De Amsterdamse Krant

14 mei 2016

De Amsterdamse Krant 14 mei 2016


'Merkwaardige mengeling van amateurisme en professionaliteit'

De Telegraaf pakte groot uit over de roof.

'De Slaapkamer van Vincent' was een van de schilderijen die in de nacht van 13 op 14 april 1991 - 25 jaar geleden alweer - werden gestolen uit het Van Gogh Museum. Twee uur later al werden de schilderijen teruggevonden en de daders kregen een gevangenisstraf. En op 20 mei 1988 ontdekten beveiligers om half vijf 's ochtends een ingetikt ruitje aan de zijkant van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een terugblik.

In de aanloop naar het Vincent van Goghjaar in 1990 waren er in Nederland drie inbraken in Nederland waarbij werken van Van Gogh werden gestolen. Op 20 mei 1988 ontdekten beveiligers een ingetikt ruitje aan de zijkant van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Aanvankelijk werd gedacht dat er verder niets aan de hand was. Pas een paar uur later werd ontdekt dat er drie werken uit de klassieke opstelling van het Stedelijk waren verdwenen: een Jongkind, een Cézanne en 'Anjelieren' (1887) van Vincent van Gogh. De dieven liepen tegen de lamp bij een pseudokoop en de schilderijen waren tien dagen later terug.

Ruit ingetikt
Ook in '88 was er een diefstal in het Kröller-Müller Museum in Otterlo en andermaal werd een ruit ingetikt, waarna de drie werken 'Weefgetouw met wever' (1884), een voorstudie van 'De aardappeleters' (1885) en 'Uitgebloeide zonnebloemen' (1887), samen goed voor een bedrag in guldens van negen cijfers, gestolen werden. De daders hadden geen plannen om hun gestolen waar door te verkopen. Ze hadden de Van Goghs ontvoerd en eisten van de Nederlandse staat een losgeld van vijf miljoen gulden.
Zowel de schilderijen als de 'kunstkidnappers' konden worden opgespoord en de dieven werden veroordeeld tot drieënhalf en vijf jaar cel.

Ook andere media, waaronder de Leeuwarder Courant, melden al het nieuws over de grootste kunstroof ooit in Nederland.

Grootste kunstroof
En dan komen we nu bij de diefstal waar we op duidden: in de nacht van 13 op 14 april 1991 bleek ook het Van Gogh Museum in Amsterdam doelwit te zijn geweest. De buit besloeg twintig Van Goghs met een waarde van meer dan een miljard gulden en was hiermee verreweg de grootste kunstroof ooit in Nederland.

Best beveiligd
Het Van Gogh Museum stond te boek als een van de best beveiligde musea in de wereld en meteen viel al de vreemde handelwijze van beveiligingsbedrijf VNV op. Zo was in de centrale het alarm uitgeschakeld en het duurde anderhalf uur voordat nadat de roof bekend was, de politie werd gebeld. Later bleek dat de daders hulp hadden gekregen van binnenuit.

Dertig rechercheurs
Een team van dertig rechercheurs werkt aan het onderzoek, waarin met name de rol van het particuliere beveiligingsbedrijf VNV centraal staat. Onder de gestolen werken bevonden zich bekende werken als 'De Slaapkamer van Vincent', 'De Zaaier' en de definitieve versie van 'De Aardappeleters'. De Amsterdamse politie omschreef de roof destijds als een 'merkwaardige mengeling van amateurisme en professionaliteit'. De afloop leek erop te wijzen dat er amateurs aan het werk waren geweest, maar, aldus politiewoordvoerder K. Wilting, "wie zo'n roof uitvoert, moet vrij precies geweten hebben hoe de situatie in het museum is".

Zware straffen
De buit werd na een paar uur teruggevonden in een gestolen auto die stond geparkeerd bij het Amstelstation. Drie werken waren flink beschadigd en de daders kregen zware straffen opgelegd: in hoger beroep kregen de vier dieven twee keer zes en twee keer zeven jaar.

Zie ook pagina 2.

Nieuwe raadplaten gezocht

We hebben nog een kleine voorraad raadplaten, maar de bodem van de schatkist komt in zicht. Dus als u nog een oude foto heeft van een leuke aansprekende straat in de stad waar onze lezers zich op kunnen stukbijten dan houden we ons van harte aanbevolen.

In elk geval hebben we voor deze editie weer een markante gevel gevonden. Op pagina 3 staat de foto wat groter afgedrukt. Uw inzendingen, liefst met anekdotes, kunt u weer mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Telegraafrellen

13 juni 1966 startte in Amsterdam de uitbetaling van vakantiebonnen van de bouwvakarbeiders. Tot grote woede van velen kregen niet-georganiseerde bouwvakkers een korting van 2 procent vanwege administratiekosten. De discussies hierover liepen zeer hoog op en leidden tot de zeer hevige zogenoemde Telegraafrellen, ook wel het bouwvakkersoproer genoemd.
Dat is dus 50 jaar geleden. Wij willen hier graag aandacht aan besteden en vragen aan u: wat weet u nog hiervan?
Uw reacties kunt u als vanouds mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

De nepwerkgroep 'Sloop het zooitje'

Peter Koghee voor zijn kapperszaak aan de Polanenstraat. Foto: Peter Koghee

door Peter Koghee

Op m'n 22e, in 1966, nam ik een kapsalon in de Polanenstraat over, recht tegenover de kruidenierswinkel van Tante Greet en een handel in vodden en oud papier. Via de eigenaar van het pand kreeg ik de halve voorwoning op de 1e verdieping in huur en ging daar met mijn aanstaande echtgenote wonen. 1967 trouwden we en juni 1969 werd onze dochter geboren. Weliswaar was de kapperszaak geen goudmijn, maar we konden er normaal van leven.

Kruis erdoor
Als een donderslag bij heldere hemel kwam dan ook het bericht in Het Parool dat de Spaarndammerbuurt nodig op de schop moest en stond er op de voorpagina een luchtfoto van de wijk met een kruis door de straat waar ik mijn zaak en woning had. Het gevolg was dat mijn omzet van de een op andere dag sterk achteruitliep, simpelweg omdat mijn klanten dachten dat het laatste uur voor de salon al geslagen had. Over het wel en wee daarvan heeft later nog een reportage van anderhalve pagina in het kerstnummer van 1971 in Vrij Nederland gestaan.

Aankondiging sanering/sluiting Lompenhandel Polanenstraat
Ook voor de andere bedrijven en bedrijfjes was de lol er vlot af; ook zij kwijnden langzaam weg en gaven zich over aan de naderende sanering. En voor dat u denkt 'o, maar daar stond een vergoeding van de gemeente tegenover', dan heeft u het mis.

Werkgroep
Omdat de buurt mij erg aan het hart ging stortte ik me samen met onder anderen Harry en Emmy van de sigarenwinkel in de Houtrijkstraat en vele anderen op de inspraak voor de herinrichting van de buurt. De vergaderingen in het Polanentheater werden door mij en mijn mede-insprekers druk bezocht en resulteerde in de oprichting van de werkgroep Spaarndammerplantsoen. Een werkgroep die zich bezighield met de herinrichting van genoemd plantsoen. Iets wat ook later daadwerkelijk van de grond is gekomen.

Een inspraakavond
Om de bewoners van de Spaarndammerbuurt meer en meer bij de inspraak en de renovatieplannen van de gemeente op de hoogte te brengen, werd op de hoek van de Spaarndammerstraat, daar waar de kerk had gestaan, een informatiemarkt neergezet waar eenieder die info over de renovatie kon vinden die hij/zij dacht nodig te hebben.

