De Amsterdamse Krant

17 december 2016

De Amsterdamse Krant 17 december 2016


'Zullen we bij de lichtjes in de stad gaan kijken?'

Amsterdam is deze dagen weer feestelijk verlicht. Zoals dat al decennialang het geval is. Aan de hand van foto's met teksten schetsen we een beeld wat de sfeerverlichting voor Amsterdammers heeft betekend én we staan stil bij de kerstpotten van het Leger des Heils.

"Zullen we bij de lichtjes gaan kijken?" Iedere keer als mijn vader dit tegen het einde van het jaar aan me vroeg, raakte ik opgewonden", laat Peter Jansen weten. Peter is van 1956. Hij komt uit een gezin met drie kinderen (broer Anton is twee en zus Petra vier jaar jonger) dat woonde aan de Middenweg. Op speciaal verzoek heeft hij zijn herinneringen opgeschreven. "Ik zal een jaar of 7 zijn geweest dat mijn herinneringen teruggaan. Mijn vader had destijds een lichtblauwe Simca, weet ik nog. Dat was op zich al heel bijzonder, want erg veel auto's waren er nog niet. Of mijn vader vaak heeft gevraagd of we gingen kijken, weet ik niet meer, maar het moet toch wel een paar keer zijn geweest. En het waren feestjes. Samen met mijn broertje – mijn zus was te klein en bleef thuis bij moeders – op de achterbank en dan het donkere Amsterdam in. De eerste straat die me is bijgebleven, is de Van Swindenstraat in Oost. Ik wist dat deze straat zo heette, want daar kwamen we wel vaker. Gingen we met mijn moeder naar de markt, met lijn 9, maar niet voordat we hadden gekeken naar de etalage van feestwinkel Van Dam. Maar in de winter was het een andere straat. Dan hingen de rijen lampjes van de ene kant van de straat naar de andere kant en wij reden daar dan onderdoor. Volgens mij was ook de Dapperstraat in die tijd altijd versierd, maar dat weet ik niet zeker. Daarna reden we door naar het centrum (ik begreep later pas dat dat het centrum was, want ik had als klein jochie geen idee waar ik was). De Kalverstraat en Nieuwendijk waren toen nog majestueuze straten, helemaal in december met al die verlichting. We stapten altijd even uit bij de Bijenkorf, om te kijken naar de fraai verlichte etalages. En dan naar de kerstboom op de Dam, waar het Legers des Heils altijd was. Dan kregen mijn broer en ik van mijn vader ieder een kwartje die we in de kerstpotten mochten doen. Vaste prik waren ook de Leidsestraat en het Leidseplein, met een feestelijk verlicht Lido als hoogtepunt. En natuurlijk de PC Hooftstraat, wat toen nog niet zo'n chique bedoening was als nu. Maar die was wel altijd mooi verlicht."

Een echte kerstboom
Arie van Lange weet nog goed hoe het tijdens deze feestdagen bij hem thuis was halverwege de jaren 60. "Groot was-ie niet, maar we hadden wel altijd een echte kerstboom en dat kon lang niet iedereen bij ons in de straat (de Middenweg) zeggen. Met alle versieringen in kleur, want dat vonden mijn ouders leuker voor ons, de zes kinderen. Waar de boom was gekocht weet ik niet, maar opeens was-ie er. Mijn vader was blijkbaar handig met het lasapparaat, want die had een ijzeren kruis met een stevige punt erop gemaakt waar de kerstboom als het ware op werd gespiest. Ik schat dat de kerstboom hooguit 1,20 meter hoog was, want deze werd altijd op een dressoirkastje gezet dat ook zeker één meter hoog moet zijn geweest."

Het Lido was altijd feestelijk verlicht. Foto: Piet Peijs

Op zolder
"De kerstboomspullen lagen op zolder. Eerst de verlichting erin. Dat deed mijn vader altijd. Daarna de piek, die mijn grote broer Jan, die acht jaar ouder is dan ik, er op mocht zetten (hij kon bij de punt van de boom!), daarna twee vogeltjes die we altijd zo bevestigden dat het voor ons leek of ze achter elkaar aan vlogen en daarna de ballen, ijspegels en noem maar op."

Bij de familie Van Lange hadden ze een systeem voor het uitdoen van de lichtjes: elke avond draaide vader een lampje los. "Wanneer wij 's morgens vroeg ons bed uitkwamen, wisten we niet welk lampje was losgedraaid en begonnen we elke keer weer van voren af aan met voelen welk lampje het was. Als je de goede had, gaf dat altijd een bepaalde opwinding. Dat snoer stelde trouwens niet veel voor, helemaal niet nadat er door de jaren heen allerlei andersoortige lampjes in waren gedraaid. Je had peertjes van matglas, felle gladde lampjes, lampjes met een reliëfje erop en nog meer ongeregeld."

Meer kerstverhalen op de volgende pagina.

Nieuwe raadplaat: waar rijdt deze tram?

Het is een relatief eenvoudige opgave deze keer: waar rijdt de tram op dit plaatje? We weten niet zeker of het tramnummer te lezen is, maar zo ja, dan heeft u in elk geval een hint. En zo nee, dan zijn we benieuwd naar alle inzendingen.
Uw inzending kunt u mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Oud en nieuw

Vuurwerk afsteken. In plaats van vuurwerk herrie maken met deksels van pannen. Kerstbomen pikken in andere buurten en ze in brand steken. Gewoon gezellig bij elkaar zitten. Oliebollen bakken. Oliebollen eten. En appelflappen natuurlijk. Eindeloos wachten tot het 12 uur is. Op 1 januari zoeken naar vuurwerk dat niet is afgegaan.
Ziehier een waslijst met zaken die horen bij oud en nieuw. Wij zoeken die mooie verhalen, anekdotes, herinneringen en andere pareltjes van u om de laatste editie van de Amsterdamse Krant dit jaar in te kleuren.
Reacties kunt u mailen naar info@amsterdamsekrant.nl

'Vooral Amerikanen zijn vrijgevig'

De kerstboom op de Dam met eromheen heilsoldaten.

Vervolg van voorpagina

Ook Loes Kuijkens vertelt hoe zij vroeger kerstfeest vierde. "Wij hadden geen kerstboom. Daar was ons huisje te klein voor. Wel waren er kerstspullen die lagen te wachten op zolder tot het weer kerst was. Dan klommen mijn vader en ik de vier trappen op naar zolder - wij woonden op de begane grond - en zeulden met de dozen weer naar beneden. Wij hadden een dressoir waarvan de linker- en rechterzijde hoger waren dan het middengedeelte en met een spiegel erachter. Daar werden kartonnetjes op gelegd die mijn vader eens op maat had gemaakt en de kaarslampjes werden er op geklemd. Als dat klaar was leek het een altaar, ook al waren wij verre van gelovig. Boven de schoorsteen hing ook een grote spiegel, daar werden gekleurde lampje omheen gehangen, verder nog wat andere versierselen en dat was het, maar toch gezellig!"

