De Amsterdamse Krant

30 april 2016

De Amsterdamse Krant 30 april 2016


'In de gaarkeuken hadden ze de lekkerste pap'

De soort tjalk waar Tiny Dragt op is geboren.

door Tiny Dragt

Tiny Dragt is voor de oorlog geboren op een tjalkje van 80 ton. Ze schreef naar aanleiding van ons verzoek een mooi verhaal over haar leven, met een prachtpassage over de Tweede Wereldoorlog.

In de mobilisatietijd was er niet veel werk en mijn vader wed te werk gesteld aan de Grebbeberg. Elke ochtend rond vier uur werd mijn vader door iemand met een sleepbootje opgehaald, die met zijn gezin op dat bootje woonde. Zijn vrouw dook dan zo bij mijn moeder in de kooi (!). Omdat het schip nogal ver van de wal lag, kon mijn moeder geen boodschappen doen. De melkboer bracht uitkomst. Als hij met zijn bootje langszij kwam, noteerde hij andere boodschappen, zoals naalden en stopgaren, en bracht die de volgende keer dan mee.

Someren
Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog lagen wij in het Brabantse Someren. Ik herinner mij nog dat wij daar in de nacht van 9 op 10 mei door soldaten werden gewekt. Wij moesten het schip verlaten omdat het leger zich ging ingraven langs het kanaal en werden met andere schippersfamilies ondergebracht in een boerenschuur, waar wij de ratten hoorden ritselen in het stro. Na de oorlogshandelingen mochten wij weer terug aan boord. Ik zag de Duitse vliegtuigen overvliegen en dat maakte veel indruk op mij als 5-jarige. Omdat de bruggen 's nachts waren opgeblazen moesten wij in Someren blijven.

Fietsen leren
Mijn vader ging weer werken in de werkverschaffing, totdat de vaart weer mogelijk was. Hij besloot in die tijd om te leren fietsen. Hij oefende op een boerenweggetje tot, o schrik, hij de pastoor inhaalde. Hij wist niet hoe te remmen. De keuze was de pastoor aanrijden of uitwijken naar een boom. Het resultaat: mijn vader hing aan een tak en zijn fiets lag in de sloot.

Difterie
Toen de sluizen en bruggen weer werkten gingen we weer varen. In het begin van de oorlog kreeg ik difterie.
De dokter kwam aan boord en gaf mij een injectie in mijn bil. Ik huilde niet, totdat mijn kleine zusje riep: "Bloed" en ja, toen was het brullen. Ik werd in een ziekenhuis opgenomen en daar lag ik in een bed met nog een ander kind, met mijn voeten bij haar hoofd. Er werd bij ons gestoomd om lucht te krijgen.
Tijdens het bezoek stonden de ouders buiten, want het was een besmettelijke ziekte. Het gekke was dat mijn zusje niet ziek is geworden, terwijl wij samen in één kooi sliepen.

Oorlogsvliegtuigen
Eens lagen wij in de haven van Hilversum toen oorlogsvliegtuigen bommen boven ons hoofd loslieten. Mijn vader greep mij en mijn zuster en ging met ons achter een grindhoop liggen. Gelukkig zeilden de bommen verder, maar we wisten niets van onze moeder, die was naar het distributiekantoor. Gelukkig kwam ze heelhuids weer aan boord. Ook kwam er een keer een V-1 over zeilen, waardoor het hele schip trilde. Die V-1 kwam op het ijs terecht waar geschaatst werd, dus daar vielen doden. In diezelfde haven gooiden Duitse soldaten handgranaten in het water, waarna een hoop dode vis kwam bovendrijven. Toen ze uitgevist waren, ging mijn vader met de roeiboot de overgebleven vis oppikken, waardoor wij dus een maaltje vis hadden.

De lekkerste pap
Ze hadden in de Hilversumse gaarkeuken de lekkerste pap. Wij hebben gelukkig in de oorlog geen honger geleden. Als schipper kwam je overal wel aan wat te eten. Soms ruilde je iets met een boer of kocht je bijvoorbeeld melk. Eens lagen wij aan de Amsterdamse markthallen, waar ook een dekschuit met aardappelen lag.

Stelen
Op een keer 's nachts kroop mijn vader onder het dekkleed dat over de aardappelen lag om wat te stelen, toen hij onverwachts in het donker een been te pakken had. Wat moest hij doen? Hij schreeuwde: "Nou heb ik je lelijke dief!" Die man begon te jammeren, maar mijn vader zei: "Stil maar, ik ben hier ook om te stelen." Ja, voor hetzelfde geld was het een wachtsman of zo geweest.

Naar school
In een zeer strenge winter lagen wij met andere schippers ingevroren in IJmuiden/Beverwijk. Daar gingen de schipperskinderen naar school. Elke schipper die nog wat kolen had, bracht die naar school zodat de kinderen toch in een verwarmde klas zaten. Mijn moeder ging daar naar de bibliotheek en haalde voor het hele gezin boeken. We hebben daar wat af gelezen.

Neck
Toen de oorlog tegen zijn eind liep, voeren wij via Amsterdam om naar het Noordhollands Kanaal te gaan. Tot mijn ouders vreugde lag daar in de Sas een familielid van ons die mijn opa aan boord had. Mijn opa was gevlucht uit Duitsland waar hij tewerkgesteld was. Omdat het zuiden al bevrijd was (waar hij was opgepakt), kon hij nog niet terug naar zijn vrouw en kinderen. Natuurlijk kwam hij nu bij zijn dochter en schoonzoon aan boord. We zijn toen naar het plaatsje Neck gevaren (achter Purmerend) om ons scheepje te verstoppen, want de Duitsers vorderden alles.
Onderweg klom mijn vader in een boom om daar takken vanaf te zagen. Tot zijn schrik kwam er ineens een colonne Duitse soldaten langs het Jaagpad marcheren. Gelukkig zagen ze hem niet en toen ze voorbij waren ging het zagen weer verder. Dat verse hout werd klein gezaagd en in een teil water gegooid; na een nacht zonk het dan naar de bodem en in dat vette water deed mijn moeder de was.

Diefstal

'De Slaapkamer van Vincent' was een van de schilderijen die in de nacht van 13 op 14 april 1991 werden gestolen uit het Van Gogh Museum. Twee uur later al werden de schilderijen teruggevonden en de daders kregen een gevangenisstraf. En op 20 mei 1988 ontdekten beveiligers om half vijf 's ochtends een ingetikt ruitje aan de zijkant van het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Het is een mooi moment om u te vragen of u herinneringen heeft aan een van deze twee diefstallen, op welke wijze dan ook.
Reacties kunt u mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Nieuwe raadplaat

We hebben weer een mooie raadplaat gevonden waarvan we denken dat deze niet heel moeilijk is. Vooral de onderdoorgang op de achtergrond is wel herkenbaar. We verwachten dan ook veel inzendingen en mooie verhalen uit deze buurt.
Uw inzending kunt u weer mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

2 / 8

In de hongerwinter zochten honderdduizenden Nederlanders eten.

'Met een fiets zonder banden
op pad om de honger te stillen'

door Joop Bonnemaijers

November 1944. Ik was intussen een jongen van vijftien jaar en had voortdurend honger. Een van mijn oma's in Utrecht had nog iets te eten. Hoe die boodschap bij ons kwam weet ik niet meer, maar met een fiets zonder banden en een koffer achterop ging ik naar haar toe. De fiets hield het niet lang uit op de hobbelende en slingerende keienweg van Amsterdam naar Utrecht. Ik zakte door het achterwiel en kon dus niet meer verder. Nu zou je mobieltje uitkomst kunnen geven, maar die hulpmiddelen lagen nog ver in de schoot der toekomst verborgen.

