuurder met veel inzet voor de 'goede zaak'. Hij was groot pleitbezorger voor de aanleg van de IJtunnel en voor het annexeren van de Bijlmermeer. In 1964 kondigde hij aan dat in de Bijlmermeer een mooie en moderne voorstad zou worden gebouwd die de woningnood zou uitroeien. Daarvoor moest de gemeente Weesperkarspel wel worden geannexeerd. Op 13 december 1966 sloeg hij er de eerste paal. Op 10 maart 1966 vond in Amsterdam het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg plaats. De Duitse afkomst van de bruidegom bleek bij sommigen nog zeer gevoelig te liggen. Vooraf werd o.a. door het studentenblad Propria Cures een groot aantal mogelijkheden voor ordeverstorende acties aangedragen, zoals het loslaten van muizen in de Westerkerk. Na de huwelijksplechtigheid werden rookbommen in de Raadhuisstraat tot ontploffing gebracht. Het bleef lang onrustig in de stad. Ook daarna kreeg hij veel te maken met openbare-ordeproblemen, zoals de Provorellen (escaleerde toen een beklimmer van het 'Lieverdje' werd gearresteerd waarbij hij een pak slaag en een brandende fakkel in het gezicht kreeg) en de rellen bij het Telegraafgebouw op de Nieuwezijds Voorburgwal en de daaropvolgende bouwvakkersacties op 14 juni 1966. De Provo's scandeerden "Van Hall, ten val!"
Het bouwvakkersoproer was voor Van Hall aanleiding om de regering om politieversterking te vragen en voor de toenmalige regering aanleiding om een onderzoek naar de gebeurtenissen in Amsterdam in te stellen. Het onderzoek door de Commissie Enschedé velde een vernietigend oordeel over het politieoptreden. Dit leidde tot het vertrek van zowel de hoofdcommissaris als de burgemeester. Hij had een moeizame relatie met hoofdcommissaris van politie Van der Molen, die eigenzinnig te werk ging en de harde hand verkoos boven de meer lankmoedige houding van Van Hall.

Wetenswaardigheden
Van Hall was een belangrijke verzetsman. Samen met zijn broer Wally (heette eigenlijk Walraven, maar werd bekend als Wally) was hij oprichter van het Nationaal Steunfonds, een fonds vanwaaruit het verzet werd gefinancierd. Daarvoor had hij met zijn broer een bankroof van schatkistpapier gepleegd. Zonder dat de directeur van de Nederlandsche Bank, Rost van Tonningen, het merkte wisten zij vals schatkistpapier om te ruilen voor echte. Ook Arnold d'Ailly, toen directeur van de Kas-Associatie en later burgemeester, was hierbij betrokken. In 2017 zal er een documentairefilm gemaakt worden over de broers Van Hall en hun verzetsdaden. Wally van Hall heeft de oorlog niet overleefd. Hij werd begin februari 1945 in Haarlem gefusilleerd. Mocht u denken dat de Van Hallstraat in Oud-West naar een van beiden is vernoemd, dan is dat niet juist. Deze dankt zijn naam aan oud-minister Floris Adriaan van Hall (1791-1866).

Burgemeester Van Hall kreeg heel wat rellen voor zijn kiezen en die werden hem uiteindelijk fataal.

Ambtswoning
Van Hall woonde, in tegenstelling tot de meeste burgemeesters, niet in de ambtswoning, maar in een flat in de Beethovenstraat bij het Beatrixpark. Die hadden de heer en mevrouw Van Hall pas betrokken en zij gaven er de voorkeur aan dat hun dochters in de rustige Prinses Irenebuurt opgroeiden in plaats van in de binnenstad. De huisbewaarder ging in de ambtswoning wonen. Wel werden in de ambtswoning ontvangsten gehouden waar mevrouw Van Hall zeer actief bij betrokken was. Zij bemoeide zich ook nadrukkelijk met de inrichting. Van Hall heeft het beeld voor het toenmalige gebouw van het Sint Nicolaaslyceum in de vlak bij zijn huis gelegen Prinses Irenestraat onthuld. Hij kwam daar met zijn vrouw lopend naartoe.

