De Amsterdamse Krant

28 mei 2016

De Amsterdamse Krant 28 mei 2016


'Gooi de koffie door de gootsteen! We gaan naar De Telegraaf'

We vroegen om herinneringen aan de zogenoemde Telegraafrellen en kregen twee reacties. Die staan hieronder, maar eerst de aanloop naar deze rellen op basis van informatie uit Wikipedia.

De Telegraafrellen (ook wel het 'Bouwvakkersoproer') was een groot oproer in het centrum van Amsterdam op 13 en 14 juni 1966. De aanleiding was 13 juni 1966: de startdatum van de uitbetaling van de vakantiebonnen van de bouwvakarbeiders. Tot grote woede van velen kregen de niet-georganiseerde bouwvakkers een korting van 2 procent vanwege administratiekosten. Leden van de vakbonden werden niet gekort. De discussies hierover liepen zeer hoog op. Bij de opening van het betaalkantoor kwam het tot enig handgemeen en geduw en getrek. Uiteindelijk greep de politie in met gebruik van de wapenstok.
Buiten het gebouw zakte intussen één der bouwvakkers, de 50-jarige voeger Jan Weggelaar, in elkaar. De man werd weggebracht naar een ziekenhuis waar al snel bleek dat hij gestorven was aan een hartaanval, waarbij onduidelijk bleef of die veroorzaakt was door het politieoptreden. Veel bouwvakkers geloofden echter niet in een hartaanval en hielden de politie verantwoordelijk.

Een steen
De Telegraaf berichtte in haar eerste editie dat Weggelaar was getroffen door een steen die zijn mededemonstranten hadden gegooid. Boze bouwvakkers lazen dit. In de volgende editie bracht De Telegraaf als eerste het bericht dat de bouwvakker aan een hartaanval was overleden. Maar dat was te laat. De woede van de bouwvakkers richtte zich tegen het dagblad vanwege de vermeende partijdige berichtgeving. Volgens de demonstranten was de man door politiegeweld overleden.
Bij het toenmalige Telegraafgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal ontstonden straatgevechten. Daarbij gooiden belagers de vrachtwagens van De Telegraaf om, staken deze in brand en trachtten het gebouw al vechtend binnen te dringen, wat niet lukte. Het Telegraafpersoneel verdedigde zich en bovendien was het gelukt de rolluiken aan de straatzijde tijdig te sluiten. Van het Centraal Station tot aan het Spui werden de hele dag straatgevechten met de politie gevoerd, vooral door jongeren en studenten, die in dat jaar de sterke opkomst van de Provo-beweging hadden gezien, inclusief de rookbommen tijdens het huwelijk in maart van prinses Beatrix en prins Claus, ook in Amsterdam. De ongeregeldheden duurden enkele dagen en na de aanval op De Telegraaf werden ook winkels in het centrum geplunderd.

De chaos was compleet bij de Telegraafrellen.

Op naar De Telegraaf
Kaatje van Mourik werkte destijds in een bouwkantine. "De ochtend nadat Ome Jan Weggelaar was overleden, kwamen de Bouwvakkers al binnen met: "Gooi de koffie maar door de gootsteen! We gaan naar De Telegraaf." Ik dacht: daar moet ik bij zijn. Langs alle bouwputten in Slotermeer liepen we op naar De Telegraaf. Daar waren grote vechtpartijen en heel veel stenengooiers. Daarna op naar het Damrak, naar C&A, waar de ramen werden ingegooid en parkeermeters uit de grond werden getrokken. Ik hoorde iemand roepen "De Mobiele Colonne van de Landmacht wordt ingezet!" Toen bedacht ik dat het tijd was om op mijn fiets te stappen richting Slotermeer, want mijn man was sergeant-majoor bij dat onderdeel."