Nep
Als grap, ik verklap nu een geheim, hadden Harry (van de sigarenwinkel) en ik een paar dagen te voor aan de infomarkt een nepwerkgroep met de naam 'Sloop het Zooitje' opgericht en de buurt volgeplakt met posters met teksten als: 'Smallere straten, bredere stoep, meer ruimte voor de hondenpoep' en nog meer nonsens.

Dat we echter zo serieus genomen zouden worden door de heren politici, beleidsbepalers en consorten, nee, dat hadden we zelfs in onze stoutste dromen nooit gedacht. Het was zelfs zo dat op de info-markt er een aparte stand voor onze nepclub was gereserveerd. We hebben daar toen, in alle vroegte om niet te verraden wie er achter dat clubje zat, een toiletpot neergezet waar klachten voor Bouw- en Woningtoezicht in gedeponeerd konden worden.

Draadomroep

Begin 2014 stopten we met de rubriek 'Dit komt nooit meer terug'. We zijn erachter dat er nog genoeg valt te melden over dingen, beroepen en gebeurtenissen die nooit meer terugkomen. Vandaar dat we de rubriek voortzetten.

Radiodistributie. Ook wel draadomroep geheten. Ik herinner het me nog goed: die bruine radio van een soort kunststof (of was het bakeliet?), met een goudgekleurd metalen rooster waaruit de radio klonk. Bij ons hing de radio aan de muur, vlak bij de betoverende zwarte knop die zeker van bakeliet was, waarmee je de radio kon aan- en uitzetten en door een draai - een zware draai - een andere zender kon opzetten. Ik hoorde dat de luisteraar keus had uit Hilversum 1 en Hilversum 2 en uit twee buitenlandse zenders. Het zal, maar ik kan me dat niet meer herinneren. Die buitenlandse zenders hebben bij ons nooit op gestaan, want zowel mijn moeder als mijn vader sprak geen woord over de grens. Maar de radio stond wel vaak aan, met muziek en met radiospelletjes. Kan ik me Kees Schilperoort nog uit die tijd herinneren met 'Raden Maar'? Ik weet het niet. Dat kan ook van later zijn. Maar voor mij horen die twee bij elkaar.

Reeds verschenen
In de voorganger van deze rubriek verscheen in respectievelijke volgorde: de blauwe girobus, de brievenbus aan de tram, kruidenier P. de Gruyter, de vuilnisemmer met nummer, de verkeersagent, de telefooncel, de Afghaanse jas, de tv-antenne, de voddenman, dubbele remmen op de tram, de open tramwagen, rieten vloerbedekking, de ratelman, de schillenboer, bakkerskar en drollenprikker (deze in één aflevering), matten kloppen, de ponskaart, de postzegelautomaat, 'vleesch voor honden en katten', de brandmelder, de scharensliep, de spaarzegel, het licht- en gasmuntje, warmtekrulspelden, drankje Trio en aardappelschilcentrifuge (de laatste drie in één aflevering), de knijpkat, de looien draaier, ijsstaven, het badhuis, losse melk, de kattenbakcentrale, pruimtabak, de triotrack, de letterzetter, de bruggentrekker, de klaar-over en knipperbol, de marskramer, de dienstbode, de rekenliniaal en passerdoos (in één aflevering), de kruier, de filmrol, de pompbediende, de straatveger, de parlevinker, de tonnenmaker, de telex/telefax, de koetsier en de zuurkar. Recent is hier in de Amsterdamse Krant aan toegevoegd: de Lach, het cassettebandje, de floppydisk, de alpinopet, Dick Bos, het petroleumstel van Haller, speldjes om te sparen, het Winterboek, voetbalpoppetjes, het Joodje, kurk aan de wand en het pilopak.

Machtig Mooi Mokum: Zeg, met wie spreek ik eigenlijk?

Tegenwoordig loopt iedereen met een mobiel op zak. Maar 'in mijn tijd' bestond er alleen zo'n zwarte bakelieten telefoon met een loodzware hoorn en een snoer met stof aan de buitenkant. Op de Bloemgracht hadden wij nog geen telefoon en belden wij alleen bij hoge nood bij slager Numan op de hoek. De hele buurt maakte gebruik van die telefoon. Zo had hij veel klandizie en waren alle gesprekken bij iedereen bekend. Her en der stonden er in de stad ook openbare telefooncellen, maar of die ook in de Jordaan stonden kan ik mij niet herinneren. Wij verhuisden naar de Nicolaas Beetsstraat/hoek Kanaalstraat, waar mijn ouders een maatkledingzaak begonnen. Er kwam ook telefoon in huis: zo'n hangende, centraal in de gang. Automatisch kwamen de buren toen bij ons bellen. Tijdens mijn legendarische vakanties op Texel maakte ik een keer gebruik van een telefooncel om rechtstreeks naar huis te bellen. Wat later ontdekte ik dat er ook een hoop plezier te beleven viel in zo'n PTT-cel. Als iemand stond te bellen bonden wij met een paar jongens gauw een touw om de cel. Of deden we net of we stonden te bellen om zo een rij te laten ontstaan. Maar het leukste was toch wel om dan een willekeurig nummer te draaien. Als Sonneveldfan begon ik dan met een verdraaide stem een gesprekje. 'Dag mevrouw, is uw man ook thuis?' 'Nee. Hoezo?' 'Vanwege de kast die wij bij u moeten afleveren. Woont u in een benedenhuis of op drie hoog? Want anders moeten we touw en blok meenemen.' 'Heeft mijn man een kast besteld?!' 'Wat zeg u? Dus hij kan over de trap? En heb u een kat?' 'Nee, ik heb geen kat. Maar met wie spreek ik eigenlijk?' 'Dat komt goed uit mevrouwtje, want er kan geen muis meer tussen.' Het sloeg helemaal nergens op. Gegrinnik in de cel. 'Hallo! Met wie spreek ik, anders hang ik op, hoor.' 'U spreekt met…' En op mijn teken brulden we dan gezamenlijk: '…Pikkie, uw moordenaar!' (10/8)

'Ze hadden in deze buurt mooie kloppers'

In de Amsterdamse Krant publiceren we altijd de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland of die lezers hebben ingestuurd, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen.
De raadplaat in de vorige editie was van het Distelplein in Amsterdam-Noord. Wij kennen Disteldorp niet heel goed en blijkbaar werden veel lezers ook in verwarring gebracht, want er kwamen veel inzendingen binnen met als oplossing de Vogeltjesbuurt die ook in Noord is.

Knusse buurt
Om met een van die oplossingen over de Vogeltjesbuurt te beginnen: Charle de Vré schrijft: "De raadplaat van vrijdag 29 april moet haast wel genomen zijn in de Vogeltjesbuurt in Amsterdam-Noord aan de Meeuwenlaan, naast het Vliegenbos. Een knusse buurt waar altijd de zon lijkt te schijnen."

R.P. Dootjes laat het lekker in het midden. "Ik denk dat het Vogeldorp of Disteldorp is", schrijft hij of zij.

Dit is de Vogelbuurt anno nu.
De poortwoningen zijn karakteristiek voor Disteldorp.
De achterkant van Disteldorp aan het einde van de jaren twintig in de vorige eeuw.

Zondagse wandeltocht
Maar het is het Distelplein, de buurt waar Fred van Riemsdijk warme herinneringen aan bewaart. "Dat is een foto van het Distelplein in Amsterdam-Noord. Ik speelde daar wel eens als ik, op een zondagse wandeltocht (verplicht) naar tante Marie, een tante van mijn vader/de zuster van zijn moeder, moest lopen op de hoek van de Distelkade en de Distelkruisstraat."
"Ons gezin liep dan vanuit de Van Beuningenstraat in de Staatsliedenbuurt via de Haarlemmerdijk, Haarlemmerstraat naar de achterkant van het Centraal Station en daar met de pont het IJ over. Daar dan via de Van der Pekstraat naar het Disteldorp waar mijn ouders vroeger ook hadden gewoond. Ik kan mij herinneren dat er water was bij de Distelkade, daarna een voetbalveld en toen het Z.A.N. Nu een groot hotel."