Veel mensen waren aangewezen op gaarkeukens.
Overal, ook in vuilnisbakken, zochten mensen eten.

Kapotte vehikel
Daar stond je dan en nog zo veel kilometers te gaan! Gelukkig kon ik in Baambrugge mijn kapotte vehikel ergens onderbrengen en ben ik verder naar Utrecht gaan lopen. Sjouwend met een zware koffer zag ik het somber in. Gelukkig doemde er een reddende engel op.
Onderweg kwam ik namelijk een man met een handkar tegen. Ik mocht mijn koffer op zijn kar leggen als ik die kar dan maar zou duwen. Dat was wel een hele klus voor iemand die nog nooit zoiets had gedaan. Het was een vermoeiende tocht.

In Utrecht
Zo kwam ik in Utrecht aan. Bij elkaar was die tocht over de toen bestaande wegen ongeveer vijftig kilometer! Het voordeel was dat je toen geen files handkarren had, zoals nu met de auto op de veel kortere snelweg van Amsterdam naar Utrecht wel het geval is. Maar ja, ik was zo gek die afstand te voet af te leggen. Als je honger hebt doe je dat wel.

In het begin was er bij mijn oma nog wel een hap eten te krijgen. Een van mijn tantes werkte bij de Centrale Keuken en kon, als zij wat karig uitdeelde, iets overhouden en mee naar huis nemen. Maar daar kwam al gauw een einde aan, zodat mijn grootmoeder ook bijna geen eten had. Dus na enige weken, een paar dagen voor de kerst, moest ik weer opkrassen en ben ik terug naar huis gelopen. Ik zag er wel tegenop om die slopende tocht weer over te doen. Openbaar vervoer was er helemaal niet, dus het moest wel.

Na spertijd op weg
Ik had mijn koffer weer bij me, maar daar was het hengsel van afgebroken. Met touw om de koffer hadden we een soort handvat gemaakt. Na spertijd gingen we op weg. Mijn opa liep met me mee om me een eind op weg te helpen. Over onze schouders hadden we een bezemsteel waar de kapotte koffer aan hing. We gingen door de donkere ochtend en konden haast geen hand voor ogen zien. Het was even na zessen. Daarvoor was het spertijd en mocht je niet op straat. Geen straatlantaarn of zo, want die brandden toen niet omdat er verduisterd moest worden. Onderweg kwam een politieagent op ons af. Hij wilde weten wat er in de koffer zat. Hij had een zaklantaarn bij zich en bij het licht daarvan moesten we het touw ontwarren en de koffer openmaken. Daar zaten dus geen 'contrabanden' in en de agent was tevreden. Ons in het donker achterlatend met een omgewoelde inhoud van de koffer ging hij weg. Wij moesten zonder licht maar zien hoe we de zaak weer wat op orde konden brengen met die touwen, het handvat en die bezemsteel.

Ik stelde mij op
Bij de Amsterdamsestraatweg in Utrecht stelde ik mij op in de hoop weer iemand met een handkar te zien. De koffer die lange tocht zo dragen zou echt niet gaan. Zoals begrijpelijk werd er in die tijd veel gebruikgemaakt van een handkar, omdat er praktisch geen andere middelen waren om dingen te vervoeren.
Reikhalzend stond ik dus uit te kijken dat iemand ermee aan kwam rijden. Ja, daar was hij en de man vond het goed, als ik dan ook maar zou duwen. Nu had ik een paar weken daarvoor bij wijze van spreken al geoefend tijdens die eerste handkarrentocht, dus ik stortte me achter het vervoermiddel en we gingen op weg.
Gezegd moet worden dat deze man zo af en toe met mij wisselde. Hij was sportief, wat ik van die ander niet kon zeggen. Die profiteerde alleen maar van mij.

Bij Abcoude
We kwamen bij Abcoude aan. Ik kon niet meer. Ik zei tegen de man van de handkar dat ik ermee stopte. "Laat me hier maar staan, bij die boerderij."
De koffer zetten we op de straat en de man ging alleen verder. Ik had dorst en niets te eten. Bij het woonhuis klopte ik aan en vroeg of ze wat te drinken voor mij hadden. Op barse toon werd dat geweigerd en de deur werd voor mijn neus dichtgegooid. Nee, erg vriendelijk was deze man niet. Maar er zijn ook andere mensen, zoals bleek. En juist die het minder hebben. Ik liep terug om weer naar de weg te gaan. Uit een schuur op de deel kwam een vrouw die zei dat ik bij hun wel even wat kon krijgen. Het was hartstikke koud, want het vroor dat het kraakte en ik was blij dat ik daar even naar binnen mocht.

Een gezin uit Zeeland
In die schuur zat een gezin dat uit Zeeland afkomstig was. Door de oorlog verdreven. Vluchtelingen eigenlijk. Zelf in moeilijkheden, maar toch oog voor een ander. Dat kon je van die boer in dat statige huis even verderop niet zeggen! Ik kreeg een paar boterhammen en een beker hete melk. Hierna ging ik weer aan de weg staan.

Ik had geluk
Ik had geluk. Een man met een paardenwagen kwam eraan. Ik mocht met hem meerijden op de bok. Alleen ging hij niet naar Amsterdam maar naar Ouderkerk aan de Amstel. Ik rekende vlug uit dat Ouderkerk dichter bij Amsterdam lag dan Abcoude. Het scheelde vier kilometer, dus vooruit maar. Hij moest op een boerderij zijn en ik kon mijn koffer daar wel even stallen. De laatste kilometers naar huis zouden voor mij, als intussen geoefend globetrotter, een peulenschilletje geweest moeten zijn als ik niet zo pijn aan mijn voeten had. Mijn schoenen waren stuk en ik had van het lopen open blaren aan mijn voeten. De straten waren glad van de vorst en ik was natuurlijk bekaf. Ik gleed af en toe bijna onderuit. Twee meisjes die achter mij liepen, lachten me erom uit. En dat komt niet zo prettig over voor een jongen die op weg is man te worden! Nog net voor spertijd, die 's avonds om acht uur begon, was ik thuis. Ik had een barre tocht achter de rug. En ik kon blije gezichten maken, want in mijn koffer, die ik dus nog niet bij mij had, zat een geslacht konijntje dat ik van mijn oma had gekregen. Dat vertelde ik mijn ouders.

De volgende dag ben ik samen met mijn zusje met een kinderwagen van buren de koffer op gaan halen. Dus weer een lange tocht, van de Pieter Langendijkstraat naar Ouderkerk en terug. Weer lopend en nog steeds met die zere voeten. De afstand naar Ouderkerk aan de Amstel was acht kilometer, dus heen en weer zestien!
Thuis was het al niet veel beter. Je was weer bij elkaar, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

(Dit verhaal komt uit het boek 'Dertigduizend dagen' van Joop Bonnemaijers. ISBN: 9789491080654)

Er was geen smaak aan pulpkoekjes

door Piet Veenboer
Geboren in september 1938 herinner ik me weinig van de Tweede Wereldoorlog. Ik was toen bij het begin twee jaar; alleen de laatste twee jaar van de oorlog staan me voor de geest in de vorm van de volgende herinneringen:

Pulpkoekjes
Ik kan me nog enigszins de smaak van deze koekjes herinneren. Smaak? Er was geen smaak aan, want er was natuurlijk geen sprake van bijkomende specerijen om de smaak iets te verstevigen.