Andere bestuurders, vertrek en opvolger
Vanwege zijn openbare-ordebeleid moest hij op last van de regering-De Jong, via minister van Binnenlandse Zaken Beernink, gedwongen aftreden. Al voordat het rapport van de Commissie Enschedé openbaar werd, werd Van Hall de gelegenheid geboden de eer aan zichzelf te houden, maar dat weigerde hij. Vervolgens werd hij tot woede van de wethouders zonder nadere argumentatie ontslagen. Maar ook onder een deel van de bevolking was er een afkeer tegen de burgemeester ontstaan. Zo stak schrijver Harry Mulisch zijn mening niet onder stoelen of banken. Hij vond Van Hall 'een telg van een oeroud regentengeslacht die niet luisterde naar demonstranten, maar er bij het minste of geringste op los sloeg'. Zo ging Van Hall de geschiedenis in als 'de laatste der regenten'.
Een van zijn laatste openbare optredens was in het tv-programma 'Mies-en-scène' van Mies Bouwman. Nadat onder meer Daniël Wayenberg, Ria Valk en ir. Ad van Emmenes bij Mies in de stoel waren verschenen, kwam Van Hall. Hij begon met het voorlezen van een verklaring waarbij hij liet doorschemeren dat hij met de situatie eigenlijk geen raad meer wist. Die middag waren er ook weer rellen uitgebroken bij de opening van een tentoonstelling over de rellen tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus. Ondanks het gedoe rond zijn vertrek kreeg hij bij Koninklijk Besluit eervol ontslag en de gouden penning van de gemeente Amsterdam. Na het officiële vertrek van Van Hall werd hij al na één maand opgevolgd door Ivo Samkalden. In die maand nam locoburgemeester P.J. Koets waar. Deze was vanaf 1962 wethouder namens de PvdA en sinds 1966 loco. Daarvoor was hij van 1951-1961 hoofdredacteur van Het Parool.

Burgemeesters van Amsterdam 7: Gijs van Hall

Adrie de Koning en Jos en Frits Mol zijn de auteurs van de rubriek 'Burgemeesters van Amsterdam'. Wij hebben hen de afgelopen jaren leren kennen als grote kenners van de geschiedenis van Amsterdam, hetgeen zich heeft geuit in de series 'Dit komt nooit meer terug' (over allerlei zaken die vroeger zo normaal waren in het Amsterdamse straatbeeld, maar inmiddels van het toneel zijn verdwenen), daarna 'Verdwenen kinderspelen' en vervolgens 'Amsterdamse hofjes'.
In 'Burgemeesters van Amsterdam' worden niet alle Amsterdamse burgervaders uit de loop der eeuwen behandeld, maar alleen de burgemeesters uit de vorige en deze eeuw, want daar zullen Amsterdammers en oud-Amsterdammers herinneringen aan hebben. En misschien weten lezers iets over hen te vertellen. In totaal gaat het om twaalf burgemeesters die in de collage op deze pagina zijn verwerkt. Het zijn de vooroorlogse burgemeesters Tellegen en De Vlugt, de tijdens de oorlog aangestelde Voûte en de naoorlogse De Boer, D'Ailly, Van Hall, Samkalden, Polak, Van Thijn, Patijn, Cohen en Van der Laan.

Broeder Victor en Broeder Cornelis.

Herinneringen aan de Jordaan (3):
'Een kleine tsunami golfde de zaal in'

Van Albert Ticheler kregen we een geweldig artikel over zijn leven in de Jordaan. We besteden er in drie afleveringen aandacht aan. Vandaag deel 3, waarbij we meteen doorschuiven naar het vervolg van zijn herinneringen in de Pijp.