Kerstdrukte bij gebr. Haen. Vader Dolf Haen samen met Ronald druk bezig met het opmaken van de kerstschotels (kerst 1980). Foto: Jo Haen

"En dan kwam het ritueel: voor het kerstdiner werd een rollade gekocht en omdat dat iets speciaals was, moest er naarstig in het kookboek worden gekeken hoe die moest worden bereid. Mijn tante kwam dan om te helpen. Zij was altijd eerste kerstdag met haar gezin bij ons. Meestal ging het goed met de rollade en dan was het smullen."

'Mijn tenen vroren er zowat af'

De metershoge kerstboom op de Dam is een begrip in de stad en wijde omtrek. Heilsoldaten Henny en Koos Tinga bewaren sinds het einde van de jaren vijftig warme herinneringen aan de boom en de kerstpotten. Henny blikt terug.

Henny Tinga weet niet beter dan dat er op de Dam een kerstboom staat en altijd was het Leger des Heils erbij betrokken. Uit de archieven duiken we een foto op uit 1957 waar al gewag wordt gemaakt van de boom. Henny weet niet wie de boom schonk, maar ze weet wél dat de heilsoldaten er altijd zongen en muziek maakten. Dat was en is nog steeds sfeervol en karakteristiek voor de stad, maar er waren ook belangrijkere dingen: de kerstpotten. Deze collectebussen hangen aan een bescheiden stellage (eerst van hout, later van metaal) en zijn er om geld in te zamelen voor het kerstfeest van arme Amsterdammers. "Jarenlang stonden we er twee weken achtereen, iedere dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Je stond altijd twee uur achter elkaar en daarna werd je afgelost. Later werden onze activiteiten teruggedraaid. Onder andere omdat we nu nog maar voor één week een collectevergunning krijgen. Tegenwoordig worden we al na één uur afgelost."

Een van de koudste winters
Toen Henny een jaar of 13 jaar was ("Dat moet in 1957 of '58 zijn geweest"), beleefde ze een van de koudste winters rond de kerstboom. "Die zal me altijd bijblijven", zegt ze. "In dat jaar heb ik voor het eerst samen met mijn oma bij de kerstpot gestaan. Ik kom uit een gezin waar niet veel geld was en bovendien waren de kleren van toen veel minder warm dan die van nu. Ik had een paar rubberen laarzen aan en mijn tenen vroren er zowat vanaf, zo koud was het. Ik mocht toen van mijn oma bij een restaurant op de Nieuwendijk een kop erwtensoep halen. Volgens mij heette het restaurant Heck en volgens mijn man Ruteks of zoiets, we weten dat niet zo goed meer. Dat restaurant was een begrip in Amsterdam, dat weet ik nog wel. Hier zaten mensen niet, maar ze stonden aan hoge tafels met een formica bovenblad. Voor mijn oma was dat echt een rib uit haar lijf, maar ze had zo met me te doen. Dat soort herinneringen neem je voor altijd mee."

Een goede plek
In Amsterdam stonden en staan nog steeds veel kerspotten, maar de Dam is volgens Henny: "Wat wij een goede plek noemen." Ze zegt: "Zowat iedereen die er kwam, deed geld in de pot. Vooral Amerikanen zijn vrijgevig, maar misschien is dat niet zo vreemd want het fenomeen kerstpotten komt uit de VS, uit 1891 uit San Francisco om precies te zijn. Weet u, tegenwoordig gaat het allemaal moeilijker omdat steeds meer mensen vrijwel geen cash geld meer bij zich hebben. Dat is echt jammer." Met het geld worden activiteiten voor minderbedeelden georganiseerd. "Voor hen maken we pakketten met koffie, thee, soep en lekkere dingen en we organiseren festiviteiten in de goodwillcentra in de stad. Ook hier veranderen de tijden. Tegenwoordig letten we er heel erg goed op dat we geen varkensvlees gebruiken. Vroeger was dat geen enkel probleem." Henny Tinga is nog steeds elk jaar te vinden bij de kerstboom, maar wel minder vaak dan vroeger. "Als er jonge heilsoldaten zijn die daar willen staan, ben ik daar wel blij mee", lacht ze.

'Het was werken geblazen in de kerstvakantie'

Jo Haen, telg uit de familie van snackbar Haentje in Amsterdam-Oost, publiceerde op geheugenvanoost.nl de volgende bijdrage:

Als kind was het in de kerstvakantie werken geblazen! Er werden zo veel bestellingen voor kerst en oud & nieuw aangenomen als er in de koelkasten pasten en daar was het personeelsbestand uiteraard niet op ingesteld. De kinderen waren dan de eerst aangewezen versterking. Ik had daar gemengde gevoelens bij: aan de ene kant trots om deel uit te maken van de keukenbrigade met m'n vader als middelpunt, het gevoel onmisbaar te zijn, de gezelligheid en het extra zakcentje. Aan de andere kant sliep je liever uit en genoot je (in jouw ogen!) van je welverdiende kerstvakantie.
Aldus stond ik elk jaar voor dag en dauw, warm gekleed tegen de winterse keukentemperaturen, klaar in de keuken. Een enorme pan met kokend water stond op het vuur om de temperatuur draaglijk te houden en de verkleumde handen te warmen na het wassen van sla of het pellen van eieren.

Hectische tijd
Het was een hectische tijd: de telefoon ging continu, vertegenwoordigers en familieleden kwamen op de meest ongelukkige momenten iedereen van z'n werk houden, bevelen klonken door de Arbeidsvitaminen heen ("Kan iemand een blik augurken opendraaien!" of "Help even met de folie!"), overal stonden mensen, schalen en lagen etenswaren.

Klusje
Als je een 'klusje' kreeg, was het zaak een vrij plekje te vinden voor je schaal met halfvoltooide borrelhapjes en toe te voegen ingrediënten. Als je mazzel had kon je op een karretje met paneermeel zitten, als je pech had moest je staan. Meestentijds was het onze taak om de hapjes te garneren met krulpeterselie, truffelsterretjes of (nep)kaviaar.

Aan het eind van de dag als alles met passen en meten in de koeling stond, de afwas was gedaan en de banken waren geboend kon ik, ondanks de frisse tegenzin waarmee ik was begonnen, toch net als de anderen tevreden nagenieten van de gedane arbeid. Onder het genot van een lekker drankje.