Accu's
Wij gingen regelmatig naar familie in de Lumeystraat. De broer van mijn vader - VARTA-vertegenwoordiger - had daar een aantal accu's neergezet voor gebruik voor de hele familie.

Balboaplein
Op dat plein waren toen tientallen vrachtwagens geparkeerd. Duitse of Nederlandse? Wat ik wel weet uit de boekjes van Kees Fens dat er op de drie grote scholen veel militairen gestationeerd waren.

Paarden
Regelmatig werden tientallen paarden begeleid op het Columbusplein. Waar ze vandaan kwamen, was mij niet bekend, maar ik wist wel, dat er in de Cabralstraat een paardenslager gevestigd was; maar of dat de reden was?

Puls
Tegenover ons huis op het Columbusplein was met grote letters geschilderd: PULS-VERHUIZINGEN. Na de oorlog werden deze letters met witte verf overgekalkt. Die kalk ziet er nu - 2016 - nog op.

Gaarkeuken
Met een bonkaart om mijn nek ben ik meerdere malen wezen eten in het parochiehuis tegenover de kerk in de Chasséstraat. We kregen daar schillensoep (ook wel lawaaisoep genoemd). De schillen hoefde je niet te eten, maar wel de soep. Deze soep kwam uit de gaarkeuken op het Magelhaensplein uit een soort draaiende cementmolen en ongetwijfeld werd er méér dan schillensoep gemaakt. Na de oorlog werd het gebouw gebruikt door een breinaaldenfabrikant.

Wuiven
Op de hoek van de Willem Schoutenstraat en de Hoofdweg heb ik aan de hand van de buurman nog staan wuiven naar de intocht van de Canadezen.

Bunkers
Alle bunkers zijn verdwenen, maar op diverse plaatsen op het eiland Texel zijn ze nog steeds zichtbaar. Wij komen daar vaak en het valt nog steeds op.

Ajax' Joodse stervoetballer Eddy Hamel kwam om in Auschwitz

In het Ajax van voor en nog even in de Tweede Wereldoorlog speelden onder anderen de Joodse sterspeler Eddy Hamel en Harry Pelser. Hamel – bijnaam Belhamel – is de enige Joodse speler van Ajax die omkwam in Auschwitz, terwijl Pelser na de oorlog is veroordeeld wegens collaboratie met de bezetters. Verder kunnen twee voetballers binnen één vereniging niet van elkaar af staan.

Eddy Hamel werd in 1902 geboren in New York en emigreerde rond zijn 18de naar Nederland waar hij als snelle rechtsbuiten lid werd van AFC en vrij snel erna bij Ajax belandde. Tussen 1922 en 1930 speelde hij 125 officiële wedstrijden in het rood-wit, waarbij hij zich ontpopte als een publiekslieveling. Zijn voormalige ploeggenoot en international Wim Anderiesen noemde Eddy een van de beste spelers waarmee hij ooit gespeeld heeft, maar vanwege zijn relatief hoge leeftijd (zo wil de overlevering) werd hij niet geselecteerd voor het Nederlands team.
Daarna was het ook snel gebeurd bij Ajax, zij het dat hij erna nog wel speelde in het veteranenteam van de Amsterdamse voetbalvereniging. Gelijktijdig was hij - drie jaar - coach van Alcmaria Victrix in Alkmaar en aansluitend werd hij trainer van de Amsterdamse voetbalvereniging HEDW (zie kader).

In Zuid
Hamel woonde niet in de traditionele Jodenbuurt in de stad, maar in het chique Zuid, waar hij was getrouwd met Johanna Wijnberg met wie hij op 18 april 1938 de tweeling Paul en Robert kreeg. Na het begin van de Tweede Wereldoorlog mochten Joden al snel geen lid meer zijn van een sportvereniging en in 1941 werden alle Joodse leden van Ajax geroyeerd, onder wie Hamel. In oktober 1942 moest het gezin zich melden in Westerbork, waar zij terechtkwamen in een speciale barak met Britse en Amerikaanse staatsburgers die in principe voor uitwisseling in aanmerking kwamen. Maar zover kwam het niet, want Hamel had zijn paspoort niet bij zich. In januari 1943 werd het gezin naar Auschwitz gedeporteerd, waar Johanna, Paul en Robert onmiddellijk de dood in werden gejaagd. Eddy zelf werd als dwangarbeider tewerkgesteld in Birkenau, waarna ook hij naar Auschwitz werd getransporteerd, waar hij op 30 april 1943 is omgekomen. Eddy Hamel staat te boek als de enige Joodse speler van Ajax die is omgekomen in de oorlog. Een andere Joodse speler, Johny Roeg, overleefde de oorlog door onder te duiken.

Harry Pelser
Het verhaal gaat dat Eddy Hamel nog samen heeft gespeeld met de eveneens vaardige middenvelder Harry Pelser, maar dat is onwaarschijnlijk want Pelser was 18 jaar ouder en debuteerde in 1939 voor Ajax. Beiden waren in die jaren wel gelijktijdig lid van de club. Harry Pelser kwam uit een echte voetbalfamilie (vader Joop en diens broers Jan, Adriaan en Fons hadden hier ook gespeeld) en in 1939 maakte hij zijn debuut in het eerste. Hij was toen al lid van de NSB, waarbij vooral zijn moeder Maria zich als een fanatiek aanhangster van de ideeën van leider Anton Mussert ontpopte.
De bekering tot de NSB zorgde ervoor dat het de arme familie Pelser al snel financieel beter ging. Harry werd boekhouder bij de beruchte bank Lippmann, Rosenthal & Co, (beter bekend onder de afkorting LiRo, ook zijn vader Joop werkte hier) dat onder andere de woningen van weggevoerde Joden taxeerde. Harry was niet zo fanatiek als zijn broer Jan, die zich aanmeldde bij de Waffen-SS waar hij later deserteerde en onderdook. De iets meer gematigde Harry Pelser meldde zich bij de WA, de geüniformeerde afdeling van de NSB. Pas in februari 1945 zegde hij het lidmaatschap van de NSB op om zich, volgens eigen zeggen, te bekeren tot het katholieke geloof.

Aardappels rooien
Harry meldde zich op 12 juli 1945 vrijwillig op het politiebureau, waarna hij te werk werd gesteld in het interneringskamp aan de Levantkade. Later moest hij verplicht aardappels rooien in de Noord-Oostpolder. Na 14 maanden gevangenschap kwam zijn zaak voor bij de rechtbank Bijzondere Rechtspleging. Mede doordat hij erg jong (13) was toen hij lid werd van de NSB en het gegeven dat hij nooit actief heeft deelgenomen aan activiteiten, kon hij op 6 september 1946 naar huis.
Hij had het plan om weer bij Ajax te gaan voetballen, maar anders dan in de oorlog stelde Ajax nadien geen prijs op voetballers die in de oorlog fout waren geweest. Een speciale Zuiveringscommissie bepaalde dat zeven spelers geen lid meer mochten zijn. Pelser wachtte daar niet op en bedankte zelf voor de eer. Hij ging cricket spelen. Pas veel later werd hij weer lid van Ajax en in 1988 ontving hij een gouden speld vanwege het 50-jarig lidmaatschap.

'Hier woonde Carel Willink'

In de Amsterdamse Krant publiceren we altijd de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland of die lezers hebben ingestuurd, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen.
De raadplaat in de vorige editie was van Gielijn Escher en is gemaakt in 1923. Eerlijk gezegd hadden we niet heel veel reacties verwacht, maar dat viel heel erg mee.