Er was eens een hypnotiseur in Aloysius. We waren allemaal erg sceptisch. De meeste jongens hadden al zo veel levenservaring en wisten hoe vaak je bedrogen werd dat ze het wel zouden zien.
We zaten allemaal netjes in rijen toen de hypnotiseur zei dat we allemaal met de armen over elkaar moesten gaan zitten en dan aandachtig kijken naar het horloge dat hij heen en weer zwaaide. Hij zou dan een bevel geven dat wij dan allemaal zouden opvolgen.

'Ik ben klaar voor de vakantie'.
Deze foto werd gemaakt ter gelegenheid van het eeuwfeest van de congregatie.

Benieuwd
Iedereen was benieuwd. Na ongeveer een halve minuut was het stil in de zaal en toen zei hij dat wij onze armen niet meer los konden krijgen. Verdomd, het was waar. Mijn armen bleven over elkaar. Op een gegeven moment dacht ik: dat kan niet waar zijn en tegelijk met een jongen aan de andere kant van de zaal maakte ik mijn armen los. Ik zei tegen Appie mijn buurman dat hij zijn armen ook los kon maken, maar hij zei: "Albert, dat gaat niet." Dat ging mijn verstand te boven. Immers, wij kenden elkaar erg goed en hij geloofde nooit in flauwekul.

Watersnoodramp
Een bijzondere gebeurtenis was de watersnoodramp. Enkele jongens van De Club gingen naar Zeeland om te helpen. Hun verhalen vonden wij indrukwekkend. Later kwamen er grote zakken met ingezamelde onderkleding voor de slachtoffers. Deze kleding was over. Enkele jongens, waaronder ik, mochten er jongensondergoed uit sorteren. Wij vonden bh's en vetercorsetten uitermate interessant. De jongenskleding ging naar het atelier van broeder Eustachius, die zowel kleding als schoenen herstelde.

Biljartballen
In de zaal waar wij aten stonden ook speeltoestellen als biljart, pingpongtafel, damborden etc. De biljartballen en keus stonden opgeslagen aan de andere kant van de zaal dan waar het biljard stond. Wij gooiden wanneer je wilde spelen de biljartballen door de lucht naar elkaar toe. Tot op zekere dag de vanger misgreep en de bal door de zijkant van het grote aquarium vloog. Een kleine tsunami golfde de zaal in en we hebben alle emmers en bakjes gebruikt om zo veel mogelijk vissen te redden.

Met de tram
's Morgens ging ik meestal met de tram naar school. Ik stapte op de hoek van de Elandsgracht, Marnixstraat op de tram. Voor het hoofdbureau van politie.
De trams waren nog van een oud model met dubbele klapdeuren om in te stappen. De tram was meestal overvol en je stond als haringen in een ton op het achterbalkon. Als jongen was je min of meer gedwongen om als laatste jezelf naar binnen te persen. De klapdeuren bleven vaak open. Je kon je dan niet goed vasthouden en de tram slingerde wanneer hij vaart maakte op de Marnixstraat. Ik had een techniek ontwikkeld. Ik stapte als laatste in en wurmde mij zover mogelijk achter de paal die de twee klapdeuren scheidde. Wanneer de tram optrok in de bocht ging de massa achter mij door de middelpuntvliedende kracht naar de buitenbocht. Dat moment gebruikte ik om me helemaal achter de paal te schuiven en mijn schooltas buiten de tram met beide handen vast te houden. Op een morgen ging het weer goed, tot een weelderig geboezemde dame riep: "Denk je dat je nog in bed ligt?" Inmiddels was ik het stadium van verlegen provinciejongetje voorbij en zei tot hilariteit van het achterbalkon: "Ik dacht al, wat lig ik zacht."