Burgemeesters van Amsterdam 2: J.W.C. Tellegen

Adrie de Koning en Jos en Frits Mol zijn de auteurs van de rubriek 'Burgemeesters van Amsterdam'. Wij hebben hen de afgelopen jaren leren kennen als grote kenners van de geschiedenis van Amsterdam, hetgeen zich heeft geuit in de series 'Dit komt nooit meer terug' (over allerlei zaken die vroeger zo normaal waren in het Amsterdamse straatbeeld, maar inmiddels van het toneel zijn verdwenen), daarna 'Verdwenen kinderspelen' en vervolgens 'Amsterdamse hofjes'.
In 'Burgemeesters van Amsterdam' worden niet alle Amsterdamse burgervaders uit de loop der eeuwen behandeld, maar alleen de burgemeesters uit de vorige en deze eeuw, want daar zullen Amsterdammers en oud-Amsterdammers herinneringen aan hebben. En misschien weten lezers iets over hen te vertellen. In totaal gaat het om twaalf burgemeesters die in de collage op deze pagina zijn verwerkt. Het zijn de vooroorlogse burgemeesters Tellegen en De Vlugt, de tijdens de oorlog aangestelde Voûte en de naoorlogse De Boer, D'Ailly, Van Hall, Samkalden, Polak, Van Thijn, Patijn, Cohen en Van der Laan.

Kennis over woningbouw van Tellegen is legendarisch

Burgemeester Tellegen.

Personalia
Jan Willem Cornelis Tellegen was burgemeester van Amsterdam, werd geboren in Groningen in 1859 en overleed in Amsterdam in 1921. Hij was de zoon van Bernardus Tellegen, hoogleraar in het staats- en volkerenrecht en Johanna, barones van Ittersum. Tellegen is getrouwd in 1887 met Alida Fock (dochter van burgemeester Fock) en uit dit huwelijk werden twee zoons en drie dochters geboren. In 1915 legde A. Roëll zijn functie als burgemeester van Amsterdam neer om commissaris van de Koningin in Noord-Holland te worden.
Tellegen werd benoemd tot burgemeester van Amsterdam (15 maart 1915 tot 16 april 1921) gezien zijn enorme kennis op het gebied van de woningvoorziening.

Opleiding en eerdere (neven)functies
Hij doorliep de HBS in Groningen waarna hij de civiele techniek aan de Polytechnische School te Delft doorliep tot 1882 en aldaar het diploma van civiel-ingenieur behaalde. Omdat de banen niet voor het opscheppen lagen, begon Tellegen zijn loopbaan als buitengewoon opzichter bij de aanleg van de spoorbaan Groningen-Delfzijl in 1882. In 1885 ging hij zich bemoeien met de aanleg van de spoorlijn Apeldoorn-Deventer-Almelo en de bouw van de spoorwegbrug over de IJssel. Tellegen bleek een ruimere maatschappelijk belangstelling te hebben. Tussen 1886 en 1890 richtte hij mede het tijdschrift 'De Ingenieur' op, waarbij hij goede overzichten gaf hoe technische zaken in de Eerste en Tweede Kamer werden behandeld.
Tellegen zag zich genoodzaakt een ander heenkomen te zoeken omdat alle spoorwegen gereed waren. Hij werd hoofdopzichter bij de Gemeentewerken in Arnhem en groeide door naar directeur in 1890. Dat was hij elf jaar; hij werkte aan krotopruiming, restauratie en stadsuitbreiding. Hij zorgde er evenwel voor dat het park Sonsbeek niet aan de woningbouw ten onder ging, maar een recreatief doel kreeg. Tellegens naam op het gebied van woningbouw was zozeer gevestigd dat de gemeente Amsterdam, die qua woningbouw in zwaar weer terecht was gekomen, een beroep op hem deed. Per 1 april 1901 werd hij in Amsterdam tot directeur van de Gemeentelijke Dienst Bouw- en Woningtoezicht benoemd. Tellegen bleek een man van grote deskundigheid die geen enkele inbreuk op bestaande voorschriften duldde. Het 'schrikbewind van Tellegen'' was de 'onbewoonbaarverklaring' die hij met kracht ter hand nam.

Algemene kenmerken en belangrijke gebeurtenissen tijdens ambtsperiode
Van Tellegen was lid van de Liberale Unie tot 1901, maar werd in datzelfde jaar lid van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB). Hij stelde zich bij zijn installatie tot burgemeester de vraag of de aanvaarding van het burgemeesterschap een daad van moed dan wel van overmoed was. Als persoon stond hij bekend als een doorzetter met een olifantengeheugen. Hij kreeg veel te maken met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, die tot een hongersnood leidde. Eind 1915 was er eerst de 'Melkoorlog'. De melkprijs werd vastgesteld op 9 cent/l maar de boeren weigerden tegen die prijs te leveren. Amsterdam weigerde meer te betalen. Via omwegen wist de stad toch moeizaam aan melk te komen, waarna de regering besloot tot een compromis te komen. De boeren kregen 10 cent/l en moesten dan wel zonder meer leveren.

Bij de begrafenis van burgemeester Tellegen was het razend druk.
Standbeeld van Floor Wibaut in de Wibautstraat.

Aardappeloproer
In 1917 brak er in Amsterdam de zogenaamde 'Aardappeloproer' uit - een volksopstand vanwege de voedselschaarste in WW I - en Tellegen besloot de bevolking in staat te stellen voor hun eigen voedsel te gaan zorgen door de verhuur van volkstuintjes. In datzelfde jaar werd ook de Centrale Keuken ingericht. Deze kwam onder leiding van de echtgenote van Tellegen te staan. Hij bemiddelde met succes in een aantal conflicten, onder andere in 1916 tussen artsen en ziekenfondsen. Gedurende zijn burgemeesterschap werd Amsterdam uitgebreid met grondgebied van enkele randgemeenten.

Wetenswaardigheden
In Zuid is er een straat naar Tellegen vernoemd en erachter, in de P.L. Takstraat, is in 1929 een monument onthuld te zijner nagedachtenis. In de Tellegenstraat vindt u het bezoekerscentrum van museum Het Schip dat gratis toegankelijk is (de oplettende lezer zal zich herinneren dat dit museum op de raadplaat van twee weken geleden stond-met spits!). Overigens overleed Tellegen op bijna 62-jarige leeftijd en is daarmee de laatste burgemeester die tijdens zijn ambtsperiode overleed. Hij had ook enkele nevenfuncties: onder andere redacteur van het tijdschrift 'De Ingenieur' van 1889 tot 1890, medewerker van het weekblad De Nederlander en lid van de Zuiderzeeraad.