Marnixplantsoen
C. Philip reageert ook: "Volgens mij zijn de Telegraafrellen begonnen bij de uitbetalingen die plaatsvonden in het Elisabeth Patronaatsgebouw aan het Marnixplantsoen, gelegen tussen de Marnixstraat en de Marnixkade ter hoogte van de Willemstraat. Wij woonden toen op de Marnixstraat 57 en konden vanuit het raam de rellen zien die daar begonnen. Ik dacht dat het dodelijke slachtoffer ook daar was gevallen."

Overzomeren

Het is bekend dat veel Amsterdammers zo ongeveer zes maanden per jaar 'overzomeren' op een plaats waar de kinderen heerlijk kunnen spelen of waar ze genieten van hun rust. Bijvoorbeeld bij het strand (Bakkum!!), of Bos (Spaanderswoud!!!) of op een volkstuin, waarvan er nog steeds vele zijn. Heeft u dit soort herinneringen, dan houden wij ons van harte aanbevolen. Uw reactie kunt u sturen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Nieuwe raadplaat

We deden in de vorige editie een oproep voor nieuwe raadplaten en hebben er meerdere gekregen. De raadplaat deze keer is ingestuurd door Werner Bucher. Weet u waar dit rustieke bruggetje was of is? Uw inzendingen kunt u sturen naar
info@amsterdamsekrant.nl (en nogmaals: gebruik niet de reageerknop).

'Bij tante Coba werd op de pof gekocht'

De Goudsbloemstraat.

door Liesbeth Kuiper
Van mijn 1ste tot en met mijn 8ste jaar heb ik - dat was in de jaren vijftig - samen met mijn moeder, een oom (een broer van mijn moeder) en mijn opa en opoe in een tweekamerwoning in de Goudsbloemstraat gewoond. Wij woonden vlak bij de Lijnbaansgracht. Als je als kind buiten speelde, wist je dat je gadegeslagen kon worden door vele ooms en tantes, zodat je niet al te veel kon uithalen. Ook mijn opoe had een vaste plek aan het opengeschoven raam, van waaruit soms gesprekken gevoerd werden met bekenden die onder het raam voorbij liepen.

Melkhandel
Een paar huizen verderop was een melkhandel, tante Coba. Door de week werd daar op de pof gekocht. Mijn opa werkte als sjouwer in de haven. Als hij dan na een werkweek met geld thuiskwam, na een paar borrels bij Co Meijer op de hoek, werd er afbetaald. Om de volgende week weer gewoon te poffen.

Groene zee van Van Vliet
Op de Lijnbaansgracht had je Van Vliet, waar ik als kind soms groene zeep moest halen. Die werd dan geschept uit een grote ton en in bruin vetvrij papier meegegeven. Op de Lijnbaansgracht lag ook een woonschip met een echte Hollandse keeshond, die vaak luid blaffend een stuk op het schip met je mee rende.

Boodschappen
's Morgens mocht ik vaak met mijn opoe mee boodschappen doen op de Lindengracht. Ik kreeg dan heel vaak een harinkie, want dat was zo gezond! Daarna gingen we soms paling kopen. Als kind vond ik dat maar griezelig, al dat gekronkel in de bakken! Achter de stal zaten vrouwen die geroutineerd de kop er afhakten en verder schoonmaakten. Er was trouwens ook een palingrokerij schuin tegenover ons.
Na eerst op de kleuterschool Tot Heil des Volks in de Willemsstraat geweest te zijn, ging ik naar de lagere school geheten Eduard Gerhard op de Lindengracht. Dat was een nette school, zoals mijn moeder zei. Hoewel onze situatie op de kleine bovenwoning natuurlijk niet ideaal was, zaten een hoop mensen in die tijd in een soortgelijke situatie. En ja, er gebeurde weleens wat. Ruzie, soms vechten op straat. Maar ook humor en vrolijkheid. Al met al heb ik zeer warme herinneringen aan mijn vroege jeugd in de Goudsbloemstraat.