Al met al was het een fijne tijd in Aloysius en mijn broer en ik waren dan ook helemaal niet blij toen mijn vader plotseling kwam en vertelde, dat hij voor de derde keer getrouwd was en dat wij weer thuis moesten komen. Wij gingen naar de Pijp. Maar dat wordt een ander verhaal.

De Pijp

In het vervolg op zijn jeugdjaren in de Jordaan schrijft Albert Ticheler vervolgens over zijn verhuizing naar de Pijp, en het leven daar.

Mijn vader was weer hertrouwd en zo moesten wij weer bij hem thuis wonen en wel in de Rustenburgerstraat. Ik kende dat deel van de Pijp wel, omdat ik naar de St. Jozefmulo ging in de Van Ostadestraat. Dit was weer een jongensschool, die geleid werd door broeders van een ander 'merk'. Een deel van het lerarenbestand bestond uit lekenleraren.

Lekenleraar
Voor boekhoudlessen hadden wij zo'n lekenleraar. De eerste klas van 1949/'50 bestond uit jongens van verschillende leeftijden en verschillende achtergronden. Ik was een van de jongsten. Er waren jongens bij die in de laatste oorlogsjaren meer op straat geleefd hadden en overal hout en voedsel hadden bemachtigd om te overleven. Zij hadden moeite met gezag, dus ook die van de leraren. Tijdens de boekhoudlessen werd de desbetreffende leraar getest en gepest. Er klonk voortdurend een gezoem in de klas en er werd ritmisch met de lessenaardeksels geklept. Als de leraar dan naar de hoek liep waar het geluid vandaan kwam, verstomde het daar en begon het in een andere hoek van de klas.
Ook waren er jongens die trekbommetjes onder de lessenaardeksels vastmaakten, zodat deze afgingen als de leraar de klep woedend opentrok. Dit veroorzaakte opnieuw gejoel in de klas.
De eerste leraar verdween na zes weken met ziekteverlof en werd opgevolgd door weer een lekenleraar die ook na zes weken verdween. De school had houten verdiepingsvloeren die helemaal uitgesleten waren en de noesten waren goed zichtbaar. Je kon goed horen wanneer er iemand aankwam. Het hoofd kwam vertellen dat er weer een nieuwe leraar voor boekhouden kwam en vertrouwde erop dat deze het langer vol zou houden. Inmiddels hadden wij op de gang een lange magere broeder zien staan met rood haar. Hij werd voordat we kennis met hem maakten al uitgemaakt voor 'lulletje rozenwater' of 'vuurtoren'.

Fransiscus
Ik zat vooraan in de klas en moest altijd de deur sluiten nadat een leraar de klas inkwam. Toen ik de broeder zag, die Franciscus heette, signaleerde ik de klas dat hij er aankwam. Nu heb je in zo'n situatie altijd een paar ogenblikken van stilte waarbij beide partijen elkaar opnemen.
Franciscus liep meteen achter zijn katheder, legde zijn paperassen erop en zei dat hij begrepen had dat het hier in deze klas een vrolijke boel was en dat hij ook wel openstond voor plezier. Hij stelde voor dat wij de les zouden beginnen met uitbundig lachen en dat hij in de tussentijd het gemaakte werk van andere klassen wel kon nakijken. Hij dacht dat wij wel een kwartier zouden lachen en legde daarom zijn horloge voor zich op het katheder. Hij wenste ons veel plezier en ging schriften nakijken. Iedereen was perplex. Enkele jongens hadden even een kleine lachstuip, maar voor de rest bleef het stil, terwijl Franciscus onverstoorbaar doorging met correcties. Na wat voor ons een eeuwigheid leek keek hij op zijn horloge en zei dat er een kwartier voorbij was en hij teleurgesteld was dat er geen grote vrolijkheid was geweest. Hij stelde dat het dan het beste was dat wij onze boeken tevoorschijn haalden en met de lessen begonnen. Immers, we waren drie maanden achteropgeraakt en zijn plan was dat wij allemaal met een voldoende voor boekhouden over zouden gaan. Wanneer wij echter vonden dat er weer een lachpauze ingelast moest worden, dan kon dat geregeld worden. Wij hebben aan het eind van het jaar allemaal een voldoende voor boekhouden gehaald.
De broeders hadden veelal bijnamen: Basilius heette Bacilletje, Aqaulinis heette A-kwadraat etc.