Ambtswoning
Amsterdam beschikte in Tellegens tijd nog niet over een ambtswoning. Alle burgemeesters woonden tot dan toe wel binnen de grachtengordel, maar Tellegen bleef wonen in de Jacob Obrechtsstraat 49.

Andere bestuurders en opvolger
Een van de meest toonaangevende wethouders, van wie een standbeeld staat in de naar hem genoemde Wibautstraat, was Floor Wibaut (1859-1936). Naar hem werden ook de Wibautstraat en het daarin gelegen Wibauthuis (is afgebroken) vernoemd. In 1904 vestigde hij zich in Amsterdam waar hij in 1907 lid werd van de gemeenteraad. Hij was wethouder van 1914 tot 1927 en van 1929 tot 1931. Hij bracht veel tot stand op het gebied van de volkshuisvesting, waarbij hij arbeiderswoningen bouwde onder het motto: 'Wie bouwt, Wibaut'.
Zijn grote inzet in de gemeentepolitiek leverde hem bijnamen op als ''De machtige' en 'Onderkoning van Amsterdam'. Aanvankelijk leek Wibaut als opvolger van Tellegen voor de burgemeesterspost (hij overleed tijdens zijn ambtsperiode!) in aanmerking te komen, maar hij had kennelijk toch al zo veel weerstand bij andere partijen opgeroepen dat de regering koos voor de aannemer van ARP-huize Willem de Vlugt. Wibaut bleef wethouder en overleed in 1936 op 67-jarige leeftijd.

Herinneringen van Bram Huijser aan de Houtmankade en de Planciusstraat

Zo moet Bram Huijser de Planciusstraat gekend hebben.

Woensdag 30 november overleed Bram Huijser op 94-jarige leeftijd. Wij hebben Bram nooit persoonlijk ontmoet, maar wij kregen wel regelmatig een mail – Bram bleef ondanks zijn hoge leeftijd bij de tijd - van hem. Hoewel hij al jarenlang in Musselkanaal woonde, was hij een echte Amsterdammer die onder andere fanatiek meeraadde met de raadplaten, net zoals zijn dochter Anneke trouwens. Ook stuurde hij andere verhalen (Bram was een goed schrijver) die ons een mooi inkijkje in zijn leven opleverden. Bij wijze van eerbetoon aan Bram Huijser publiceren we hieronder een bijdrage van hem. En we wensen natuurlijk de nazaten van Bram, in het bijzonder Anneke, en zijn verdere familieleden veel sterkte bij het dragen van dit verlies.

door Bram Huijser
Van maart 1933 tot april 1934 woonde ik, Bram Huijser Jr., als elfjarige met mijn ouders op de Houtmankade op de eerste etage boven het café Berk, het huisnummer was toen no. 6. Later werden er huizen naast gebouwd en werd het nummer 18. Mijn vader Bram Huijser Sr. had in het café zijn kaartclub en beheerde een spaarkas. De vrouw van de waard maakte heerlijke gehaktballetjes, die ik van mijn vader mocht bestellen (en opeten!). Alle wanden hadden een beschildering van de oude toestand in die buurt, zoals het Westerplantsoen, dat later moest wijken voor het Westerkanaal (de Houtmankade ligt daaraan). Bij het Amsterdams Gemeentearchief zijn nog afbeeldingen van die muurschilderingen te vinden.

Divers pluimage
De bezoekers in het café waren van diverse pluimage; in de eerste plaats mannen die in de Houthaven werkten (mijn vader was werfbaas bij houthandel Brester & Van Seventer waar ik in mijn schoolvakanties altijd bij mijn vader op de werf verbleef en waar ik zwemles van hem heb gekregen aan de hengel); in de kaartclub van mijn vader waren een stukadoor, een sigarenwinkelier, een smid, een sleepbooteigenaar (de waard had een aandeel in die sleepboot) en een man die met zijn verbouwde motordekschuit arbeiders van het vertrekpunt vlak bij het café van en naar de scheepsbouw en de Distelweg in Noord bracht. Zijn naam weet ik niet meer, maar hij werd Jan Heen en Weer genoemd. Met hem mocht ik nog weleens als 10-jarige meevaren en zelfs sturen.

Koperen Ploeg
Ook leden van de Koperen Ploeg (vletterlui) die de zeeschepen aanmeerden in de Oude Houthaven waren daar regelmatig te vinden. Ook met hen mocht ik mee om met een in de Oude Houthaven afgemeerde houtboot, het Duitse stoomschip Wagrien, een reisje op de brug mee te maken naar de Rietlanden waar het schip moest bunkeren. De stuurman van het schip was Toon Meeuwenoord van de Koperen Ploeg. Vlakbij in de Oude Houthaven was een grote concentratie van binnenvaartschepen aanwezig aan de zogenaamde 'remming' (een houten looppad) tussen de schepen. Daar was ook een mastenmakerij, waar ik menigmaal ging kijken hoe zij met dissels en scherpe messen hun masten maakten. Boven de mastenmakerij was het Koffiehuis van de Volksbond, waar geen alcohol werd geschonken. Bij de remming lagen ook de vletten van de Koperen Ploeg afgemeerd, die wij mochten lenen om een tochtje in de haven te gaan maken (zelf roeien of wrikken).

Planciusstraat
Daarna ben ik met de familie in 1934 in de Planciusstraat 1 C III gaan wonen in een splinternieuwe woning (nota bene met douchecel!), maar ik bleef nog twee jaar op school in de Roggeveenstraat om daar het zevende schooljaar vol te maken. Het prachtige door Fré Cohen ontworpen diploma heb ik natuurlijk nog steeds. Daarna ging ik naar de 2e Ambachtsschool in de Westerstraat, waar ik ook twee jaar verbleef. Dan volgde een loopbaan van zeven jaar als parketvloerenlegger bij Bruynzeel's Vloerenfabriek in Zaandam. Mijn orders kreeg ik altijd op zaterdag via de post en ik heb in die jaren klussen door het hele land gehad.

Kees Troost
Met mijn vader ging ik vaak op zaterdagmiddag (hij werkte zaterdags tot 13.00 uur) naar de speciale winkel van Kees Troost in de Heemskerckstraat om daar dingen als sinaasappels, dadels, vijgen, druiven, rijpe peren, haringen en andere lekkere zaken te kopen. Dit vormde dan een deel van het fijne zaterdagavondmaal. Mijn vader had in de Houthaven palingfuiken staan en zodoende was er af en toe een maaltje gestoofde paling te verorberen. Op zaterdag aten de meeste Amsterdammers niet warm.