Gielijn Escher schrijft zelf wat er op de foto te zien is: "De foto is van een vrijstaande villa aan het water (schuin tegenover het Rijksmuseum), 1923. We staan op de Stadhouderskade, ergens tussen het Rijksmuseum en het Museum Hotel. Aan het water van de Singelgracht zien we de achterzijde van een der vrijstaande villa's aan de Weteringschans (even zijde). De doorkijk tussen villa en aanplakbord geeft zicht op de gesloten gevelwand van de oneven overzijde."

"Uiteraard is het aanplakbord interessant, omdat daarop diverse affiches te herkennen zijn die een nauwkeurige datering vergemakkelijken. We zien affiches voor o.a. de TABA tabakstentoonstelling en het sigarettenmerk ORIENTO, alsmede twee biljetten voor pianorecitals door de thans vergeten, maar indertijd fameuze pianisten SUSANNE MORVAY en KAROL SZRETER. Ook toen al kwamen beroemde klavierleeuwen graag in het Concertgebouw spelen!"

Albert Carel Willink
Gielijn voegt eraan toe dat de foto uniek is en dat er geen beeld van in de Beeldbank van Amsterdam is te vinden. Dat klopt, althans: niet exact hetzelfde beeld. Maar we kregen wel reacties en foto's met ander beeld van het monumentale pand. Zoals van 'de Mollen en de Koningen' die schrijven: "De raadplaat van deze keer laat de Weteringschans 20-22 zien, gezien vanaf de Stadhouderskade. Op de voorgrond zien we de Singelgracht. Rechts zien we de zijgevel van Weteringschans No. 24. Er staat een vrijwel identieke foto van de schilder Albert Carel Willink, die vroeger op de Ruysdaelkade woonde, op Beeldbank. Opzoeken in de Beeldbank zou geen zin hebben volgens Gielijn Escher, maar een vergelijkbare opname komt er wel degelijk in voor!"

Mathilde Willink
Mieke Cornelissen-Steevens haalt ook Carel Willink en zijn vrouw Mathilde aan: "De fotograaf van de raadplaat staat volgens mij op de Stadhouderskade. Achter hem zie je het karakteristieke pand dat staat op de Weteringschans, waar de extravagante muze van de schilder Karel Willink woonde tot aan haar dood in 1977: Mathilde Willink. Zij droeg de jurken van de modeontwerpster Fong Leng. Haar dood zorgde in die tijd voor veel ophef."

Nog meer Willink
Theo Bakker: "Dit is Weteringschans 20-22, gezien vanaf de Stadhouderskade. Carel Willink heeft dit dubbelhuis ook gefotografeerd (Beeldbank SAA) en mogelijk in een van zijn schilderijen verwerkt. Deze huizen mochten blijven staan. Dat geluk was niet weggelegd voor Groot-Banda en Banda Neira op nr. 26-28. Die zijn vervangen door de 'peper-en-zoutpanden', die lelijke grijze bunkers bij de Museumbrug."

Achterkant
Anneke Huijser stuurt dezelfde plaat met de volgende reactie: "Dit is een foto van een van de huizen aan de Weteringschans, dat wil zeggen de achterkant ervan, gezien vanaf de Stadhouderskade. Hierbij een foto van hetzelfde pand, gevonden op de Beeldbank van het Stadsarchief."

Brand gesticht
Wim Vonk schrijft ons: "Volgens mij is dat een gebouw op de hoek van de Weteringschans gezien vanaf het Rijksmuseum op de Stadhouderskade. Ik kwam daar dagelijks langs als wij naar school gingen op de Stadhouderskade; dat was in de jaren 55/65. Later is dat gebouw in verval geraakt en werd door van alles en nog wat gepeupel 'bewoond' totdat er brand gesticht werd. Nu staat er een foeilelijk gebouw waar iets Russisch in zit."

Gesloopt pand
Maarten Hodde: "Volgens mij is de raadplaat een gesloopt pand waarvan de entree aan de Weteringschans was en de achterkant aan het water van de Singelgracht/Stadhouderskade, tegenover het Rijksmuseum. Er staat nu lelijke nieuwbouw, ook al weer geruime tijd."

Achterzijde
"Dit is de Weteringschans vlak bij de brug naar het Rijksmuseum", laat Bertus Stoeltjes kort en bondig weten. En Anne Sieveking-Hoogendijk schrijft: "De nieuwe raadplaat in de Amsterdamse Krant is een foto genomen vanaf de Stadhouderskade ter hoogte van de P.C. Hooftstraat, naar de achterzijde van de huizen aan de Weteringschans."

Stadsvernieuwing
Mike Man is een trouw speurder en weet het soms wel en soms niet. De vorige keer was het een niet, maar hij is nu dolblij dat het een wel is. "Zo aangetast als ik was in mijn Amsterdamse eer door het niet kunnen vinden van de juiste oplossing van de vorige raadplaat, zo fijn vind ik de sensatie van herkenning van de nieuwe. Herkenning omdat ik mijn middelbare schooltijd in Oud-Zuid heb doorgebracht en veel in die buurt vertoefd heb. Veel plekken staan toch nog voor altijd in mijn geheugen gegrift, zelfs als het huidige stadsbeeld door sloop of stadsvernieuwing, terecht of niet terecht, grondig is gewijzigd!"
"Volgens mij stond de fotograaf op de Stadhouderskade, met zijn/haar rug zo ongeveer naar de Jan Luijkenstraat/P.C. Hooftstraat, met de camera gericht op de achterzijde van de huizen van de Weteringschans. Wat een rust op de nu zo drukke verkeersader. Ben nu al benieuwd naar de nieuwe raadplaat!"

Niet mijn smaak
Maaike de Graaf twijfelt, maar heeft het wel bij het rechte eind: "Honderd procent zeker weet ik het niet ,maar ik denk dat dit de achterzijde van de panden (een dubbele villa) aan de Weteringschans 20-22 is gezien vanaf de Stadhouderskade."
"Met enige regelmaat kom ik met de fiets onder het Rijksmuseum vandaan gereden en dan zie ik ze aan mijn linkerhand. Ik vind het een prachtig pand, alsmede de panden die rechts en links van deze dubbele villa staan. Helaas zijn de zgn. 'peper-en-zoutpanden' even verderop (Weteringschans 26 en 28) niet mijn smaak en vind ze ook niet passen in het stadsbeeld van dit stukje Amsterdam zo tegenover het prachtige Rijksmuseum, maar dat terzijde."

Heel makkelijk
"Deze is wel heel erg makkelijk", schrijft Hans van Elteren. "Het is het pand aan de Weteringschans 22 te Amsterdam, gezien vanaf ongeveer de hoek van de Jan Luijkenstraat op de Stadhouderskade." Peter Smit noemt de raadplaat ook een makkie: "Het is de Stadhouderskade (met achter je het Rijksmuseum."
En Eddie van Dijk: "Volgens mij is de foto genomen vanaf de Stadhouderskade gezien naar de Weteringstraat. De villa op de voorgrond zou dan een van de vele villa's zijn die aan de Weteringschans stonden. Zo kan ik mij dat nog herinneren.

Niet goed
"Volgens mij is het adres van de raadplaat Museumplein en volgens mij weet ik dat omdat wij met de schoolbus als we naar het museum gingen altijd langs dat gebouw kwamen", aldus Robbert van Mourik.
Jan Riesenbeck houdt het op Paradiso en Rinus Stappers weet het niet zeker: "Ik wil een poging doen om de raadplaat te raden. Volgens mij is het de straat tussen Weteringplein en Leidseplein. De achterkant van de huizen van de Stadhouderskade en ik dacht dat je rechts een gedeelte van Paradiso kan zien. Door dat gedeelte reed lijn 10. Ik dacht: ik probeer het eens, maar het viel niet mee."