Mooie kloppers
"Ook weet ik nog dat de deuren daar in de buurt mooie kloppers hadden. Een oom van mij moest eens voetballen op het voetbalveld daar en ik zat langs de lijn toen de bal er ineens aankwam. Ik rende er toen naar toe en schopte de bal naar mijn oom toe. Dat was achteraf niet de bedoeling, maar aangezien hij toch in de richting van de lijn rolde mocht hij hem toen toch ingooien.
Dat kon toen allemaal nog. Tegenwoordig zouden ze gelijk mijn hersens inslaan."

Het bootje van Boekel
"Soms gingen we met het bootje van Boekel, waarvan de steiger bij de Haarlemmerpoort was. Die heb ik zelf later nog gesloopt voor 1 gulden per uur (40 eurocent ). Dat was voor een kennis die de steiger had gekocht. Maar ja, dat was altijd tweemaal zo veel als dat ik bij Werkspoor verdiende (51 cent oftewel 23 eurocent p/u ). Je ging dan met het bootje over het IJ langs de scheepswerf aan de overkant en kwam dan bij de steiger aan in Disteldorp. Ook een hele belevenis voor kinderen."

Snackbar
Joop Groot heeft het bij het rechte eind: "Dit is het Distelplein in Amsterdam-Noord. Ik was 15 jaar toen ik ging varen bij de maatschappij Nederland. Ik was meestal 9 maanden weg en mijn moeder woonde nog op het Javaplein in Oost. Toen ik 18 was kreeg ik bericht aan boord dat mijn moeder verhuisd was naar de Distelweg 41 1 hoog, tegenover het Distelplein. Wat ik extra leuk vond, is dat er ook een snackbar op het Distelplein was. Deze was van ene Jacob en wat bleek: dat was een zoon van een buurman uit de Ben Koelenstraat in Oost waar ik geboren ben. Zijn achternaam ben ik kwijt."

Poortwoningen
Gerard Jansen schrijft het volgende: "De raadplaat in de uitgave van 29 april is volgens mij Disteldorp in Amsterdam_Noord. De foto is genomen vanaf de Distelweg en we zien hier het Distelplein. Kenmerkend voor de tuindorpen in Noord zijn de poortwoningen die ook aan de rechterzijde op de foto te zien zijn."

Noodwoningen
"Het Disteldorp is gebouwd in 1917/18, ze zijn gebouwd als noodwoningen voor een periode van 30/35 jaar. De woningen staan niet op palen, maar op een betonnen plaat. Eind jaren 90 is er sprake geweest om dit dorp te slopen voor nieuwbouw want er was groot achterstallig onderhoud. De bewoners hebben zich tegen de sloop verzet met als resultaat dat er begin 2000 een grote renovatie heeft plaatsgevonden en zo veel mogelijk is alles in de oorspronkelijke staat hersteld. Het dorp valt nu onder Monumentenzorg."

Tuindorpjes
Sander van de Wouw weet het ook: "Het Distelplein staat voor mij symbool van hoe Amsterdam-Noord er in de jaren 20 met zijn tuindorpjes ooit uitzag. Met zijn heerlijke kleine straatjes en pleintjes en gelijkgestemde bewoners. Laatst moest ik er weer eens zijn met de auto, dan merk je toch echt wel dat het niet meer van deze tijd is. Maar het gaf me wel een gevoel van weemoed en ik denk dat iedere échte Noordeling het wel zou herkennen. Gelukkig bestaat het nog en hopelijk overleeft het de naderende overdreven nieuwbouwexpansie in Noord."

Bijzonder buurtje
En dan hebben we natuurlijk nog onze trouwe inzenders tegoed. De Mollen en de Koningen schrijven: "De poort op de raadplaat gaf inderdaad de beste aanwijzing. "Dat moet ergens in Noord zijn", dachten de Mollen en de Koningen. De lage huisjes waren typisch voor Vogeldorp of Disteldorp. Dus na even zoeken in de Beeldbank van het Stadsarchief zagen ze het, het is Disteldorp. Een bijzonder buurtje met een echt dorps karakter. Jammer dat er geen dorpswinkels meer zijn, zoals kruidenier de Vana (W. van Amerongen. G. A. ZN) te zien op de foto."

Met de rug naar de Distelweg
En Gielijn Escher noteert: "Voor een Noorderling niet moeilijk: we zijn in Disteldorp en staan met de rug naar de Distelweg en kijken via het Distelplein richting Korte Distelstraat."

Karakteristieke poortjes
We sluiten deze ronde af met Anneke Huijser, die schrijft: "Hoewel ik de buurt zelf niet ken, lijkt dit mij het Vogeldorp in Noord. Ik denk dat de foto genomen is op het Vogelplantsoen en kijkt naar de Vierde Vogelstraat met een van de karakteristieke poortjes", schrijft ze.

Op Wikipedia lezen we tot slot het volgende over Disteldorp: De Amsterdamse buurt Disteldorp ligt in stadsdeel Amsterdam-Noord in de Nederlandse provincie Noord-Holland. Tot de eerste volkswoningbouw behoorde in 1918 een wijkje met noodwoningen ten noorden van de Distelweg. Met allerlei Distel-straatnamen zoals Lange Distelstraat en Distelkade werd dit al snel Disteldorp genoemd.

Gemeentelijke woningbouw
Vanwege de grote woningnood in Amsterdam, die nog extra steeg door de komst van Belgische vluchtelingen als gevolg van het geweld van de Eerste Wereldoorlog, zijn in korte tijd Disteldorp en tweeling Vogeldorp gebouwd in 1918 en 1919. De huizen zijn gebouwd op basis van de Woningnoodwet uit 1917 voor een gebruik van 35 jaar. De gemeente Amsterdam nam de bouw en de exploitatie in eigen beheer via de Gemeentelijke Woningdienst Amsterdam onder directeur Arie Keppler, vooral om snel te kunnen bouwen en de huur laag te houden.

Nieuwe raadplaat

Dit is niet de mooiste gevel in Amsterdam, daar kunnen we kort over zijn. Maar markant is deze gladde wand zeker en we zijn dan ook benieuwd naar alle inzendingen die hier op komen.

Uw inzendingen kunt u weer mailen (en niet op de reageerknoop op deze pagina plaatsen) naar info@amsterdamsekrant.nl.

Hofjes in de Anjeliersstraat

30

Een glasnegatief (8 oktober 1931) van Nico Swaager (1910-1983) van het Anjeliershofje.

door Adrie de Koning, Jos en Frits Mol

De Anjeliersstraat is niet de mooiste straat in de Jordaan. Er is veel gesloopt en vervangen door niet al te fraaie nieuwbouw. Maar dat is een kwestie van smaak. Toch zijn er in deze straat vele hofjes geweest, te weten:

  • het Bijbelhofje op nummer 39-55
  • het Trompetterhofje op nummer 93-95
  • het Van Beeckhofje op nummer 104-112
  • het Hofje Teding van Berkhout op nummer 118-124
  • het Nieuwenhuizenhofje op nummer 121-127
  • het Anjeliershofje op nummer 138-140

Maar het zijn hofjes waar niet heel veel over bekend is. Veel waren oorspronkelijk gangen waar bepaalde ambachtslieden in waren gevestigd en die later hofjes werden. Toch zullen we per hofje enige wetenswaardigheden vermelden, waarbij het artikel 'Jordaan, koninkrijk der sloppen' van theobakker.net een zeer nuttige informatiebron is geweest.
Tussen de Anjeliersstraat en de Westerstraat zijn ook nog woningen gebouwd die via beide straten bereikbaar zijn. Ook dit werd een hof genoemd, namelijk het Concordiahof.