Volgende editie het vierde, tevens laatste deel.

Raadslid W.H. Vliegen vocht als een terriër voor het bos

Van Dirk Roos, Voorzitter VvE Vogeldorp, kregen we toestemming om in een aantal delen aandacht te besteden aan het ontstaan en de geschiedenis van Vogeldorp in Amsterdam-Noord, de wijk die recent in de spotlights stond door een documentaireserie over de armoede die hier heerst. Deze artikelen zijn afkomstig van www.vogeldorp.nl. Vandaag deel 3.

Voor de jeugd was de omgeving van Vogeldorp een heerlijke speelplaats. Aan het Vliegenbos en aan het Johan van Hasseltkanaal hebben oudere bewoners mooie herinneringen. Men zwom in het kanaal gewoon tussen het kolengruis door en niemand die zich daar zorgen over maakte. Dat kolengruis was afkomstig van schepen die gelost werden op het aan de 6e Vogelstraat gelegen terrein van de Steenkolen Handels Vereniging (S.H.V.).

Vliegenbos
Het Vliegenbos was een plek van avontuur. En voor de kleintjes was er vermaak in het gebouwtje van 'Ons Huis' aan de 6e Vogelstraat. Daar konden ze knutselen en er werd veel voorgelezen. Door de economische malaise hield de subsidie in 1934 op en daarmee ook de activiteiten. Om in de barre oorlogsjaren aan brandhout te komen is het gebouw in die tijd geheel gesloopt. In de vijftiger jaren hebben een aantal bewoners met eigen middelen en subsidie van Ketjen met vereende krachten een nieuw buurthuisje neergezet en een speeltuin aangelegd.
Het socialistische raadslid W.H. Vliegen heeft als een terriër voor dit bos gepleit, bedoeld om de recreatiemogelijkheden voor mensen uit de binnenstad te vergroten. Zijn eerste voorstel in de raad dateert van 1907 en dankzij zijn halsstarrige inzet gedurende jaren is het in 1915 dan toch daar!
Het is het eerste stadsbos van Nederland met een oppervlakte van 35 hectare. Daarnaast is er 4,5 hectare sportterreinen. "Een echt bosch, met het aanzien van een stuk vrije natuur", aldus Vliegen.
Na diens dood, in 1950, werd besloten het bos naar hem te vernoemen, hoewel het in de volksmond al niet anders bekend stond als het Vliegenbos.

De Tweede Wereldoorlog
Naast armoede en gebrek zorgde de Tweede Wereldoorlog ook voor spanning en avontuur. De kolenoverslag van de S.H.V. was in handen van de Duitsers en werd door hen bewaakt. Kolen waren natuurlijk begerenswaardige handelswaar. Behalve warmte voor jezelf was het een van de beste ruilartikelen. Met allerlei trucs wist een stel dorpelingen het zich wel toe te eigenen.
Vogeldorper Leen de Preijker, elf jaar toen de oorlog uitbrak, herinnert zich levendig hoe de meisjes wat gingen staan flirten met de bewakers, terwijl de jongens dan over de hekken klauterden en er met volle zakken vandaan kwamen. Meneer Eskes had een roeiboot, die in het Johan van Hasseltkanaal lag, 'georganiseerd'. Een andere vriend zorgde voor de ontbrekende roeispanen en samen voeren zij tot aan de overslagplaats om daar met sleepnetten de overboord gevallen kolen naar de kade toe te schuiven en ze van daar op te vissen.
In het barre winterjaar 1944, toen de Duitse bezetters geen enkele toevoer van brandstof en levensmiddelen meer toestonden, hebben bewoners alles wat brandbaar was opgestookt. Tot en met de voordeur aan toe. Na de oorlog waren de huizen dan ook in een zeer deplorabele staat. Daarom begon men al in 1950, vier jaar eerder dan de oorspronkelijke planning, aan een grondige renovatie. Uitstel zou het definitieve einde van Vogeldorp betekenen. Van afbreken wilde men niet weten, want de woningnood was nog steeds enorm groot.