Straatventers
Ook kwamen in die tijd nogal wat straatventers bij ons in de straat zoals de joodse venter De Leeuw met zijn kar met augurken en zure uitjes, hij riep dan: "Uitjes in de wijnazijn, komkommer een cent maar!" Of de man met Zeeuwse mosselen: "Ik heb Zeeuwse mosselen, tien cent een maat!" De man met de voddenkar, Snoek (Snoekie werd hij genoemd) van de Zandhoek, riep: "Ik koop voddode!" Of de man met zijn bakfiets vol met berlinerbollen voor een dubbeltje. Ook verscheen bij ons een ijskarretje met een Italiaan die op het Haarlemmerplein ook nog een ijssalon had; hij verkocht zogenaamde spatsies, dat waren twee koeken waartussen een heerlijke kwak van dat beroemde Italiaanse citroen ijs zat. Iedere week kwam bij ons aan de deur het kaasboertje uit Huizen met een zware transportfiets met daarop een bak met zijn handel in zuivelproducten. Wat moet dat een sterke man zijn geweest om met die zware fiets helemaal uit Huizen te komen.

Schillenboer
Ook kwam vaak de schillenboer langs om afval van groente en aardappelen en etensresten op te halen. In de Heemskerckstraat had de vader van mijn schoolvriendjes Sander en Karel Vonk een smederij waar het fascinerend was om naar het smeden te kijken. Vader Vonk was een kaartvriend van mijn vader. Op de hoek Houtmankade en Zoutkeetsplein was en is de scheepsartikelenwinkel van Parson (nu De Leeuw) waar altijd een carbolineumlucht hing (of was het teer?). In de Barentszstraat (de winkelstraat in de buurt) waren aan de linkerkant, zover ik mij herinner, eerst de kapperszaak van Van Exter, dan de sigarenwinkel van Piet Konijnenberg, (ook een kaartvriend van mijn vader) de boekhandel annex leesbibliotheek van Sieben, de vishandel van Groen, een bloemenzaak, een drogist, de bakkerij van De Waal en de melkzaak van Bense en op de hoek de kruidenierswinkel van Haan-Dijk (hij was ook parlevinker, dat is met een motorvlet levensmiddelen bezorgen bij de schippers in de buurt). In de oorlogstijd rond 1944 lieten wij bij bakker De Waal onze zelfgemaakte broden van tarwemeel in de oven bakken. Het meel was eerst gemalen bij een garage van transporteur Cornel in de Spaarndammerbuurt. Aan de overkant van de straat was de groentewinkel van Stuiveling, een melkboer, een bakker, nog een groentewinkel van Dirk Groen, een slagerij van De Beurs en de kruidenier Van Amerongen. Rechts van onze woning was een snoepwinkel, een café van Bokstal en verderop een slijterij waar diverse sterke dranken in een fles(je) konden worden bekomen. Aan het eind van de Barentszstraat had een zekere Reurekas een radiocentrale. Daar kon je een abonnement op nemen en dan kreeg je thuis een aansluiting en een luidspreker en dan kon men door aan de knop te draaien verschillende radiozenders beluisteren. Op de Houtmankade, waar ik op nummer 35 ben geboren boven een café, was op de hoek aan de overkant een groentewinkel en verder op de kade waren nog twee cafés. In de Roggeveenstraat waren verschillende scholen, die tegenwoordig allemaal een andere functie hebben. In het midden was er tussen twee scholen open ruimte, dat werd 'het gat' genoemd en daar werd door de jeugd meestal gevoetbald. In de Van Diemenstraat was langs de vemen een verhoging aangebracht waarop je ook heerlijk kon spelen. Langs de vemen liepen spoorrails tot aan de brug over de Houtmankade. Aan het eind van de rails was een buffer die ook uitnodigde om te beklimmen.

Café Emmerich
In de Planciusstraat was op no. 1 het Café Emmerich, op 1a op de eerste etage de radiocentrale van Dijkgraaf, 1b t/m 1d, garages, 1e was de houthandel van Penters, 1f de rijwielstalling van Dijksman, op de nummers 3-9 was de kartonnagefabriek Excelsior, op 51 de levensmiddelenzaak van M. Westenborg, op 55 de kolenhandel van P. Gabes en op 57 de melkinrichting van G. Hoogland; op 77 was het Tabakshuis, op 85 café Spoorzicht en op 87 een levensmiddelenzaak. Op no. 28 was de slagerij van Kerklingh. Op de hoek met het Haarlemmerplein was drukkerij Modern, dat was een opvolger van de drukkerij van de Gebroeders Braakensiek. Johan Braakensiek, de bekende kunstenaar, maakte veel werk voor die drukkerij.

'De kop zat eraan zodat je zag dat het geen kat was'

De raadplaat van de vorige keer.

In elke editie van de Amsterdamse Krant publiceren we de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland, foto's die lezers hebben ingestuurd of foto's die we ergens zijn tegengekomen, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen. De raadplaat in de vorige editie betrof de Huidenstraat en een aantal lezers had het weer bij het rechte eind.

"Volgens mij is dit de Huidenstraat", schrijft Rob Visser. "Op de foto zie ik nog steeds de winkel van de poelier waar vroeger hele konijnen en eenden in de etalage lagen. Bij de konijnen zat de kop er ook aan, zodat je goed kon zien dat het geen kat was."

Gevilde katten
"Ik ben geboren in 1943 en in en na de oorlog was het niet denkbeeldig dat mensen probeerden gevilde katten als konijn te verkopen. Ik denk echter niet dat een goede poelier zich daarmee inliet. Op het einde van die straat stond een 'lelijk' gebouw dat eigenlijk niet goed in de straat paste."

Poelier Stephanus was wijd en zijd bekend.
De huidige situatie is niet veel veranderd ten opzichte van vroeger.

Bietenkokerij
"Zelf ben ik geboren in de Oude Looierstraat, waar ik tot mijn 14e jaar gewoond heb. Ik woonde tegenover de bietenkokerij (naast het Klaverhuis). Het Klaverhuis was een katholiek clubhuis waar allerlei activiteiten plaatsvonden. Van daaruit liep ik op zondagmorgen vanuit de Oude Looierstraat door de Runstraat en de Huidenstraat naar de Heerengracht (naar de achteringang van de kerk De Krijtberg). Ik was in de periode dat ik door deze Huidenstraat en langs die winkel liep misschien tussen de 8 en 12 jaar."

Poelier Stephanus
"De foto van 3 december is uit de Huidenstraat 17 en de poelier heette poelier Stephanus", schrijft Joke Wildschut en ook Cor de Boer heeft het bij het rechte eind, zonder verdere mededeling.