Begin 2014 stopten we met de rubriek 'Dit komt nooit meer terug'. We zijn erachter dat er nog genoeg valt te melden over dingen, beroepen en gebeurtenissen die nooit meer terugkomen. Vandaar dat we de rubriek voortzetten.

door Bert Hengel
De laatste bijdrage over de draadomroep deed mij een ander lampje branden, of beter: een transistor. Want in 1969 kreeg ik als 12-jarige jongen mijn eerste transistorradio voor mijn verjaardag en dat was magisch. Lekker op mijn kamer luisteren naar Radio Veronica met al die helden die ergens op zee programma's maakten. Die zender - en dat gold ook voor Radio Noordzee en Radio Caroline - kwamen heel vaak krakend en af en toe niet verstaanbaar door, maar het was allemaal toch prachtig. Het radiootje dat ik had was lichtblauw, met twee draaiknoppen voor volume en de zenders, gaatjes aan de voorkant en natuurlijk een uitschuifbare antenne aan de bovenkant. Het was magisch. Ook mooi: ik had er op een gegeven moment een paar oordopjes bij en daarmee kon ik dan ook stiekem 's nachts luisteren. Want gewoon de radio aanzetten terwijl je twee broertjes op dezelfde kamer lagen te slapen, dat ging niet werken natuurlijk.

Reeds verschenen
In de voorganger van deze rubriek verscheen in respectievelijke volgorde: de blauwe girobus, de brievenbus aan de tram, kruidenier P. de Gruyter, de vuilnisemmer met nummer, de verkeersagent, de telefooncel, de Afghaanse jas, de tv-antenne, de voddenman, dubbele remmen op de tram, de open tramwagen, rieten vloerbedekking, de ratelman, de schillenboer, bakkerskar en drollenprikker (deze in één aflevering), matten kloppen, de ponskaart, de postzegelautomaat, 'vleesch voor honden en katten', de brandmelder, de scharensliep, de spaarzegel, het licht- en gasmuntje, warmtekrulspelden, drankje Trio en aardappelschilcentrifuge (de laatste drie in één aflevering), de knijpkat, de looien draaier, ijsstaven, het badhuis, losse melk, de kattenbakcentrale, pruimtabak, de triotrack, de letterzetter, de bruggentrekker, de klaar-over en knipperbol, de marskramer, de dienstbode, de rekenliniaal en passerdoos (in één aflevering), de kruier, de filmrol, de pompbediende, de straatveger, de parlevinker, de tonnenmaker, de telex/telefax, de koetsier en de zuurkar. Recent is hier in de Amsterdamse Krant aan toegevoegd: de Lach, het cassettebandje, de floppydisk, de alpinopet, Dick Bos, het petroleumstel van Haller, speldjes om te sparen, het Winterboek, voetbalpoppetjes, het Joodje, kurk aan de wand, het pilopak en de draadomroep.

Machtig Mooi Mokum: Probeer dit maar eens, Slingertje

Ik verbaas me er weleens over dat veel jonge mensen op voorhand iets niet lusten. Als kind hoefden wij het niet in ons hoofd te halen om iets niet te lusten. Wij werden doodgegooid met bruine bonen en ik ben daar ook genoeg van aan de rees geweest. Mijn moeder was geen keukenprinses. Zij was meer van de gestampte pot. Als ze op zondag al eens haar best deed werd het bloemkool met zo'n wit sausje met nootmuskaat. Mijn zussen fluisterden aan tafel dat het van dikke ouwe melkvellen was gemaakt. Met een uitgestreken smoelwerk zat je te kokhalzen. Dan klonk er een krachtig: 'Stel je niet aan, niet te lang kauwen, gewoon doorslikken.' Mijn zus Gerda had er het meeste moeite mee. Als wij ons bord al leeg hadden en wachtten op het toetje klonk steevast in koor: 'Gerda, laat je kiezen gaan!' Door als kind alles te moeten eten leerde je ook bijzondere dingen te waarderen.