Herman van Montfoort vond het allemaal niet zo lastig. Hij is warm, maar heeft het niet helemaal bij het rechte eind: "Dit is een zeer bekende plaats. De foto is genomen vanaf de Stadhouderskade richting Sarphatikade. Rechts is de Amstel. Achter het reclamebord is nog een stukje van het Amstelhotel te zien. Op de hoek van de Amstel was vroeger dansschool Van Linge."

Gerard Jansen voegt toe: "De raadplaat van de uitgave 15-04 is volgens mij bij het Leidsche Bosje. De fotograaf staat met zijn rug bij de ingang van het Vondelpark. Op de foto zie je de Singelgracht met op de achtergrond het Lido, destijds een zeer bekende uitgaansgelegenheid. Uiterst rechts kun je nog net het dak zien van het Parkhotel."

En Fred Glasius meldt: "Volgens mij is het gebouw op de achtergrond Hotel L'Europe aan de Amstel/Rokin, tegenover De Munt." Op dat spoor zit trouwens ook Marianne van den Heuvel-Boersma.

Nazit
Tot slot hebben we in de nazit de reactie van 'de Mollen en de Koningen' op de vorige raadplaat. "De raadplaat van deze keer komt ons wel zeer bekend voor! In het bijzonder het bordje met 'Tramhalte' erop, de hoek waaronder de gebouwen staan opgesteld en de zwarte auto doen ons besluiten dat deze raadplaat al een keer geweest is. Het is overigens niet de Lomanstraat, daar heeft Jaap Bijl gelijk in, maar deze raadplaat is echt al een keer geweest."

Nieuwe raadplaat

We hebben weer een mooie raadplaat gevonden waarvan we denken dat deze niet heel moeilijk is. Vooral de onderdoorgang op de achtergrond is wel herkenbaar. We verwachten dan ook veel inzendingen en mooie verhalen uit deze buurt.
Uw inzending kunt u weer mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Het Catharinahofje

29

De hoofdingang van het Catharinahofje ligt aan de Overtoom 224.

door Jos en Frits Mol, Adrie de Koning

Ligging en ouderdom
Het Catharinahofje is gelegen aan het Overtoom 224. Het hofje is gesticht in 1889 door zus en broer Alida Catharina Margaretha en Gerrit Fikkert Jansz. en het gebouw is gereedgekomen in 1906. De architect was Posthumus Meyjes sr. die het gebouw in neorenaissancestijl optrok.

Bijzondere kenmerken
In de poort is een tegeltableau aangebracht met de tekst: 'Soli Deo Gloria anno 1906'. Oorspronkelijk bestond dit hofje uit vier inpandige huisjes, gelegen achter de woonhuizen van de Egelantiersgracht. Je kon het hofje bereiken langs een smalle gang onder de trap van de nummers 201/203 en 213/215. Deze smalle gang werd ook wel Vierhuizengang genoemd, naar de vier huizen aan de gracht. De Overtoom werd net gedempt in 1906 en op de daardoor ontstane bouwgrond verrees het Catharinahofje, dat een van de voornamen van de stichteres Alida Fikke kreeg. Daarna is het hofje overgegaan in de nog steeds bestaande Stichting Het Catharinahofje. Boven de poortingang was de regentenkamer gevestigd, waar vroeger de regentes woonde die van daaruit een goed overzicht over de bewoonsters had. Later is de regentenkamer omgebouwd tot extra woonruimte. De huisjes zijn links achter het poortgebouw gelegen en daartegenover ligt de tuin. Aan de rechterkant van het poortgebouw ligt het huis van het beheerdersechtpaar. Wat heel bijzonder is zijn de nog steeds bestaande beerputten die eens per jaar moesten worden geleegd (dat is nu verleden tijd). In de gang naar de vroegere regentenkamer hangen daarvan nog de ingelijste tekeningen.

Doelstellingen
Het hofje was bedoeld voor elf ongehuwde oudere vrouwen van Nederlands-Hervormde huize. Er werd tevens aan hen een uitkering verstrekt. Aanvankelijk stond het aan de Egelantiersgracht, maar het verhuisde in 1906 naar de Overtoom. Hier woonden naast oudere vrouwen ook leerlingen die de opleiding tot vroedvrouw volgen. Het hofje omvat twaalf woningen die zich op het binnenterrein bevinden.

Toegankelijkheid
Het Catharinahofje wordt tegenwoordig bewoond door ongeveer tien vrouwelijke studentes en een beheerster met haar gezin. Het hofje is daarom afgesloten en niet toegankelijk voor bezichtiging.

Bestel maar raak

Voor verzamelaars die niet veel op straat komen bieden postorderbedrijven en webwinkels uitkomst. Zij maken het de consument vaak wel heel erg gemakkelijk. Uitzoeken, bestellen, ontvangen en betalen... of niet?

In de Kanaalstraat in Amsterdam-Oud-West woonde een oude dame die haar kleine benedenwoning vol had staan met kasten, bedden, matrassen, tafels, stoelen en boeken. Die spullen stonden echter niet uitgestald, maar zaten stuk voor stuk nog in de verpakking. Alles zat in grote kartonnen dozen of in plastic, hoog opgestapeld tegen alle wanden van elke ruimte in haar huis. Tot in de badkamer toe. Het leek wel een magazijn van Ikea. De meegestuurde facturen zaten vaak nog in het plastic op de dozen geplakt. Mevrouw was blijkbaar niet in staat geweest om de spullen te betalen of terug te sturen. De reden dat ik in haar woning ging kijken was overigens niet deze extreme verzameling, maar de stank van een twintigtal katten dat ze in haar woning hield. Er was geen enkel stukje vloer vrij voor het plaatsen van kattenbakken. Overal lag stront. Op de vloer; in, op en tussen de vele dozen, die weer waren stukgekrabd door de katten. De dozen moeten er jaren hebben gestaan. Bij sommige pakketten was het karton er door de kattenpis voor de helft vanaf geweekt. Ik kwam erachter dat mevrouw ooit van plan was geweest om haar woning opnieuw in te richten, maar dat ze geen keus kon maken, dus bestelde ze steeds weer opnieuw. En daarna was er geen weg meer terug. Uiteindelijk moest de woning leeggehaald worden vanwege de stank en het verzakken van de vloer. Ik vond het een raar gezicht dat eigenlijk goede spullen die nog nooit waren gebruikt zo vies en stinkend werden weggegooid.

Dit fenomeen heb ik overigens vaak gezien; veel bestellen bij postorderbedrijven en niet meer terugsturen. Natuurlijk lagen er vaak brieven en aanmaningen over de spullen die men in bezit had, maar het zal niemand verbazen dat deze uiteindelijk door de verzamelaars nooit werden geopend, laat staan gelezen. Je kunt je afvragen waarom postorderbedrijven niet eerder aan de bel trekken of een deurwaarder sturen. Dan zou een deel van de verzamelaarsproblematiek veel eerder aan het licht komen. Ze doen dat echter bewust niet. Hoe meer aanmaningen, hoe meer de prijs oploopt, en hoe meer een postorderbedrijf eraan verdient als een wanbetaler uiteindelijk toch betaalt. Tja, de een zijn brood is de ander zijn...