Geen recente foto
Fred van Riemsdijk mailt: "Dit is een foto van de Huidenstraat gelegen tussen de Prinsengracht en de Keizersgracht gezien in de richting van laatstgenoemde gracht. Op nummer 17 zit nu een kledingwinkeltje genaamd Labels. Meer kan ik u er niet over vertellen. Maar dit is aan de auto's te zien zeker geen recente foto. Veel plezier met het zoeken van een volgende raadplaat."

Poelier
"Fa. H. Stephanus: poelier, Huidenstraat 17", meldt Gerrit van Os uiterst bondig.

Afstammeling
Mike Man uit Muiden vond het 'a piece of cake': "Gaf uw vorige raadplaat nog de nodige hoofdbrekens, deze keer was het echt een makkie. U heeft de huid deze keer niet echt duur verkocht! De foto toont de Huidenstraat, een van de zogeheten Negen Straatjes, gezien in de richting van de Keizersgracht. Het schijnt dat de straatnamen verwijzen naar de in die buurt ooit gevestigde handelaren in huiden van verschillende dieren, zoals ree, wolf en beer. Hoewel ik niet denk dat de eigenaar van afgebeelde poelier van hen een afstammeling is."

De 9 straatjes
Gerard Jansen: "De raadplaat van 2 december is volgens mij de Huidenstraat gelegen tussen de Keizersgracht en de Herengracht; dit straatje maakt deel uit van de 9 Straatjes, zeer geliefd bij toeristen en dagjesmensen. Op de foto herken ik het poeliersbedrijf van de Fa. H. Stephanus; deze zaak is er volgens mij niet meer."

Wanstaltig betonnen gebouw
Hans Slieker: "Ook nu waag ik weer een poging. Dit keer was de raadplaat wel wat lastiger. Na enige bestudering van de foto trok toch het wanstaltige betonnen gebouw op de hoek telkens de aandacht. Een dissonant tussen al die prachtige oude geveltjes. Op de foto is rechts nog net de reling van een brug zichtbaar en dat betekende dat het op een van de grachten in de binnenstad moest zijn."

Amsterdamse Grachtengids
"De oplossing bracht het boekje 'Amsterdamse Grachtengids' van Tim Killian met de tekeningen van de gevels aan de vier hoofdgrachten. Na enig bladeren vond ik daarin exact de twee zichtbare gevels in de verte. De rechtse gevel staat op de hoek van de Runstraat en de Keizersgracht! De foto is dus genomen vanuit de Huidenstraat. Ik sluit een foto van de huidige situatie bij, vandaag gemaakt, maar helaas door de lage stand van de zon nogal donker.
Fantastisch, dit soort raadplaten. Graag meer oude foto's van Amsterdam."

Googelen
Jelle Faddegon had er ook moeite mee: "Typisch zo'n raadplaat waar je mee aan het googelen moet, als je niet direct herkenningspunten ziet. Als ik kip kocht, deed ik dat niet in deze straat, en ook voor een uitje naar de Amsterdamse binnenstad lag deze straat kennelijk niet in mijn belangstelling."

Aanknopingspunten
"Aanknopingspunten zijn verder alleen dat het binnen de grachtengordel moet zijn en dat de hoek van de straat een lelijke nieuwbouwpuist heeft. Google geeft bij de trefwoorden 'stephanus' 'amsterdam' 'poelier' onmiddellijk een prachtige foto uit de beeldbank van het Stadsarchief, met de poelier in actie achter zijn toonbank. Adres: Huidenstraat 17. Die foto is uit 1993, dus inderdaad nog vrij recent."

Nieuwbouwpuist
"Op Google Earth zien we de Huidenstraat echter in 21e-eeuwse glorie: als deel van de toeristische (maar welk deel van de binnenstad ontkomt daar nog aan?) 9 Straatjes met allerlei luxe hebbeding-winkeltjes en hippe eettentjes. Druk dus, maar geen kip meer te krijgen. De nieuwbouwpuist staat op de hoek van de Keizersgracht."

Geen herinneringen
En dan komen we bij Gielijn Escher en 'De Mollen en de Koningen'. Gielijn Escher schrijft: "We staan in de Huidenstraat, kijkend richting Keizersgracht. Geen speciale herinneringen, ondanks dat ik er jarenlang vlakbij heb gewoond."

Geen makkie
En 'De Mollen en de Koningen' laten weten: "De raadplaat van deze week was geen makkie. De enige winkel die we konden identificeren was de meest linker, die op zijn etalage 'wild en gevogelte' had staan. We konden de naam/adres echter niet vinden en dit was daarom een doodlopend spoor. Het was wel duidelijk dat het een zijstraat van een van de hoofdgrachten moest zijn. Dus we zijn maar eens gaan kijken bij de 9 Straatjes. Na enig zoeken zagen we de twee klokgevels die ook op de raadplaat staan en wel op de hoek van de Keizersgracht/Runstraat. Het is dus de Huidenstraat die hierop uitkijkt en die dus de gezochte straat is. De bouw is vrijwel ongeschonden (zie de foto)."

Niet goed
N.J. Haselaar houdt het op de Runstraat (heet dus) en Ton Kompier mailt vanuit Lelystad: "Volgens mij is dit de Grote Wittenburgerstraat en dan helemaal aan het begin. Ernaast staat nog steeds de Oosterkerk, weet niet of deze nog als kerk dienstdoet. Het winkeltje is Jantje van Alles."

Nieuwe raadplaat

Het is een relatief eenvoudige opgave deze keer: waar rijdt de tram op dit plaatje? We weten niet zeker of het tramnummer te lezen is, maar zo ja, dan heeft u in elk geval een hint. En zo nee, dan zijn we benieuwd naar alle inzendingen.
Uw inzending kunt u mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

100 kilo hasj met een verdachte erbij

In 1958 was de Warmoessstraat een rustig straatje.

door Mos Florie
Op een late avond in de jaren 80 kreeg ik als explosievenverkenner van de meldkamer de opdracht te gaan naar de parkeergarage van de Bijenkorf.
Daar zou een auto staan met een Engels kenteken. Er was informatie binnengekomen dat zich in deze auto explosieven zouden bevinden en ik mocht dat gaan onderzoeken.
Samen met mijn maat en voormalige mentor Cor - Ouwe Nol voor de intimi - gingen wij naar de aangewezen plek alwaar we inderdaad bedoeld voertuig aantroffen.