Zo kwam er op zondagmiddag een joodse zuurkar door de straat. Dat was feest. Mijn vader ging met van die wit geëmailleerde schaaltjes met zo'n donkerblauw randje naar buiten. De zuurman had rijkgevulde houten vaten met gele harde Amsterdamse uien en komkommers. En dikke plakken leverworst in het zuur. Het water liep mij dan uit de mond. Ik mocht altijd wel wat proeven. 'Probeer dit maar eens, Slingertje' en dan kreeg je zo'n heerlijke sappige olijf met een knoepert van een pit erin.
Zodra hij mijn vader zag aankomen sneed hij al een pekelbom in stukken. Die liet zich dat smaken alsof een engeltje op zijn tong pieste. Ik proefde eens een plakje van dat bijzondere pekelzuur en al snel kreeg ik ook een hele bom. Nog als ik een pekelaugurk uit de pot van Kesbeke vis sta ik weer even met mijn vader op zondagmiddag aan de zuurkar. En daar heb je echt geen appelmoes bij nodig (21/8/13).

''Hier is Turks Fruit geschreven'

De raadplaat in de vorige editie betrof inderdaad de atelierwoningen.

In de Amsterdamse Krant publiceren we altijd de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland of die lezers hebben ingestuurd, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen.
De raadplaat in de vorige editie was van de zogeheten atelierwoningen aan de Uiterwaardenstraat/Zomerdijkstraat/Kinderdijkstraat. Onder anderen Jan Wolkers heeft hier gewoond en gewerkt, weten de lezers ons te melden.

Atelierwoningen Zomerdijkstraat is een gebouwencomplex in de Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid. Het bestaat uit diverse typen atelierwoningen die fungeren als woon-werkruimte voor beeldend kunstenaars. Dit complex met atelierwoningen was het eerste in zijn soort in Nederland. Het werd in de jaren 1932-1934 ontworpen en gebouwd. Sinds 1988 is het een rijksmonument. Naast Jan Wolkers zijn andere bekende bewoners Sonia Gaskell, Marius van Beek, Fred Carasso, Piet Esser, Paul Grégoire, John Grosman, Jack Hamel, Gerard Hordijk, Cor Hund, Remy Jungerman, Cees Kortlang, Herman Kruyder, Charlotte van Pallandt, Jet Schepp, Theo Swagemakers, Jelle Troelstra, Gerrit Jan van der Veen, Jaap Wagemaker, Bernard de Wolff, Ek van Zanten en Jaap Hillenius.

Buiten gymlessen
Herman Boeker meldt ons: "De vorige raadplaat zei mij niets, want van Noord weet ik helaas te weinig. Ik ga daar binnenkort weleens wandelen. Van 1964 tot 1969 zat ik op de Gereformeerde Kweekschool in de Dintelstraat. Onze buitengymlessen werden gegeven op het speelterrein voor de atelierwoningen van uw raadplaat, de Uiterwaardenstraat/Zomerdijkstraat. Op het toenmalige gravelveld speelden wij regelmatig softbal, want een gemengde klas. Wel lukte het eens een van ons, de jongens, de bal over het hek te slaan. Iedereen hield zijn hart vast of die bal de blauwe jeep van Jan Wolkers, die daar geparkeerd stond, zou raken. Het gebeurde niet, zijn jeep werd gespaard. Nu hoopten wij dat Jan naar buiten zou sloffen om ons de bal terug te gooien. Dat gebeurde ook niet."
"Jan was heel streng opgevoed, wij Amsterdamse gereformeerden veel minder. Wij mochten zijn boeken gewoon op onze literatuurlijst zetten. Toch mooi dat in dat atelier een van de beste literaire romans is geschreven: 'Turks Fruit'."

Anno 2016 zijn de atelierwoningen rijksmonument.

Kunstenaarsflat
"
Ik denk dat het om de Uiterwaardenstraat gaat en dan de kunstenaarsflat", schrijft Klara Bruyn. "Hier heeft Jan Wolkers ook gewoond en er wonen nog steeds kunstenaars. Om de hoek ben ik opgegroeid en tegenover dit gebouw stond de lagere school waar al mijn zussen en broer op zijn geweest. Toen ik naar de middelbare school ging, fietste of liep ik daar iedere doordeweekse dag langs. Mijn moeder woont nog steeds om de hoek en als ik naar mijn moeder ga rij ik daar nog vaak langs."