Overpeinzingen van een dienstleider

Van Jos Wiersema, initiatiefnemer van het Geheugen van de Amsterdamse Tram (www.amsterdamsetrams.nl), hebben we toestemming om artikelen van deze site mee te nemen in de Amsterdamse Krant. Dat geldt ook voor de rubriek van Tom Mulder. We hebben de afgelopen periode al veel verhalen gepubliceerd, met name van echte kenners en 'tramgekken'. De komende periode plaatsen we reacties van enthousiaste lezers van de site die voor lezers van de Amsterdamse Krant ook vaak een feest van herkenning zullen zijn.

door: Valiant (oud-medewerker GVB)
Toen we nog een open mobilofoonsysteem hadden konden we elkaar ontvangen; zo ook de berichten van de centraalpost (CP).
Nu hoor je niets meer en weet je niet wat er aan de hand is in de stad en kun je er niet alvast op inspelen. Dat vinden ze ook niet nodig, dat regelt de CP wel voor je.
De trambestuurders kregen een bericht op de mobilofoon door van de centraalpost dat er een aanrijding had plaatsgevonden op de brug van de Leidsekade en dat daardoor de route gestremd was voor de lijnen 1, 2 en 5. Nadere mededelingen zouden volgen.
Er waren op dat moment diverse lijnen in de Leidsestraat aanwezig en deze bleven netjes op de halte staan wachten.
Het bericht waar wij op zaten te wachten kwam door en er werd gevraagd wie er op de halte Prinsengracht stond richting stad uit.
Dat was een lijn 1/4 die zich meldde.
Er werd het volgende gezegd: "U gaat naar het Leidseplein en daar gaat u linksaf naar de Weteringschans en via de brug bij het Rijksmuseum rechtsaf langs het Parkhotel zo weer op route."
Het was een tijd stil toen de 1/4 de CP opriep en op contact wachtte.
De CP riep: "1/4, zegt u het maar."
De 1/4 vertelde de CP dat hij op het Leidseplein was aangekomen en wat er nu van hem verwacht werd.
De CP gaf aan dat hij daar linksaf moest gaan; dat was toch niet zo moeilijk?
De 1/4 vroeg heel minzaam of het de bedoeling was dat Weg en Werken er nog bij moest komen om dat hij daar niet linksaf kon; er was geen bocht naar links.
De CP kwam meteen terug met de vraag: "Kunt u daar niet linksaf en waarom dan wel niet?"
De 1/4 antwoordde: "Er ligt hier geen bocht om linksaf te gaan; er is namelijk geen rails."
Het bleef een hele tijd stil totdat er een andere bestuurder heel subtiel mededeelde: "En dat is nu de overpeinzing van een dienstleider."
Aan de stem te horen was het de chef die altijd met een stokje onder zijn arm liep. Hij was de laatste die het oude uniform nog droeg met die grote mattenkloppers op de mouwen, zodat je goed kon zien dat hij hoofdinspecteur was.
We hadden ook een liedje over hem: Olleke Bolleke Ru Bezolleke.
Ach, het was nog een chef van de hele oude stempel: wist hij veel.

Zwarte drek

door Valiant
Hallo, ik ben al met pensioen, maar een van de voorvallen die ik meegemaakt heb, vergeet ik nooit meer.
In de periode dat het Damrak en het Rokin voor de laatste keer werden geherstructureerd, had ik ter beschikking en moest een ritje rijden op lijn 16 voor een collega die verzuim had gekregen.
Op naar de Stadionstraat en daar de wagen overgenomen.
Bij het Valeriusplein stonden enige passagiers te wachten die met me mee wilden. Zo ook een keurige heer in grijs pak, een mooie donkerblauwe trenchcoat aan en met hoed op; wat later bleek hij een chirurg te zijn van de V.K.
Hij moest de trein halen op het CS op een bepaalde tijd en of ik dat nog haalde.
"Dat weet je nooit in Amsterdam," gaf ik als antwoord, "maar ik zal mijn best doen."
Hij betaalde met een rijksdaalder - een kaartje kostte toen een gulden - en de rest was voor de koffie; dank u wel.
Ik was de Munt al genaderd en zag dat er een file trams stond: vijf meter rijden, drie minuten staan en zo sukkelden wij naar de Dam, maar daar lag het Damrak open voor het beursgebouw; het was nog een stuk gracht, het laatste open riool.
Wat je voor je zag was de rail en aan de rechterkant 25 centimeter asfalt en dan steil naar beneden, vier meter lager, zwarte prut van een meter dik.
En toen begon het.
"Laat me eruit, bestuurder."
"Dat mag niet, mijnheer."
"En ik wil eruit, kerel." Loeiendkwaad, het schuim op zijn mond!
Dit gaat fout, dacht ik. Ik stond weer stil: file. Dan er maar uit voor ik klappen krijg en ik drukte op de zwarte knop van de voordeur.
En op dat moment dacht ik: o God, dat kan niet.
Te laat.
Ja hoor, de tram uit en vier meter naar beneden in de zwarte drek.
In dat open riool waren ze bezig met een kleine dragline en met dat bakje hebben de werkmensen hem aan de overkant op het beursplein eruit gezet. Daar waren personeelsleden van de gemeente het plein aan het schoonspuiten en dat hebben ze bij hem toen ook gedaan. Ik hoef u niet te vertellen hoe die mijnheer eruitzag.
De volgende dag had ik een M.C.-vergadering en in de vergadering werd ik even apart geroepen door de directeur, die mij vertelde dat ik dat nooit meer mocht doen.
Hij kon er niets mee, want als hij eruit wilde en ik de deuren niet had geopend was dat wederrechtelijke vrijheidsberoving en dat is bij wet verboden.

De remise uit

door Cees Pot
De passage over de afgevoerde Unions bij een boerderij aan de Middenweg laat mij terugkeren naar een mooie zondagochtend in september 1953. Ik voetbalde toen in de adspiranten bij Swift en was reserve bij een wedstrijd bij en tegen VVA. Dat had toen een bijveld op het terrein van de Markthallen, waar de kleedgelegenheid bleek te bestaan uit een oude tramwagen van het type Union (dat laatste wist ik toen uiteraard nog niet). Ik herinner me nog duidelijk de twee grote boogramen en de langsbanken, waar amper plaats was voor vier (!) elftallen. Ik heb trouwens nooit kunnen achterhalen welke wagen dat geweest is.
Jouw blik in de remise Linnaeusstraat roept bij mij herinneringen op aan de Havenstraat, waar je zittend op de rechterpilaar naast de ingang een mooie blik had op de remise (met in- en uitrukkende trams) en op het Station Haarlemmermeer, waar toen de trein nog reed.
Bij de remise was het de kunst om, je vastklampend aan de blinde kant van een inrukkend tramstel, mee te rijden de remise in. Op die manier kwam ik een keer terecht bij een tweelingstel van lijn 18, waar ik stond te kijken toen er ineens een werkman tevoorschijn kwam, die me toeriep wat ik daar verd... deed. In een ren was ik de remise uit, harder dan ik ooit gelopen had.

Waarom wel en waarom niet

Foto: Tom Mulder

Waarom heeft het zo lang moeten duren voordat lijn 2 werd verlengd naar respectievelijk Slotervaart en Nieuw-Sloten? Nieuw-Sloten is te begrijpen maar Slotervaart niet. Alle bewoners van Slotervaart-Zuid waren er al jaren! Waarom ging lijn 13 pas in de jaren 70 naar Geuzenveld en niet 20 jaar eerder? Waarom ging lijn 14 niet eerder naar Slotermeer?