Een glasnegatief (juli 1931) van Nico Swaager (1910-1983) van het Hofje Teding van Berkhout.

Ligging
De Anjeliersstraat loopt van de Prinsengracht naar de Lijnbaansgracht, evenwijdig aan de Westerstraat.

Bijbelhofje
Dit hofje bestaat niet meer. Het is omstreeks 1920 verdwenen. Het is waarschijnlijk in de 18e eeuw tot stand gekomen, want er bestaat een tekening uit 1797 van H.P. Schouten met een afbeelding van het hofje. Dit hofje lag aan een gang die liep naar de Tuinstraat.

Trompetterhofje
Dit hofje stond tussen de Anjeliersstraat en de Tuinstraat en was bereikbaar via een laag gangetje. Het is in 1627 gesticht en was bestemd voor weduwen die lid waren van de Waalse Gemeente. Er waren acht woninkjes, verdeeld over twee panden met beneden- en bovenwoningen.

Van Beeckhofje
Dit hofje lag aan de Schuiermakersgang. Het werd gesticht door Pieter Pietersz. van Beeck bij testament van 1734. Het hofje werd kort voor de Tweede Wereldoorlog door de gemeente Amsterdam gekocht van het Fonds Heemskerck (zie hierna). Vervolgens is het hofje gesloopt.

Hofje Teding van Berkhout
Dit hofje lag aan de Stoppersgang. Het dankt zijn naam aan de uit Delft afkomstige notabeel Jan Teding van Berkhout die in 1786 beheerder werd van het hofje. Hij was een nazaat van Aletta van Heemskerck die samen met haar zuster Hillegonda in het midden van de 18e eeuw het Fonds Heemskerck stichtte. Beide zusters bezaten een huis aan de Stoppersgang en brachten dit in het fonds in. De huisjes werden bewoond door arme, godvruchtige gereformeerde vrouwen.
De huisjes werden gelijktijdig met het Van Beeckhofje door de gemeente opgekocht en gesloopt.

Nieuwenhuizenhofje
Dit werd ook de Bezemmakersgang genoemd. Het bestond uit een huis met vier achterhuizen.

Anjeliershofje
Het hofje bestond uit vier achterhuisjes die via een gang vanuit de Anjeliersstraat bereikbaar waren. Overigens is tegenwoordig op de nummers 39-59 een vereniging van eigenaren gevestigd die ook de naam Anjeliershofje gebruikt.

Concordia
Via de Anjeliersstraat is het eind 19e eeuw gebouwde complex met arbeiderswoningen Concordia te bereiken, maar ook vanuit de Westerstraat is er een doorgang naar de nummers 353 t/m 381. Het is niet toegankelijk voor onbevoegden. Maar als u zich bevoegd voelt, is aan het eind van de doorgang wel een lantaarnpaal te zien die is aangebracht op een oude steen met de stichtelijke tekst:
DE VREEZE
DES
HEEREN
IS EEN
SPRINGBRON
DES
LEVENS

Het is wel opvallend dat deze tekst aan de 'chique' kant van de Westerstraat stond en niet aan de kant van de Anjeliersstraat!
De volgende keer zullen we de hofjes in de Elandsstraat bespreken, voor zover er iets over bekend is.

Harry

Op een broeierige dag in de zomer van 1992 scheur ik met mijn busje over de Plantage Middenlaan. Achterin zit agent Thomas, mijn collega van politiebureau IJburg. Naast hem zit Harry. De stank in mijn auto is bijna ondragelijk. Een mengeling van poep, urine en verrotting dringt mijn neusgaten binnen. Wat heb ik me in vredesnaam op de hals gehaald?

Via mijn achteruitkijkspiegel houd ik de mannen nauwlettend in de gaten. Thomas heeft een arm losjes en ongemakkelijk om Harry's schouder geslagen, zijn andere arm houdt hij voor zijn mond. Hij ziet spierwit en kijkt strak voor zich uit. Harry wiegt zachtjes heen en weer en neuriet een monotoon deuntje. We zijn op weg van de Jodenbreestraat naar de ontsmettingsdienst van de GGD aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam-Oost.
Nog geen vijf minuten geleden hebben we Harry voor de boekwinkel van zijn broer Wim opgepikt. Daar was hij plotseling opgedoken. Totaal verwaarloosd en letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Wim had zijn broer jaren niet gezien. Hij wilde Harry helpen, maar wist niet hoe. Dat begreep ik wel. Harry was niet aanspreekbaar en zag er verschrikkelijk uit. Ik schatte hem op een jaar of veertig, maar dat bleef een gok omdat zijn tengere gezicht verweerd was en onder de korsten zat. Zijn gescheurde en versleten kleren waren botervet en ranzig. Hij was erg mager en had piekerig, ongewassen haar. Het was niet te zien of hij schoenen droeg of niet. Maar het ergste van alles was de poep die uit de pijpen van zijn spijkerbroek sijpelde.

Ik vond de situatie mensonwaardig en wilde Wim graag helpen. Ik had de rijdende psychiater kunnen bellen of een ambulance, maar ik verwierp beide mogelijkheden. Te veel rompslomp. Harry moest eerst schoon. Dat kon ik zelf wel regelen. Ik belde mijn collega's van de ontsmettingsdienst met instructies.

Na een tocht die eindeloos lijkt te duren parkeer ik mijn busje pal voor de gietijzeren deur van het gebouw. We stappen uit en lopen snel naar binnen, Harry stevig tussen ons ingeklemd.
In de vier badkamers die het complex telt lijkt het of de tijd heeft stilgestaan. Het zijn bedompte ruimtes zonder buitenlicht, met gele wandtegels, een rode vloer, tl-buizen en ingemetselde emaille baden. In iedere badcel staat een plastic stoel. In de hoek een wastafel met spiegel. Er liggen scheermessen, nagelschaartjes, kappersbenodigdheden, handdoeken, zeep en shampoo (10/6).

Wordt in de volgende editie vervolgd

De handel en wandel van Louis Putman

Foto: Vimeo

door Antje Postma

De handel en wandel en wandel van Louis Putman. De schrijfster Antje Postma is de dochter van antiquaar Geert Postma in Het Huis op de Drie Grachten tegenover de Oudemanhuispoort. Aan het woord is Louis Putman, antiquaar en verzamelaar van drukwerk in de ruimste zin, op het Rusland.

Mijn moeder zei al tegen me: "Jij verleest je verstand." Ze overleed in 1930, ik was toen zeven jaar. We hadden een kruidenierswinkel in wat toen Papendorp heette, het gebied rond de oude RAI. Mijn ouders trouwden in 1922 en ik ben van 1923. Omdat de kerk verbouwd werd, ben ik gedoopt in de paardenstal op de Ceintuurbaan.

Souvenirwinkeltje
Op het raam staat in een ronde boog 't Klompenhuisje', dat herinnert aan het souvenirwinkeltje in vroeger tijden. Achter de ruit staat een rijtje National Geographics en aan een lijntje met wasknijpers hangen een paar foto's. Binnen ontkom je niet aan de lucht van oud papier gemengd met fijn stof en is er nauwelijks plaats voor meer dan een of twee personen tegelijk.
Louis Putman is een onopvallende verschijning met de uitstraling van een stoffige grijze muis, zoals wel meer mensen in dit vak. Tevens is hij boodschapper van het goede nieuws binnen de grachtengordel en het centrum van Amsterdam. Op de fiets, gehuld in een regenjas met vilten hoed, zie je hem regelmatig op zijn ronde langs bevriende antiquaren zoals Brinkman, Schuhmacher of Postma. Zijn bruine pretoogjes verraden een alerte en pientere geest. Altijd goed geïnformeerd is hij op zoek naar wat hem en zijn klanten interesseert.