Makkelijk
R. Jonkman laat weten: "Dit was ook een makkelijke voor mij. Dit zijn de (oude) atelierwoningen aan de Uiterwaardenstraat/Hunzestraat/Zomerdijkstraat/Kinderdijkstraat. De foto is genomen vanaf de kruising Uiterwaardenstraat/Kinderdijkstraat, kijkend richting de Hunzestraat/Rijnstraat. Ik heb zelf jaren in de Kinderdijkstraat gewoond en dagelijks hier langsgelopen en -gefietst."
"De bouw is uit 1933 (architect Piet Zanstra) en speciaal gebouwd voor beeldend kunstenaars. De bekende verzetsstrijder en beeldhouwer Gerrit-Jan van der Veen en de beeldhouwer Jan Wolkers zijn twee bekende Nederlanders die er hebben gewoond en gewerkt."

Diverse kunstenaars
Vaste klant Gielijn Escher meent: "Het betreft hier het bekende complex kunstenaarsateliers aan de Zomerdijkstraat. Op deze foto gezien vanaf de Uiterwaardenstraat/hoek Kinderdijkstraat. Ik heb hier zelf nooit een atelier gehad, maar wel diverse kunstenaars gekend die hier werkten en aldaar bezocht. Maar helaas, geen speciale herinneringen."

Fluitje van een cent
En dan Kees van Driel: "De oplossing van de raadplaat uit het jongste nummer van uw krant is voor mij een fluitje van een cent. Hoewel ik al heel lang niet meer in Amsterdam (maar in Kampen) woon, was het in één klap duidelijk voor me: op de foto staan de Atelierwoningen uit de Zomerdijkstraat, in de Rivierenbuurt dus. Eigenlijk is op de foto de kant van het gebouw getoond die aan de Uiterwaardenstraat ligt. Dat is de kant met de grote deuren en ramen op de noordzijde. Daar waren (zijn) vooral de beeldhouwateliers."
"Ik ging in de Uiterwaardenstraat naar (de lagere) school, twee minuten lopen vanaf de Bernissestraat, waar we woonden. Er was ook een balletschool in het gebouw en het was best spannend om naar de balletlessen te kijken als met warm weer de grote deuren open stonden."

Atelier
"Even verderop had Jan Wolkers zijn atelier. Als hij niet aan het beeldhouwen was, zat hij wel (een trappetje op!) te schrijven. Bij de vuilnis vond ik eens een schetsontwerp van Carasso. Later, we hadden een galerie in Kampen, ben ik op bezoek geweest bij de schilder Willem van de Kerke om met hem afspraken te maken voor een expositie van zijn werk bij ons. Dat was in 1985; de eerste keer dat ik het gebouw dat we van kindsbeen af kenden, van binnen mocht zien. De atelierwoningen horen gewoon bij mijn jeugd, net als bijvoorbeeld (om maar wat te noemen) de luilakbollen."

Hier liepen we elk dag voorbij
Jack van Ommen: "Dit zijn de artiestenwoningen in de Uiterwaardenstraat, gezien van hoek Kinderdijkstraat. Daar liepen we elke schooldag vier keer voorbij, over het open stuk land voor de artiestenwoningen, van waar wij woonden in de Alblasstraat naar de Centrale ULO School op het Borsenburgerplein, tussen 1950 en 1955."

Gerrit van der Veen
"Hier werkten en woonden bekende kunstenaars, sommige duidelijk herkenbaar, in tegenstelling tot de omwonende Rivierenbuurtburgers. De meest directe herinnering in mijn leven met dit gebouw blijft die aan een van de meeste bekende bewoners, de beeldhouwer en verzetsstrijder Gerrit van der Veen. Op 2 mei 1944 zaten onze vader en moeder gevangen in de Weteringschansgevangenis en hoorden de schoten, blaffende honden en geschreeuw. Die nacht heeft Gerrit van der Veen de mislukte aanslag ondernomen om onder anderen Henk Dienske te bevrijden. Dienske was de baas van de LO-LKP waar mijn moeder, Rennie van Ommen-de Vries voor werkte. Van der Veen werd gewond, ontsnapte en zijn schuilplaats werd verraden. Hij en zijn vriendin in de verzetsgroep, Suzy van Hall, zijn gearresteerd. Suzy ging dezelfde weg als onze moeder: door concentratiekampen Vught, Ravensbrück en Dachau, bevrijd de 1e mei 1945 door de Amerikanen. Gerrit van der Veen is begin juni 1944 gefusilleerd."