Waarom keerden tramlijnen pas in de tachtiger jaren terug op de Admiraal de Ruyterweg, terwijl het logischer en goedkoper was geweest dit meteen te doen toen de NZH-trams daar verdwenen? Waarom kwamen tramlijnen pas in de jaren 80 terug op de Insulindeweg, terwijl daarvoor op diezelfde weg tramlijn 11 reed, waarna na de opheffing ook hier de rails werden opgebroken en later weer werden herlegd. Sommige verlengingen zijn politiek goed te begrijpen, zoals de laatste en logische verlenging naar de Aker van lijn 1. Als de politiek daar tenminste een rol in heeft gespeeld. En lijn 5 naar Amstelveen? Waarom pas in de negentiger jaren? 25 jaar eerder was logischer geweest. Lijn 7 ging tijdelijk naar het Surinameplein. Niet meer naar het Mercatorplein en daarna helemaal naar Slotermeer. Waarom? Waarom ging lijn 6 op het Leidseplein eerst rechtsaf en toen linksaf? Natuurlijk komen er dan politieke antwoorden of geen antwoorden of antwoorden die niet te begrijpen zijn als je geen deel uitmaakt van de gemeenteraad.

Foto: Tom Mulder
Lijn 9 (mw. 230, van de miniserie 230-235) op het Rokin, met rechts een mw. op lijn 24. De foto is dus genomen tussen 17 oktober 1929 (begin van lijn 24) en 1936 (het laatste jaar van de demping van het Rokin). Middenop het pontje. Foto: collectie Jeroen Epema
Stationsplein 1955. Foto: collectie Jeroen Epema/Foto L.Albers

Het openbaar vervoer is eigenlijk in een stroomversnelling terechtgekomen. Soms lijken politieke deskundigen amateurpolitici, die na vier jaar vaak weer wat anders gaan doen. Kijk naar de aanleg van die dramatische en vreselijke metro. Zou die ooit afkomen? Je moet er niet aan denken dat er weer wat rampzaligs gebeurt tijdens de bouw! Ik heb het aan de andere kant wel eens gehad over zeer succesvolle perioden in de GVB-aanleg, die natuurlijk dankzij het GVB gestalte kregen. Als we in de toekomst loeren, valt er ook nog wel het een en ander te verzinnen aan verbeteringen. Helemaal omdat er enkele jaren geleden in principe door het GVB is besloten dat ALLE GVB-AUTOBUSSEN uit het centrum zouden moeten verdwijnen. Dus dan zijn in ieder geval de lijnen 21 en 22 aan de beurt. Wat komt ervoor in de plaats? Opnieuw moeten we constateren dat er de afgelopen decennia ontzettend veel goeds is gebeurd. Dit reed eerst aan buslijnen door het centrum: 5, 6, 11, 12, 13S, 14, 17, 18, 20, 21 en 22, 44, 45, 46, 47, 48, 49. Ze zijn (bijna) alle vervangen door railvervoer.

Corrie, de notoire bardame én alcoholiste

Cellengang Recherche 2e verdieping. Foto: Steef Visser

door Jim Nijman
Schuin tegenover het bureau, wat meer in de richting van het CS, was een kroeg waar een zekere Corrie bardame was. Ze kan ook Gonda of Marie hebben geheten, haar echte naam heb ik nooit gehoord. Wat ik in ieder geval wel zeker wist, is dat zij een notoire alcoholiste was en dat zij steeds maar weer van de drank af wilde. Dat lukte haar plm. 6 weken en dan was het weer mis. Als ze dan weer eens was doorgezakt kwam ze waggelend aan het bureau en riep met een dronkevrouwsstem tegen de dienstdoende brigadier-wachtcommandant: "Hoeveel man heb je in dienst?"
Na het aantal aanwezige mannen 2 of 3 keer te hebben gehoord ging ze weg. Na een kwartiertje was ze dan terug met even zoveel kroketten en de boodschap dat het nu echt met zuipen was afgelopen. Na plm. 6 weken waren er weer kroketten aan het bureau...

door Marten de Vries
Corrie kende ik ook. Ze werkte toen al niet meer in een kroeg aan de Warmoesstraat, maar ze voelde nog wel sympathie voor het bureau.
Ik zat net op de groep en kwam haar voor het eerst tegen op de Rozengracht. Het was een vroege zaterdagochtend. Ze stond voor een banketbakker en had twee gebaksdozen bij zich. Toen ze ons aan zag komen wenkte ze en daar we haar nog niet kenden, dachten we dat het iemand was die de politie nodig had.

Pitauto
Nadat ik de pitauto tot stilstand had gebracht en Willem het raampje had opengedraaid, vroeg ze of ze een lift kon krijgen. In eerste instantie weigerden we, maar ze bleef aandringen. Ze wilde naar de Warmoesstraat. Ze kwam nogal joviaal over, vertelde dat ze de dienders van de Warmoesstraat een goed hart toe droeg en praatte als een gezellige tante.
Daar het rustig was gaven we toe en onderweg vertelde ze dat ze jarig was. Ze had gebak gekocht, omdat ze haar verjaardag bij haar zuster zou vieren. Maar toen ze ons zag vond ze dat ze het gebak af moest leveren aan het bureau Warmoesstraat 'voor de jongens'. Dan vierde ze haar verjaardag wel zonder gebak.

Normafwijkend gedrag
We hoorden haar aan en hadden het idee dat we wel zouden zien hoe het af zou lopen als we aan het bureau waren.
Normafwijkend gedrag was in die tijd een 'hot item' en waar de grens lag was niemand op dat moment geheel duidelijk. Het kwam in die tijd voor dat er mensen kwaad het bureau verlieten, omdat de oliebollen die ze jaarlijks met oud en nieuw langsbrachten ineens niet meer werden geaccepteerd.
Toen we de auto hadden geparkeerd liep ze direct het bureau in, de gebaksdozen met beide handen en gestrekte armen triomfantelijk voor zich uit stekend. Joviaal smakte ze de dozen op de balie en vertelde aan eenieder die het horen wilde dat ze jarig was en gebak had gekocht voor de Warmoesstraat.
De wachtcommandant wilde de dozen niet aannemen en ze was hevig teleurgesteld. Lichtelijk verbolgen draaide ze zich om en verliet het bureau, met achterlating van het gebak.
Later werd me door een oudere collega verteld dat ze vroeger in een bar werkte in de Warmoesstraat en dat ze bekend stond als alcoholiste.

Nooit meer gezien
Aan het bureau heb ik haar nooit meer gezien, maar zo nu en dan zag ik haar door de buurt lopen. De laatste keer dat ik haar zag, was ze het onderwerp van een opdracht. We moesten naar de Prins Hendrikkade, ter hoogte van het Damrak. Daar lag een vrouw op straat. Toen we uit de auto stapten zagen we een oploop van mensen die om Corrie heen stonden. Ze was buiten kennis en aan haar adem was te ruiken dat ze weer eens te veel gedronken had. Naast haar lagen twee boodschappentassen, die qua inhoud toch wel van een gezonde levenswijze getuigden. Uit de ene tas staken twee stronken prei en uit de andere tas waren een paar uien en appels gerold die in de goot langs het trottoir lagen. Ik trachtte, door te tikken op haar wang, haar weer bij kennis te krijgen en dat lukte.
Op een bepaald moment knipperde ze met haar ogen en plotseling schalde haar stem door de straat. Verbouwereerd om zich heen kijkend riep ze: "Mijn gód, waar lig ik nóú weer!!"