Liftboy
Ik vraag hoe hij ooit in dit vak terecht is gekomen. "Begonnen als liftboy bij de firma Woltering in 1938 wilde ik eigenlijk bloemist worden. In de oorlog werkte ik bij pachters in de Wieringermeer op het land in '42. Daarna bij bloemist Jan Kruit, waar ik 's nachts in het verwarmingshok sliep. Aan het eind van de oorlog staken de Duitsers uit wraak de dijken door van de Wieringermeerpolder zodat die onder water kwam te staan. Te voet liep ik naar Amsterdam. Ik herinner me grote hoeveelheden anti-Duitse boeken die in de Amstel dreven, weggegooid uit angst voor de Duitsers. Vervolgens hielp ik met het verspreiden van mest op het land aan de Noorder Akerweg, waarna een carrière volgt als administratief medewerker en afdelingschef in het verzekeringswezen bij de Ned Lloyd."

Pamfletten
"Na de oorlog raakte ik steeds meer geïnteresseerd in politiek en kwam al gauw in aanraking met pamfletten, brochures en ander studiemateriaal dat ik op rommelmarkten zoals het Waterlooplein en de Oudemanhuispoort vond. In 1953 zocht Max Schuhmacher een medewerker. Dit antiquariaat was toen nog op de Nieuwe Keizersgracht gevestigd en verhuisde later naar de Geldersekade. Dit was het begin van mijn carrière als tweedehands boekverkoper. Tot 1969 werkte ik bij Max en Wilma Schuhmacher, waarna ik in 1970 voor mezelf begon op de Prinsengracht 234 schuin tegenover het Pulitzerhotel. In de zomer stonden er bakken buiten met pockets en een standaard met oude prentbriefkaarten."

Van alles
Op de vraag wat zijn specialiteit is antwoordt Louis: "Het kan van alles zijn. Behalve mijn eigen collectie verzamel ik voor verzamelaars. Ik heb een groot aantal vaste klanten. Ik weet waarin ze geïnteresseerd zijn. Voor het Gemeentearchief zoek ik naar reclamemateriaal, bonnetjes, toegangsbewijzen uit het verleden, noem maar op. Items die niet direct voor de hand liggen zoals kwitanties van textielboeren in de vroegere jodenbuurt rond het voormalige Maupoleum en die je maar net tegen moet komen. Dito voor de KB, Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Vooral het onofficiële materiaal dat niet voor het opscheppen ligt, daarin zijn ze geïnteresseerd. Het officiële drukwerk krijgen ze toch wel, maar juist hetgeen in de marge gebeurt daar komen ze niet direct mee in aanraking."

Grote collectie
"Daarnaast heb ik een grote collectie, uiteenlopend van prentbriefkaarten, affiches, sigarenbandjes, boekenleggers, kinderboeken, pockets uit de oorlog, fondsen van foute uitgevers, tot boeken met straatliedjes, over kunst, topografie, judaica, architectuur, mystiek enz. enz." Behalve voor klanten verzamelt Putman veel dat hem zelf interesseert. Door de jaren heen heb ik zo veel materiaal verzameld in bibliotheken en archieven dat dat vroeg om publicatie.

Uitgelezen boeken
Een uitvloeisel daarvan is het blad 'Uitgelezen Boeken', met als ondertitel 'Katern voor boekverkopers & boekenkopers'. Ooit een jongensdroom van Louis Putman en Jan de Jong, inmiddels gerenommeerd drukker van uitgeverij De Buitenkant, waarmee meteen duidelijk wordt hoever Putman's bibliofiele kennis en bevlogenheid reikt omtrent vaak omstreden figuren zoals Meindert Boogaerdt, zoon van een houthandelaar uit Krimpen aan de Lek, begin vorige eeuw en uitgever van aantal bijzondere literaire boeken met speciale banden in 1904. Zijn uitgeverij bestond slechts acht jaar. In totaal gaat het om 125 titels. Putman mist nog enkele banden. Een van de nummers van 'Uitgelezen Boeken' is aan hem gewijd. Een ander nummer gaat over Alie Smeding, die begin vorige eeuw met haar boek 'De Zondaar' voor een flinke rel zorgde binnen het literaire wereldje uit die tijd.

Wilhelmina Drukker
Over een aantal vooruitstrevende dames begin vorige eeuw raakt hij niet uitgepraat, zoals b.v. Wilhelmina Drukker, een onecht kind van een joodse effectenhandelaar en een kostuumnaaister, die het boek 'Sjor David' schreef en in 1887 in eigen beheer uitgaf. En Cornelie Noordwal, zij schreef over het leven van een winkelmeisje en over de vrije liefde. Ook scheen zij al in een vroeg stadium contact gehad te hebben met Elsschot.
Putman raakt niet uitgepraat en de details vliegen me om de oren alsof ik al deze kennis in één keer in mijn bovenkamer kan opslaan.

Geen grenzen
Het is duidelijk dat zijn bibliofiele kennis en nieuwsgierigheid geen grenzen kent. Dat typeert hem als antiquaar en verzamelaar als geen ander. Een uitstervend ras in het tijdperk van de computer en de cd-rom, waarin niemand meer geduld en tijd kan opbrengen voor het echte speurwerk. Kennis waarvan anderen gebruik kunnen maken en die aanzet tot lezen.
Velen die hem kennen, kunnen daarvan getuigen. Zie 'Uitgelezen Boeken', jaargang 4 nummer 1 gewijd aan zijn 65ste verjaardag, waarin Cees Aarts getuigt hoe hij Putman haatte door de niet-aflatende stroom informatie die hij bleef aandragen tijdens het schrijven van een artikel over de geschiedenis van de Salamanderpocket in opdracht van Querido. Zo moest hij keer op keer feiten die hij voor waar had aangenomen opnieuw herzien.
Allerlei onderwerpen komen in Uitgelezen Boeken aan bod. Zo is er een nummer over boekenleggers en de geschiedenis van de prentbriefkaart, over Indische literatuur. Uitgelezen Boeken komt onregelmatig uit en is voorzien van bijlagen die met het onderwerp te maken hebben.

Citaat
Citaat van Joop van den Berg typeert Louis ten voeten uit.
"Hoe zou men de uiterst bescheiden Louis Putman nu moeten eren in een land dat juist weggooit waar hij zo belust op is – de produkten van de mindere goden, de schuchteren, die niet aan de weg timmeren en de publiciteit aan hun laars lappen? Ik zou het niet weten. Ik zou hooguit kunnen voorstellen van de eigen naam Putman een werkwoord te maken. "Ik heb geputmand, jij hebt geputmand, wij hebben geputmand… En dat zou dan moeten staan voor met niets ontziende ijver en vasthoudendheid datgene boven de rooilijn brengen, wat anderen er zo graag onderstoppen. Want daar hebben we toch (nog) geen woord voor.
Het moet toch kunnen dat binnen een x aantal jaren een student zal zeggen: Ach, na drie jaar stug putmannen heb ik nu materiaal genoeg voor een lijvige scriptie!"