Krantenwijk
Peter de Graaf: "Ik herken direct de Uiterwaardenstraat, de zuidzijde tussen de Kinderdijkstraat en de Hunzestraat. Herkennen, omdat ik er ooit een krantenwijk voor het Algemeen Handelsblad liep. Ik meen me te herinneren dat in het eerste deel met die glaswanden ateliers van kunstenaars gevestigd waren. Verder was het toen (ca 1965) een saaie buurt."

Anne Sieveking-Hoogendijk voegt toe: "De raadplaat in bovengenoemde krant is volgens mij een foto van de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat in Amsterdam-Zuid. Als dit juist is, was dit ook de plek waar de kunstenaar Jan Wolkers zijn atelier had."

Vertrouwde gevel
Joke Davids-Knevel: "De raadplaat van deze keer zijn de Atelierwoningen aan de Uiterwaardenstraat. De ingangen liggen aan de Zomerdijkstraat. Jan Wolkers heeft hier gewoond en gewerkt in zijn beginperiode. Ik woon nu 45 jaar in deze buurt en kom er dagelijks langs. Het is voor mij een vertrouwde gevel."
C. Verbrugge tot slot houdt het kort: "De raadplaat van 14 mei 2016 is de Zomerdijkstraat."

Nieuwe raadplaat

We deden in de vorige editie een oproep voor nieuwe raadplaten en hebben er meerdere gekregen. De raadplaat deze keer is ingestuurd door Werner Bucher. Weet u waar dit rustieke bruggetje was of is? Uw inzendingen kunt u sturen naar
info@amsterdamsekrant.nl (en nogmaals: gebruik niet de reageerknop).

'De volumegelaar stond in de fik'

In de rubriek 'Dit komt nooit meer terug' ging het in de laatste editie over de draadomroep. Daar kregen we twee reacties op.

door Guus Ruiter
Naar aanleiding van de herstart van de rubriek 'Dit komt nooit meer terug' en het eerste nieuwe artikel over de draadomroep wil ik u een leuke anekdote uit mijn eigen jeugd vertellen. Het was kort na de Tweede Wereldoorlog en ik zal een jaar of 6 à 7 geweest zijn. Ook wij hadden radiodistributie in huis. Wat mij als kind het meest fascineerde, was het feit dat als je aan de knop (van de volumeregelaar) draaide het geluid harder of zachter werd.

Transformator
Voor mijn verjaardag had ik van mijn ouders een pakhuis gekregen met echte hijsbalk én, hoe vooruitstrevend, mét verlichting op elke verdieping. In plaats van een 9 volt Zwarte Kat platte batterij, had mijn vader een kleine transformator ingebouwd. Hierdoor hoefde hij niet telkens een nieuwe batterij te kopen, want die waren in die tijd stervensduur!
Wij hadden in die tijd wat familie die buiten Amsterdam woonde en zodoende kwam ik regelmatig met mijn ouders op het Centraal Station teneinde op familiebezoek te gaan. In die tijd bestond er nog een aanzienlijk gebrek aan energie en dus aan stroom. Om energie te besparen werd de verlichting op het station op een laag pitje gezet als er geen treinen waren, maar kwam er een trein aan dan werd de verlichting weer geleidelijk omhoog gedraaid, totdat de passagiers waren in- en uitgestapt waarna de verlichting weer werd gedimd. Ook dat was voor mij een ware belevenis!