IRA?
Een Engels voertuig. Explosieven? IRA? Voorzichtigheid geboden dus. Na rijp beraad besloten we de kofferbak van de auto met de nodige voorzichtigheid open te maken. Bij het klikje, ten teken dat de kofferbak open ging, bonsde onze harten stevig in de keel, maar een explosie bleef uit. Logisch, anders had ik dit verhaal nooit kunnen vertellen.
Uiterst voorzichtig, met het oog op eventuele boobytraps, opende ik de klep van de kofferbak. In de kofferbak troffen we een vijftal tassen aan en kwam ons een weeïge lucht tegemoet.

Explosieven?
Met onze kennersblik en neuzen kwamen we al zeer snel tot de conclusie dat we hier niet met explosieven te maken hadden, maar met een grote hoeveelheid (100 kilo) hasj van zeer goede kwaliteit. Na het voertuig verder nog gecontroleerd te hebben op explosieven lieten we de auto en hasj overbrengen naar het hoofdbureau voor nader onderzoek. Voordat we de parkeergarage verlieten, vertelden we de dienstdoende bewaker dat de auto door ons in beslag was genomen. Op zijn vraag of er explosieven in de auto waren aangetroffen deden we heel geheimzinnig en beriepen we ons op ons ambtsgeheim. Hierdoor lieten we deze beste brave man enigszins in verwarring achter.

Bakkie leut
Zoals destijds gebruikelijk ging het reguliere politieleven gewoon verder en na ons verhaal aan de collega's verteld te hebben en een bakkie leut te hebben gedaan, gingen we weer rustig verder met onze surveillance.

In paniek gebeld
Omstreeks 02.00 uur schetterde het over de portofoon: "Mos, de bewaking van de Bijenkorf heeft in paniek gebeld. De eigenaar van die Engelse auto staat bij hem en wil zijn auto terug."
Cor en ik keken elkaar verbaasd aan. We konden niet geloven dat de eigenaar zich had gemeld. Indien jouw auto met 100 kilo hasj door de politie wordt meegenomen ga je toch niet zeuren dat je je auto terug wilt hebben?
En zeker niet als Engelsman zijnde, waar de straffen voor bezit en handel van hasj vele malen hoger lagen dan in ons landje. Gelukkig bevonden we ons niet al te ver van de parkeergarage en in gestrekte draf (zij die Cor en mij kennen weten dat dit een zeldzaam moment was) begaven wij ons wederom richting de parkeergarage.

Een gerust hart
Van alle kanten hoorden we ook al toeters en bellen aankomen van collega's die ook even kwamen kijken. Met een gerust hart liepen we de parkeergarage binnen en voor het hokje van de parkeerwacht stond een man. Er werd geen woord gesproken en voor hij het wist lag de man geboeid op de grond. Het bleek inderdaad de eigenaar te zijn van de auto. Trots als een pauw of als een beer met … brachten we de verdachte over naar het bureau. Dit was al met al een leuke vangst.

100 kilo hasj
100 kilo hasj met een verdachte erbij. Gebeurde zeker niet alle dagen!
Na alles uitgebreid op papier te hebben gezet was de nacht weer voorbij en droegen we de zaak over aan Joop en Eric van de recherche.
Circa twee jaar later zijn Cor, Joop, Eric en ondergetekende nog voor deze zaak naar Liverpool geweest om als getuige te worden gehoord. Dat is echter weer een ander verhaal met leuke belevenissen geweest!

'We zijn hem kwijt'

door Theo Evers
Tijdens een ochtenddienst bevond ik mij met enkele collega's in het bureau achter de plottafel.
Via de portofoon kregen wij het bericht van onze surveillanceauto dat zij achter een drugsdealer aanzaten.
De collega's gaven het signalement van de man door: een lange, donkergetinte man met een beige broek en een lange zwarte jas.
De man zou rennen over de rijbaan van de Beursstraat in de richting van de Warmoesstraat.
Met nog enkele andere collega's greep ik een portofoon uit het rek en rende de straat op in de richting waar de achtervolging plaatsvond.
Toen wij bij het Oudekerksplein aankwamen, gingen wij uit elkaar om de pakkans van de dealer te vergroten.
Wij hoorden direct hierop van de collega's in de surveillanceauto dat zij vastzaten in het verkeer en de dader uit het oog waren verloren. De laatste plek waar zij hem zagen was de Warmoesstraat, richting Oudekerksplein. Zij gingen verder met hun surveillance, jammer.
Wat zij niet wisten, was dat wij nog steeds in de buurt holden op zoek naar de dealer.
Toen ik bij de Sint Jansstraat was aangekomen, zag ik een man die aan het signalement van de dealer voldeed, rennen over de Sint Jansstraat in de richting van de Oudezijds Voorburgwal.
Omdat ik op dat moment alleen was, nogal buiten adem van het rennen, (hoezo conditie), de man absoluut niet wilde verliezen en niet de portofoon wilde gebruiken, besloot ik de man van achteren te bespringen. Ik woog toen (en nu iets meer dan) zo'n 90 kg schoon aan de haak en voor de man het in de gaten had, sprong ik hem vol in de rug.
Met een harde klap vielen wij hierna languit op het wegdek van de Sint Jansstraat, waarbij een grote hoeveelheid 'bolletjes' cocaïne over straat rolden. Voor de man het wist zat hij in de boeien, kwamen collega's ter plaatse en werd de dealer afgevoerd naar het bureau.
De bemanning van de surveillanceauto wist niets van deze aanhouding en kwam enige tijd later naar het bureau voor de aflossing.
Groot was hun verbazing dat 'hun' dealer in het bureau zat. Ze snapten er niets van, ze waren hem toch kwijt?

In de Rode Leeuwengang was het armoe oef

De Rode Leeuwengang.

door Erica van Beek
Ik leerde ze kennen in café Schiller, meer dan 12 jaar geleden. De zusjes B., joodse overlevenden. We kwamen daar maandelijks met een aantal andere oudere joodse mensen bij elkaar voor een gezellige middag. De middagen werden georganiseerd door Joods Maatschappelijk Werk en medewerkers en vrijwilligers leidden die middagen. Af en toe werd er iets voorgedragen, heel af en toe gezongen of gemusiceerd, maar bovenal was het een samenzijn van joodse mensen die de oorlog hadden overleefd. En die warmte zochten bij andere oudere joodse mensen met wie ze een verleden deelden. Niet helemaal en allemaal en dat zorgde ervoor dat de gesprekken nooit vervelend waren, want iedereen had veel te vertellen.