Nieuwmarkt
Als collega van mijn vader, hoe kan het ook anders, ook antiquaar, hoor ik door de jaren heen op gezette tijden de naam Putman vallen. Ik besloot het beeld dat ik inmiddels van hem had wat meer uit te diepen en nader met hem kennis te maken om zo meer aan de weet te komen over zijn handel en wandel.
Of het nu de bewonersraad van de Nieuwmarkt betreft waar hij het krantje van rondbrengt of het vieren van zijn verjaardag op 17 september (op de dag van de 'Battle of Anne', zoals meldt hij), met 's ochtends koffie in het SAS-hotel en 's avonds een diner in de Flesseman voor intimi in het vak (Putman is voor die gelegenheid in vol ornaat, keurig in het pak met vlinderdas en hoed). Alles wat door Louis Putman wordt aangepakt, gebeurt met een buitensporige verve waar je alleen maar versteld van kan staan.

Louis Putman overleed op 21 augustus 2013, een maand voordat hij 90 zou worden.

Meeuwenlaan werd afgesloten met trucks

De Meeuwenlaan aan het begin van de vorige eeuw.

In de nazit kwamen er nog een paar artikelen binnen over de Tweede Wereldoorlog. Op deze pagina staan er twee.

door Henk Weg

Op de Meeuwenlaan in Amsterdam Noord werd ik in de ochtend van 10 mei 1940 om circa 7 uur wakker van de drukte in mijn en mijn broers slaapkamer door de aanwezige familie, vader, moeder, Jo en Ria Weg en een inwonende dame Annie Udo. We keken in de richting van Schellingwoude waar een watervliegtuig basis was van de Nederlandse luchtmacht die gebombardeerd werd door Duitse vliegtuigen en duidelijk hoorbaar was. Een paar weken daarvoor was er nog een Duitse generaal op vriendschappelijk bezoek geweest! De gluiperd!! De toenmalige regering dorst toen het bezoek niet af te zeggen daar het opgevat zou worden als een vijandige daad.

Bij bombardementen op Noord zijn grote verwoestingen aangericht, zoals hier in de Van der Pekbuurt.

Spionageboef
En zo kon de spionageboef alles doorgeven wat hij gezien en gefotografeerd had. Ook Schiphol en andere vliegvelden kregen ervan langs, zodat er van de weinige vliegtuigen niet veel overbleef.

Boemeltje van Purmerend
Als je voor ons huis Meeuwenlaan 116 overstak, moest je eerst een trambaan over van het 'Boemeltje van Purmerend' en dan kwam je op een stuk grasland van rond de vier meter waarin in 1939 door de oorlogsdreiging een houten schuilkelder werd gebouwd. Dat was een houten boogvormig chalet en daarover lange planken gespijkerd en een meter aarde en zand zodat je bij een luchtaanval gevrijwaard was (in theorie) voor bomscherven. Alleen bij uiterste nood dook je erin! Het stonk er namelijk.

Van Gend & Loos
In de oorlogsdagen kwamen er enige vrachtauto's beneden voor de deur om bij de garagehouder (onze buurman) te tanken. De vrachtauto's waren gevuld met kostbare schilderijen uit het Rijksmuseum en werden voor de grijpgrage vingers van de moffen in veiligheid gebracht. Na 1945 waren ze weer terug.
Maar even terug naar het begin van de oorlog. De Meeuwenlaan was met honderden vrachtauto's van onder andere van Gend & Loos volgezet om de Duitse opmars (naar waar?? Amsterdam was toch het einde van de wereld?). Tijdens de meidagen was er geen eten voor de soldaten die her en der in de bosjes lagen om de vijand tegen te houden zodat de burgerij ze maar eten gaf of uitnodigde aan tafel. Er werden alleen kisten met sinaasappelen aangevoerd, meer was er niet op dat moment.

Schuilkelder
Na twee bombardementen op Amsterdam-Noord vanwege de Fokker vliegtuigenfabriek die daar was gevestigd, kwam er nog een derde bombardement, maar toen woonden wij niet meer op de Meeuwenlaan, maar op de Sneeuwbalstaat 5 in Noord. Maar wij waren toen afwezig. Bij het derde bombardement kreeg de schuilkelder tegenover ons voormalig woonadres een voltreffer en onze apotheek en de Fazantenweg werden zwaar getroffen.

Brood
Op een dag kon ik in de Sneeuwbalstraat het halve brood waar wij met ons gezin een week van leefden ophalen. Ik zette de ramen open, want van frisse lucht is nog nooit iemand dood gegaan! Ik zat net te lebberen van mijn bakkie thee, gaat het luchtalarm af. Ik naar boven, want ik hoorde het afweergeschut op de Engelse of Amerikaanse vliegtuigen vuren en werd er gebombardeerd. Op een gegeven moment rende ik de trap af naar de voordeur en keek door de brievenbus of het op straat veilig was. Nou, mooi niet! Er kwam een op hol geslagen paard de straat in rennen en de kappersetalageruit aan de overkant sprong door de luchtdruk van de bommen uit elkaar. Dus weer een puinhoop. Alles dichtgedaan en met het halve broodje pleite gegaan.

Capitulatie
Toen de geruchten over een op handen zijnde capitulatie de ronde deden, liepen de mensen en militairen te janken op straat. Ik vernam het nieuws toen ik naar een enorme brand was gegaan (in mijn uppie stond ik daar moederziel alleen!), die bij de Shell in de olietanksopslagplaatsen. Deze waren in brand gezet door Engelse commando's opdat de olievoorraden niet in Duitse handen zouden vallen. Toen ik over de Willemsluizen (einde Meeuwenlaan) terugfietste en er een schip in de sluizen lag, deelde de schipper mij mee dat er gecapituleerd was.

De schildwacht zag in mij zijn eigen zoontje

door Wim de Jong
Een van de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog is mij nog steeds bijgebleven en komt met regelmaat terug.
Indertijd woonde ik beurtelings op de Nieuwe Herengracht dan wel op de Hoogte Kadijk. Een en ander had te maken met het feit of en waar op dat moment iets te eten was en of er iets van warmte te vinden was .Ter verduidelijking: mijn grootouders woonden op de Nieuwe Herengracht en al naar gelang de toestand woonden wij daar af en toe bij in.

Ik praat hier over de hongerwinter 1944-1945. Ik was 5 jaar en had zoals velen 24 uur per etmaal honger. Indertijd moest ik op weg naar school altijd de z.g. Kattenburgerbrug over. Die verbond het Kadijkplein met het Kattenburgerplein. De Nieuwe Vaart was toen ook continu bevroren en alleen al die brug over te moeten in de snerpende kou was bepaald geen pretje.
Het huidige Scheepvaartmuseum maakte toen deel uit van het marinecomplex Kattenburg en was bezet door de Duitsers. Een soort noodbrug verbond de vaste wal van het plein naar wat toen nog heette het Kruidhuis, het huidige gebouw van het Scheepvaartmuseum, Op die noodbrug stond naast de rol prikkeldraadversperring altijd een schildwacht op post, geweer over de schouder, stahlhelm op en nors kijkend.

Op een dag werd ik door deze schildwacht aangesproken. Ik verstijfde van angst. Wist hij dat ik soms af en toe in spertijd met mijn vader krantjes rondbracht??? Maar dat kon hij nooit weten toch?

Nee, uit zijn jas of binnenzak haalde hij een homp brood (kuche) tevoorschijn!!! Kennelijk zag hij in mij (bedacht ik me pas veel later) zijn eigen zoontje??? Een heel bijzondere ervaring, want moffen waren toch beesten???
Dit is maar een van de vele voorvallen uit die nare, ellendige tijd. Het weghalen en afvoeren van joden zag ik op het Meijerplein, als jochie, hoe die stumpers de vrachtwagens in geschopt werden. Kortom, niet de fijnste jeugdherinneringen.