Onverwachte momenten
Ze had er waarschijnlijk genoeg van om regelmatig op de meest onverwachte momenten en op de meest onverwachte plaatsen weer bij kennis te komen.
We hebben haar geholpen en de uien en appels weer in haar tassen gedaan. Onderwijl vertelde ze dat ze vroeger veel dronk, maar nu niet meer. Behalve als het mooi weer was, zoals vandaag. Dan ga je voor de gezelligheid wel eens op een terrasje zitten en na het eerste drankje slaan de remmen los.
Uiteindelijk stond ze toch weer redelijk stevig op haar benen en wilde naar huis. Ze woonde in de buurt en we hebben haar maar even thuisgebracht.

Dokter Oetker

door Piet Middelkoop
Het kastje van groep 4 bevatte vele wonderlijke zaken, waaronder een boekje 'Gelazer met de Prinsemarij', dat altijd werd gegeven aan de nieuwkomers op de groep. Buiten de kantoorartikelen, pennen, gummetjes, nietjes en dat soort zaken lag er ook een bril met goudkleurig montuur en een stethoscoop in.

De bril was echter niet voorzien van glazen en in een melige bui zette iemand die bril wel eens op...

Eigen veiligheid
Tijdens een nachtdienst werd een verdachte voor zijn eigen veiligheid ingesloten. De man had aardig wat gedronken. Nadat de man in de cel was ingesloten, drukte hij elke keer op het belletje om aan te geven dat hij dorst had of dat hij 'iemand' wilde spreken.
Voor de zekerheid toch maar de dienstdoende piketarts van de GG en GD laten komen. De man werd onderzocht en volgens de arts mankeerde hij niets. Hij had alleen iets te veel gedronken. We hoefden ons geen zorgen te maken.
Nadat de arts wegging bleef de man maar op het belletje drukken en bleef hij maar roepen dat hij de dokter weer wilde zien.
Uiteindelijk pakte collega Kees het brilletje uit de la, pakte de stethoscoop en hing deze, als een dokter, om zijn nek. Kees had met deze bril op wel de uitstraling van een dokter. Ik mocht 'de dokter' voorgaan naar de cel van man.
Nadat ik de celdeur openmaakte kon ik nog net serieus zeggen: "Kijk eens, hier is dokter Oetker voor u", en vervolgens liet ik Kees de cel binnengaan.
Terwijl dokter Oetker de man diep liet zuchten en puffen en interessant met de stethoscoop deed, stonden wij met zijn allen achter de celdeur het onderzoek van de dokter gade te slaan. Dokter Oetker wreef meerdere malen in zijn ogen, dwars door zijn brilleglas heen.
Dokter Oetker had een aardig gesprek met deze man en verzocht mij, als kamerwacht, de man te voorzien van een extra deken en een paar bekers water.
Zo gezegd, zo gedaan...
De rest van de nacht hebben we de man niet meer gehoord.

De Eerste Vijfjarige HBS-B

De rijen bij het Anne Frankhuis aan de Prinsengracht zijn er altijd.

door Hans Evers

Het artikel van Anne Sieveking Hoogendijk in de Amsterdamse Krant van 16 april over de Prinsengracht heb ik met veel plezier gelezen. Ik ben in 1943, in de oorlog dus, geboren en ik woonde in Amsterdam-West. Ik kan dus niet echt over de Tweede Wereldoorlog praten. Mijn middelbare school was van 1955-1960 de Eerste Vijfjarige HBS-B aan de Keizersgracht 177, vlak achter de Westertoren en de Westerkerk. Tijdens mijn middelbareschooltijd werd de HBS een lyceum, het Dr. Ir. C. Lelylyceum, en de directeur Horstmeier werd dus rector. Ik heb goede herinneringen aan de school. Er werd de basis gelegd voor mijn daaropvolgende scheikundestudie aan de Gemeente Universiteit (GU), later omgedoopt in Universiteit van Amsterdam (UvA).

Carillon
Het carillon van de Westertoren heb ik dus vaak gehoord. Daarbij besefte ik niet dat dat hetzelfde carillon was dat Anne Frank en haar familie in het Achterhuis aan de Prinsengracht, dus ongeveer ter hoogte van mijn school, gehoord moeten hebben. Nu lees ik op internet, dat het Anne Frank Museum in 1960 opengesteld werd. Misschien is dat een excuus voor het feit dat ik nooit van Anne Frank gehoord had.

School bezocht
Toen ik in november 2015 in Amsterdam was, heb ik mijn school van buiten bezocht. De school is er allang niet meer, nu zitten er welvaartsorganisaties in. Bij het Anne Frank Museum stond een lange rij toeristen, van de Prinsengracht bijna tot aan de Keizersgracht. Ik heb dus het museum niet bezocht. Ik woon sinds 1973 in het buitenland. Een volgende keer moet ik voor het museumbezoek op internet reserveren. Wel heb ik meerdere films over het Achterhuis gezien, laatst nog een in Duitsland gedraaide versie. Naast de Westertoren was trouwens een gebouwtje met een gymnastiekzaaltje, waar wij wel eens gymnastiekles hadden, dus nog dichter bij het Achterhuis.

Batavieren
Mijn geschiedenislerares was mej. Solkema. Er werd begonnen met de Batavieren die rondom het jaar nul!!! de Rijn naar Nederland afzakten. Zij worden ook Bataven genoemd. Ik weet niet meer tot hoever we in de Nederlandse geschiedenis kwamen, hoogstens tot het begin van de twintigste eeuw. De voor ons belangrijkere periode, de twintigste eeuw en dan met name de twee wereldoorlogen, werd niet behandeld. Onze leraar Duits, de heer Cremer, was een Duitser. Hij vroeg ons of we wisten hoeveel joden er in WO2 in de concentratiekampen en in de gaskamers omgekomen en gedood waren. We wisten het niet. Schattingen varieerden van duizend tot hoogstens tienduizend. Hij zei toen dat het er 6 miljoen waren!!! Waarschijnlijk was het onderwijzend personeel nog te veel onder de indruk van de verschrikkelijke gebeurtenissen van 1940-1945 om er met ons over te praten. Volgens mij kunnen de geschiedenislessen beter beginnen met het heden en dan teruggaand, zodat de recente geschiedenis veel beter begrepen wordt, dan met het jaar nul. Of dat nu op de middelbare scholen beter is? Zoals ik schreef, ik woon allang niet meer in Nederland.

Het carillon van de Westertoren.

Willy Alberti

Door Rie van Teeffelen-Van de Zel
In het artikel over dit pleintje wordt er gevraagd waarom er geen beeld van Willy Alberti staat? Daar is een heel eenvoudig antwoord op te geven: de familie voelde daar niets voor en wilde liever een plaquette hebben. Die is er ook gekomen, maar op de plaats die de familie had uitgezocht, nl. aan de muur van de Westerkerk. Dit omdat Willy altijd zong over de voet van die ouwe Wester.

Portier

Door mevr. Schneider-Timmer
In een ingezonden stukje over het Rembrandtplein werd er verteld dat ze zich de portier kon herinneren met een hoge hoed op.
Het spijt mij dat ik dat moet tegenspreken. Ik heb er gewerkt van 1955 tot 1965 en ik heb dat nog nooit gezien. We hadden twee portiers, genaamd Jan Bührer Tavenier en Jan Dienst. Eerst dacht ik nog: misschien is dat voor mijn tijd gebeurd, maar nee, de persoon die dat beweert is van 1942 en ik van 1932. Dus wie het weet, mag het zeggen.

Manke Nelis

Door Liz Pieters
Ik wil even reageren op een foutje in het artikel over de Jordaan: daarin staat dat Manke Nelis' geboortenaam Cor is, maar dat is niet correct. Dat moet zijn Cornelis en ja, hij was de zwager van Jonny Meyer en niet zijn neef.
De raadplaat is volgens mij het Concertgebouw.