Deze gezellige middagen bestaan niet meer. We zijn waarschijnlijk uitverteld en uitgepraat en te oud geworden om de verhalen nog een keer te vertellen. De nummers, getatoeëerd op de oude armen, spreken en spraken voor zichzelf en wie die tatoeage niet had, had de eigen verhalen ook al minstens één keer verteld.
Ik herinner me de zusters B., van wie de oudste ook altijd verhalen vertelde. Ze woonde, als weduwe, op het Merwedeplein in Amsterdam-Zuid, waar de familie Frank voor de oorlog ook gewoond had. In goeden doen dus. En dat liet ze ook graag zien. Daar mocht ze ook best trots op zijn. Soms vertelde ze over haar kindertijd. En die was van een onvoorstelbare armoede. Er was ook een rijke tak van de familie, maar dat wist ze alleen van horen vertellen. Dokters en dergelijke, en die woonden onder meer in de rijke Sarphatistraat.

Eén meter brede gang
Ergens tussen de Rapenburgerstraat en de Valkenburgerstraat, vertelde ze, waar de huizen aan de begane grond net niet tegen elkaar aan gebouwd waren, was een smalle, ongeveer één meter brede gang ontstaan. Wel overdekt, omdat de eerste verdiepingen wel in elkaar overgingen. De gang had zelfs een naam, de Rode Leeuwengang. Aan weerszijden van de gang werd 'gewoond'. Door gezinnen. Boven woonden middenstanders; beneden aan de begane grond het armste van het armste deel van de bevolking.

Beeld uit de Kaarsjesgang, vlakjbij de Rode Leeuwengang.

Ze wist niet of die gang zo genoemd was omdat de kinderen B. rood haar hadden... Maar ze wist ook niet meer hoeveel kinderen daar leefden en of ze wel allemaal rood haar hadden... Zijzelf wel in elk geval. Ze was nog klein toen de oorlog begon en maar een paar kinderen hebben de oorlog overleefd. Als ik het goed heb onthouden waren dat er drie. Misschien vier.

Geen stromend water
Er was geen stromend water, geen toilet, er waren geen slaapkamers. Het hele gezin sliep in wat een 'kamer' werd genoemd, een overdekte ruimte waar de vloer altijd nat was en de familie op matrassen en 'dekens' bij elkaar op de grond sliepen. Zo vertelde ze ook dat er wel een tafel in huis stond, maar slechts twee stoelen. En hoe ze, toen ze groter werden, hun eten bij elkaar zochten op het Waterlooplein tussen het vuilnis dat de kooplieden daar 's avonds achterlieten. Omdat er ook geen geld was voor luiers, liepen alle kleine kinderen alleen in een hemdje. Daglicht zagen ze pas als ze erop uitgestuurd werden om eten te zoeken. De gang liep aan één kant dood en aan de andere kant stond een hek, dacht ze. Vader werkte op het Waterlooplein. Wanneer iemand hem aannam voor een klus dan verdronk hij het meeste van wat hij verdiende op datzelfde plein. Hoe moeder het toch altijd voor elkaar kreeg om de grotere kinderen 'netjes' naar school te laten gaan? Dat wist ze niet, maar dat ze allemaal luizen en vlooien hadden was een ding dat zeker was.

Anne Frankstraat
Het waren de verhalen die zij me vertelde. Ik sta dus niet in voor de volle waarheid, maar kan me die heel goed voorstellen. Zo groot was de armoede in die dertiger jaren, de crisisjaren van die tijd, wel degelijk. We kunnen het ons niet meer voorstellen. En die Rodeleeuwgang of Rode Leeuwgang bestaat niet meer. Kon ik op de oude kaarten ook niet meer terugvinden. Maar ik kan me goed indenken dat die op de plek was waar nu de Anne Frankstraat ligt.
De Valkenburgerstraat met in het verlengde de Foeliestraat is een snelweg naar de IJtunnel geworden, doorgaand verkeer naar en naar buiten de binnenstad. Ook de Rapenburgerstraat is, hoewel grotendeels opgeknapt en in de oude staat teruggebracht, heel erg veranderd. Ik noemde al de Anne Frankstraat. Maar het gebouw van het vooroorlogse Joodse Meisjesweeshuis in die straat staat er nog, al doet het nu dienst als appartementengebouw. De straathoeken worden verbonden door de foeilelijke gevel van het gebouw van de Nederlandse Film- en Televisie Academie.
Een stukje geschiedenis is nooit weg, vind ik. Mijn herinneringen aan haar zijn nog levendig in elk geval.
Tae ad quam dolo blam sunt, sus estios disit aciis

Kattenburg

door J.H. Philip
Naar aanleiding van het stukje over de drogisterij op Kattenburg kan ik u het volgende berichten. Volgens mij wordt met deze drogisterij de Fa. Last bedoeld.
Ik werkte in de jaren 50 bij de chemicaliënhandel A. v.d. Linden op de Bickersgracht. De Fa. Last was een klant van ons. Wij hadden een oude vertegenwoordiger bij ons in dienst die al de drogisterijen in Amsterdam lopend afliep. Dat was de heer B. Kanger.
Hij kwam één keer in de 14 dagen (op zaterdag) altijd bij deze drogisterij langs om orders op te halen.
Ik heb ook nog gehoord dat de Fa. Last vanwege slopen van het pand uitgekocht werd door de gemeente Amsterdam. Het bedrag wat toen geboden werd was volgens de Fa. Last veel te laag en hij heeft toen middels een advocaat een veel hogere prijs voor zijn pand gekregen.

Rozenhofje

door M. Jesterhoudt
Graag wil ik reageren op de opmerking over de ingang van het voormalige Rozenhofje op Middenweg 51. Vanaf 1956 tot 1970 heb ik op de Middenweg 51 gewoond boven de toenmalige VAB-garage. Maar de beschreven ingang heb ik nooit ontdekt.
Ik ben nu heel nieuwsgierig waar deze zich bevond. In de voormalige garage was wel een uitgang naar buiten die naar een fietsenstalling leidde; daar was ook een steegje dat je vanuit het slaapkamerraam op de eerste etage kon zien, maar dat liep dood tegen ons huis.

Trillen

door Jannie Booij
Ik kan me heel goed vinden in de bijdrage van Harry Slinger in de Amsterdamse Krant enkele maanden geleden over het feit dat hij de jongste thuis was (Kop boven artikel: 'Mijn lipje begon te trillen').
Ook ik ben de jongste van 4 kinderen; nou, dat heb ik geweten met twee oudere broers (helaas beiden overleden) en een oudere zus.
Ook mij probeerden ze altijd aan het huilen te maken, wat al heel snel lukte. Ze zongen dan heel meewarig en zielig het liedje: 'Roodborstje tikt tegen het raam' en voor dat ze de volgende regels zongen begon ook mijn lipje te trillen, ze vonden het prachtig en kwamen niet meer bij van het lachen!
Dat zijn herinneringen die vergeet je nooit meer, ook al is het al 60 jaar geleden!