'Ze sprong rechtstandig het water van de Oudezijds in'

De Oudezijds Voorburgwal.

door Piet Middelkoop

De politie-opleiding in 1977 was een opleiding waarbij je alle vakken in één jaar moest doen. Buiten de 'gewone vakken' waren ook zelfverdediging, zwemmend redden, (of was het nu reddend zwemmen?) en EHBO inclusief Reanimatie (zie testimonail: Hartverzakking) van de partij. Zwemmend redden werd geleerd in de opblaasballon bij het Sloterplaszwembad. Er werd je o.a. geleerd om gekleed te water te gaan, vervolgens een pop op te duiken, en met deze pop naar de kant te zwemmen. Ook werd geoefend met de reddingklos, een rond oranje apparaat met daarin opgerold een lang stuk reddingslijn, zie het maar als een grote jojo. Als er iemand te water was geraakt dan moest je deze klos met één armbeweging over degene die in het water lag heen gooien. De bedoeling was dan dat de drenkeling de reddingslijn vastpakte en dat je hem of haar zo naar de kant kon trekken. De zwemleraar vertelde ons elke keer dat als er iemand in het water lag of viel, dat je dan als eerste krachtig moest roepen: "Zwem!" Hij vertelde daar ook altijd bij dat je niet zomaar verdrinkt en dat een drenkeling vreselijk schrikt als hij in het water valt. "Door 'Zwem!' te roepen zal je zien dat de drenkeling gaat zwemmen", was zijn stokpaardje.

Oudezijds
Tijdens de hete zomer van 1979 liepen mijn maatje en ik op de Oudezijds Voorburgwal ter hoogte van Ons lieve heer op Solder. De wallekant bij de Oudezijds is op de plek vlak bij de brug behoorlijk hoog ten opzichte van het water.
Terwijl wij daar liepen kwam een voor ons bekend heroïnehoertje naar ons toe rennen. Met hese en schorre stem riep zij: "Jullie moeten mij helpen, ik ben belazerd voor een meier." Ze zwaaide hierbij heftig met het biljet van honderd gulden in het rond. "Het is een vals briefje, kijk maar." Ze bleef maar met dit briefje zwaaien. "Van wie heb je het gekregen, is die vent er nog?"
"Nee, het is gisteren waarschijnlijk gebeurd. Ik kom er net achter", schreeuwde zij ons toe. Nadat ik haar verteld had dat ik nu niets voor haar kon doen en dat ze naar het bureau moest gaan voor het doen van aangifte, riep zij weer luid: "Zo, dus jij kan mij niet helpen!" De blik in haar ogen werd al wilder en wilder
"Zo, dus jij kan mij niet helpen..., dan spring ik het water in, dan moet je mij toch helpen!"

Zwem!!
En voordat ik met mijn ogen kon knipperen, sprong ze rechtstandig het water van de Oudezijds in. Een grote plons bracht mij ook weer een beetje bij mijn positieven. Als in een reactie riep ik haar toe: "Zwem!" en tot mijn verbazing hield zij op met krijsen en begon ze zowaar een baantje te trekken. De omstanders moesten er eigenlijk wel om lachen. Wat wil je ook, snikheet weer, een warme zomerdag en dan 'lekker' zwemmen in het water van de Oudezijds...
Maar ja, ze moest toch wel het water uit... ik keek mijn collega eens aan, mijn collega keek mij eens aan en geen van ons beiden maakte aanstalten om het water in te springen, en een reddingklos ligt alleen maar in de pitauto. Bij het Leger des Heils hebben we toen een keukentrap geleend en deze trap lieten wij vanaf de wallekant het water in zakken. Onze zwemkampioene wisselslag kon op deze manier op waardige wijze, onder luid applaus, het water verlaten.
Wij hebben haar wel mee naar het bureau genomen en haar daar van een warme douche laten genieten.

Tanden laten zien

door Frans Raap

Berto was een leerling-rechercheur, die altijd in Amsterdam-Noord had gewerkt. Hij was pas geplaatst bij de recherchedienst van het bureau Warmoesstraat.
Ik schat dat het ongeveer in 1976 of 1977 is geweest, toen hij vanaf het CS via de Prins Hendrikkade op weg was naar de Warmoesstaat. Hij stuitte op een Surinamer die op de stoep fietste. Berto meende daar iets van te moeten zeggen, hetgeen ontaardde in een ordinaire vechtpartij. Het 'gezicht' van Berto was nog niet bekend bij de scene. Meerdere Surinamers begonnen zich ermee te bemoeien en Berto dreigde het onderspit te delven. Hij trok zijn pistool - in die tijd een FN - teneinde het dreigende gevaar te kunnen afwenden, maar de overmacht van vijf Surinamers was zo groot dat hij bij deze vechtpartij zijn pistool kwijtraakte en hij het hazenpad moest kiezen.
Als een geslagen hond vertelde hij het verhaal op het bureau. Onze chef Joop van Riessen nam onmiddellijk contact op met de chef van de Uniformdienst, Jelle Kuiper. Meteen werd al het personeel gemobiliseerd en werd de omgeving van de Zeedijk afgesloten. Er werden invallen gedaan bij zaken waar veel Surinamers verbleven. Er werd een groot aantal arrestanten gemaakt en verhoord. Deze voldeden allen min of meer aan de opgegeven signalementen.
Later werden er nog meer invallen gedaan, onder meer in de Sosa, gevestigd op de hoek van de Vijzelstraat en de Herengracht. Die acties hadden zo veel commotie in de Surinaamse gemeenschap van de Zeedijk veroorzaakt dat binnen drie dagen de vijf Surinaamse verdachten aangehouden werden en het ontvreemde pistool terecht was.
Het personeel van het bureau Warmoesstraat had weer eens zijn tanden laten zien.

Stank voor dank

door Frans Raap

Ik was als wachtcommandant werkzaam op dienstgroep 6. Op een gegeven ogenblik werd er door Roel v.d.E. en Gerard Mak een prostituee het bureau binnengebracht. Ik zag dat er bij de deuropening enige commotie was. Er werd wat geschreeuwd en het bleek dat de beschermheer ook het bureau in wilde.
Dit werd voorkomen door Roel, die zijn voet tegen de deur zette. De man kon toch het bureau binnenkomen en Roel werd vol in zijn gezicht geslagen. Het bloed spatte uit zijn neus. Die man zette het op een lopen.
In die tijd had ik nog het lichaam van een jonge god. Ik sprong over de balie (indien zonder noodzaak leverde dat strafpunten op) en rende de man achterna. Ter hoogte van de Warmoesstraat en de Oudebrugsteeg wist ik hem samen met Rob v.d. V. aan te houden. Op het moment dat wij hem vastpakten, kwam Roel ook ter plaatse. Door pijn overmand wilde hij de man ook slaan, maar deze was zo vriendelijk om te bukken, waarop ik vol in mijn gezicht werd geslagen door mijn eigen collega.
Achteraf viel het wel mee met mij, maar dit was echt stank voor dank.

De verdwenen schilderijen en tekeningen van Vincent van Gogh

Het heeft iets met Amsterdam te maken, dat geven we ruiterlijk toe. Maar na onze oproep over de kunstroof van Van Goghs in Amsterdam kregen we ook een verhaal toegespeeld door Bram Huijser, onze trouwe lezer en, wat we niet wisten, een groot kenner van Vincent van Gogh, Hij heeft tientallen publicaties over de grote meester geschreven, waaronder de onderstaande. Deze is gewoon te mooi om er geen aandacht aan te besteden. Dit artikel behandelt de geschiedenis van de verdwenen schilderijen en tekeningen van Vincent van Gogh, die later opdoken bij een marktkoopman in Breda. Hij had ze gekocht van een timmerman die ze jarenlang op zijn zolder in de oorspronkelijke kisten had opgeborgen.