Het Johan van Hasseltkanaal
Ter verbetering van de infrastructuur voor de aan water gebonden industrie begon men in 1908 met het graven van het zogenoemde Hoofdkanaal, dwars door AmsterdamNoord, met hierop haaks een aantal korte kanalen. De reeds gegraven oostzijde noemde men het Johan van Hasselkanaal-Oost en de eveneens uitgevoerde westkant (bij Disteldorp) het Johan van Hasseltkanaal-West.
De opbrengsten van de uitgifte van de terreinen zou de exploitatie hiervan sluitend moeten maken. Mede door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stagneerde de economie. Later ontstond het idee van de IJ-tunnel waardoor het plan onuitvoerbaar werd. Na de neergang van de scheepsbouw in de jaren tachtig, zoals de A.D.M. en de N.D.S.M., waren beide kanalen economisch niet meer van belang. Met behulp van subsidie van de toenmalige EEG ten gunste van een revitalisering van oude industrieterreinen, werden de beide kanalen gedempt teneinde er nieuwe bedrijvigheid te doen laten ontstaan. In 1989 begon men aan het gedeelte tot aan de 4e Vogelstraat en in 1997 aan het laatste gedeelte.

Nooddorp met beperkte levensduur?
Al vanaf de oplevering sprak de Stedelijke Woningdienst van semi-permanente woningen, uitgaande van een exploitatietermijn van 35 jaar. Alleen vanwege het feit dat het complex onder de noodwoningenwet tot stand was gekomen, maakte dat er in officiële stukken gesproken werd van een levensduur van 10 jaar.
In 1934 knapte men voor de eerste keer het dorp grondig op voor een termijn van 20 jaar. In 1946 schreef de heer Flipse, opvolger van A. Keppler, over deze renovatie het volgende: "Een ernstig onderzoek wees uit, dat, door nog aanwezige onderdelen van lichte constructie te vervangen door zulke van meer permanente aard met eenige algemeen herstellingen, zonder vrees voor moeilijkheden, zoowel uit een oogpunt van exploitatie als constructie, de levensduur kon worden verlengd tot 1954. Door deze verbeteringen hebben deze woningen het karakter van semie-permanent vrijwel geheel verloren."

Tweede renovatie
De tweede renovatie is door de deplorabele staat als gevolg van de oorlog al in 1950 ter hand genomen. In 1965, bij de derde renovatie, werd er een ander huisvestingsbeleid in gang gezet. Vanaf dat moment zouden er geen jonge gezinnen meer mogen wonen. Een geringere bewoningsintensiteit zou de staat van de huizen ten goede komen. Vandaar dat er op zeker moment sprake was van een 'bejaarden- en gehandicaptendorp'. Tijdens de renovatie in 1965 zijn ook de oorspronkelijke roederaampjes vervangen en de erkers op de daken vergroot. Daarnaast zijn er voor diegenen die dat wilden douches ingebouwd.
Rond de vierde renovatie, in 1985, gingen er stemmen op dat deze huizen niet meer van deze tijd waren en dat er een tekort op de exploitatie zou ontstaan. Niettemin was er een grote behoefte aan dit soort woningen, en in vergelijking met andere woningen viel de bouwtechnische staat alles mee. De woonduur werd echter niet meer gegarandeerd. Veel jonge mensen namen in die periode hun intrek.