Vincent van Goghs moeder betrekt met zijn zuster Willemien na het overlijden van Vincents vader op 26 maart 1885 een nieuwe woning in Breda die nogal krap is, en daarom verzoekt zij timmerman Janus Schrauwen uit de Ginnekenstraat in Breda een deel van de inboedel tijdelijk voor haar op te slaan op de zolder van zijn pakhuis. Daar zijn ook een aantal kisten bij met schilderijen, tekeningen en knipsels uit bladen van Vincent, die hij achterliet bij zijn vertrek naar Antwerpen op 27 november 1885. Later, als de inboedel wordt teruggehaald, ontdekt Willemien sporen van houtworm in de kisten en besluit ze ze bij Schrauwen op zolder te laten staan.

Rommel
Vincent schreef uit Antwerpen aan zijn broer Theo in Parijs diverse brieven in de periode november 1885 tot eind februari 1886 over de aanstaande verhuizing in maart 1886 van zijn moeder en zuster, over het al of niet gaan helpen in Nuenen met inpakken en dergelijke. Uiteindelijk is Vincent toch reeds eind februari 1886 naar Parijs gegaan en heeft zijn familie dus niet geholpen met inpakken. In de brief (W.4 van eind juni 1888 uit Arles) aan zijn zuster Willemien, schrijft Vincent: Zeg eens van rommel gesproken. Het is misschien de moeite waard wat er goeds is in de rommel die, naar Theo, zegt nog van mij ergens in Breda op een zolder is, nog te redden. Ik durf 't U echter niet vragen en misschien is 't verloren geraakt, tob er dus niet over.

Volgens dr. Jan Hulsker in zijn boek Van Gogh over Van Gogh (Meulenhoff Amsterdam, 1973) pagina 134, slaat het woord 'rommel' niet op het werk van Vincent, maar op boeken, houtsneden (bedoeld worden uit tijdschriften geknipte houtgravures) en dergelijke. In een naschrift (in brief W.5 van begin augustus 1888) vraagt Vincent opnieuw of Wil een oogje wil houden op de boeken en prenten die in Breda zijn achtergebleven. Dit zou kunnen betekenen dat Vincent geheel afstand had genomen van zijn op de zolder bij Schrauwen achtergebleven werk.
Hiermee staat dan ook vast dat in ieder geval Theo en Willemien in 1888 weten van 'rommel' op een zolder in Breda. Het bevolkingsregister in Breda vermeldt dat de verhuizing van moeder Van Gogh en haar dochter Willemien naar Leiden op 2 november 1889 plaatsvond. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat moeder Van Gogh en Willemien de overtollige inboedel begin november 1889 bij Schrauwen opgehaald hebben en de kisten van Vincent vanwege de vermeende houtworm achterlieten.

In kisten verpakt
Lies van Gogh (Elisabeth du Quesne van Gogh) beweerde in 1911 over de kisten het volgende: Deze plaatwerken, in kisten verpakt, bezwaarlijk mee te nemen naar een nieuwe woning, of opnieuw in bewaring te geven bij een timmerman, zooals nu het geval was, werden door 's kunstenaars moeder weggegeven niet aan den timmerman zelf, – dit is onjuist, – maar aan diens zoon, een jongen die schik in teekenen had. (ingezonden brief in Nieuwe Rotterdamsche Courant 11 mei 1911). Daar Janus Schrauwen zich jaren later als de rechtmatige eigenaar van de kisten beschouwde omdat niemand ze ooit was komen ophalen, brak hij ze open, nam de mappen met tekeningen, schetsen en aquarellen eruit, en gebruikte het hout voor andere doeleinden. Zeventien jaar later, in 1903, ontbood Schrauwen de marktkoopman Jan Couvreur om wat kleingoed, zoals een kannetje, een potje en een tinnen litermaat te verkopen. Couvreur bood ƒ 2,50 en Schrauwen ging daarop in op voorwaarde dat Couvreur de 'rommel' die hij al zo lang op zijn zolder had, ook zou meenemen. Couvreur ging akkoord en nam de 'handel' mee naar zijn huis in de Stallingstraat in Breda en smeet de ongeveer zestig schilderijen, honderdvijftig losse doeken, tachtig pentekeningen en tussen de honderd en tweehonderd krijttekeningen in zijn kelder.

Couvreurs handelingen
Zijn vrouw wou de naaktstudies die daar tussen zaten niet in huis hebben en toen pakte Couvreur alle tekeningen die aanstotelijk waren in een grote zak en heeft hij ze naar de papierfabriek van Tilburg gebracht om vermalen te worden; hij kreeg er een paar dubbeltjes voor. Couvreur nam daarop een Rotterdamse schilderijenhandelaar, volgens hem De Winter genaamd, in de arm om te zien wat deze man in de handel zag. De Winter gaf als oordeel: Probeer die rommel kwijt te raken voor wat je ervoor kunt krijgen. 't Is niks waard volgens het relaas van Couvreur in een artikel op 18 februari 1950 in Dagblad De Stem te Breda. Aan Frans Meeuwissen, eigenaar van het café op de hoek van de Ginnekenstraat en Stallingstraat, leverde Couvreur werken van Vincent die door Meeuwissen werden verkocht of weggegeven aan goede klanten. Als iemand Couvreur een biertje aanbood, dan kon hij een Van Gogh meenemen.

Verkoop
Couvreur was van plan de resterende doeken en tekeningen op de markt te gaan verkopen. Hierover vertelt hij in een Telegraaf-artikel: Ik heb dertig jaar lang met een kar op de markt gestaan. Tegen die kar prikte ik platen en schilderijen van Van Gogh en iedereen kon ze voor tien cent krijgen. Ik gaf ze soms ook wel aan de kinderen op straat om er mee te spelen. Volgens zijn relaas kwam op een dag waarop hij naar de markt ging met de nodige Van Goghs op zijn kar, in de Ginnekenstraat de uniformkleermaker C. (Kees) Mouwen naar hem toe om wat schilderijtjes te kopen. Couvreur verkocht hem zes doeken voor tien cent per stuk. Later op de dag kwam een dienstbode van Mouwen vragen of zij er nog zes voor een dubbeltje per stuk kan krijgen. Couvreur zei tegen het meisje: De complimenten terug en meneer Mouwen kan er zes krijgen voor twee dubbeltjes per stuk. Het meisje ging weg, kwam terug en zei, dat meneer Mouwen in geen geval hoger ging dan vijfendertig cent per stuk. De volgende werken werden voor die prijs aan Mouwen verkocht.

Mouwen en Couvreur beginnen opsporing
Toevallig krijgt Couvreur een krant in handen en daarin ziet hij dat Van Gogh een beroemd schilder is. Hij sprak toen met Mouwen en kwam overeen dat hij zou trachten de mensen aan wie hij voor een dubbeltje en vijftien cent de schilderijen had verkocht, te bewegen ze aan hem terug te verkopen. Er was bijvoorbeeld een boer die twee stukken van hem gehad had. Hij ging naar die boer toe en zei: Mag ik ze voor een rijksdaalder terug hebben?, en de man ging akkoord. De ouders van de kinderen aan wie Couvreur schilderijen had gegeven, moest hij vijftig of meer guldens betalen om ze weer terug te krijgen.

Het merendeel van de weer opgespoorde werken ging naar Mouwen en een leraar van de Koninklijke Militaire Academie, zijn neef W. van Bakel. Op 3 mei 1904 liet Mouwen bij Frederik Muller in Amsterdam 41 werken veilen. Zestien bleven onverkocht. Ook later verkocht en veilde hij schilderijen en tekeningen van Van Gogh. Johanna van Gogh-Bonger kwam later de handel van de in Breda aanwezige werken van haar zwager aan de weet en probeerde vergeefs dit deel van haar erfenis via een advocaat terug te krijgen, maar dit lukte niet.
Nog steeds is onduidelijk waar alle werken gebleven zijn.