Volumeregelaar
Toen ik niet lang daarna met mijn verlichte pakhuis aan het spelen was, schoot mij de verlichting van het Centraal Station weer te binnen en hoe mooi het zou zijn als dat ook met de verlichting van mijn pakhuis zou kunnen. Ik herinnerde mij de volumeregelaar van de radiodistributie die eenzelfde stekker had als mijn transformator. Als ik die er nou eens tussen zou zetten dan kon ik met de volumeregelaar mijn verlichting regelen, net zo als je het geluid van de radio regelt. Zo gezegd, zo gedaan! En... het werkte! Echter maar voor korte tijd, want wat ik toen nog niet wist is dat de volumeregelaar is berekend op zwakstroom en de voeding van de trafo sterkstroom is. Het gevolg: het inwendige van de volumeregelaar werd een gloeispiraal, zodat binnen de kortste keren de volumeregelaar in de fik stond!! Gelukkig was mijn vader in de buurt en die kwam af op de penetrante geur van brandend bakeliet. De reactie van mijn vader heb ik kennelijk verdrongen, ik weet het niet meer, maar die zal niet mals geweest zijn! Wat ik me nog wel kan herinneren is dat we een tijd zonder radiodistributie hebben gezeten.

24-huis zal wel typisch Amsterdams zijn

door Hans Evers
In 1956 verhuisden we naar de Lex Althoffstraat in Slotermeer. Wij woonden in het voorlaatste portiek. In Amsterdam beginnen de straatnummers immers vanaf de kant van de straat die het dichtst bij het Centraal Station ligt. De baksteenmuren waren toen wij er woonden nog niet geverfd en er woonden nog geen allochtonen.
Wij woonden op de onderste verdieping van 4 verdiepingen, maar naar de woning moest je 2 trappetjes op, want links van de toegangsdeur was een deur die toegang tot 4 boxen gaf. Vanuit de hal in de woning leidde een trap naar beneden naar mijn slaap- en werkkamer aan de achterkant, dus achter de boxen. Daar was ook de badcel, met een zitbad en de deur naar het kleine tuintje.
In mijn kamer had ik draadomroep. Als we toen al radio en tv via de kabel in de huiskamer hadden, was die kabel zeker niet doorgetrokken tot mijn kamer daaronder. Via een draaiknop kwam je van kanaal 1 naar nul naar 2 en zo door tot 4 en dan via 0 weer naar 1. Ik herinner me niet hoe de luidspreker eruitzag. Kanaal 1 en 2 waren Hilversum 1 en 2.
Vrijwel zeker was 3 de BBC. Ik herinner me dat het BBC-programma in november 1963 onderbroken werd voor het nieuws dat er in Dallas een aanslag op president Kennedy was gepleegd en dat hij daarbij gestorven was. Mijn hart stond stil toen ik het hoorde. Mijn bewondering voor de BBC werd nog groter, want het was het eerste radiostation met dit belangrijke en droevige nieuws, dat trouwens zeer zakelijk werd voorgelezen. Op kanaal 4 werd klassieke muziek ten gehore gebracht. Als ik in mijn werkkamer werk, luister ik graag naar klassieke muziek, nog steeds. In vergelijking tot de normale radioprogramma's op de midden- en korte golf was de geluidskwaliteit van de draadomroep uitstekend.
Wij woonden op nr. 24hs. Toen ik aan de Universiteit van Amsterdam mondeling tentamen thermodynamica deed bij prof. Trappeniers, een Belg, moest ik na afloop mijn adres opgeven. Hij begreep niet wat 24 huis betekende. Dat zal wel een typisch Amsterdamse adresaanduiding zijn.

Herinneringen aan WOII

door Piet Veenboer
Geboren in september 1938 herinner ik me weinig van de Tweede Wereldoorlog. Alleen de laatste twee jaar van de oorlog staan me voor de geest in de vorm van onder andere de volgende herinneringen:
Pulpkoekjes. Ik kan me nog enigszins de smaak van deze koekjes herinneren. Smaak? Er was geen smaak aan, want er was natuurlijk geen sprake van bijkomende specerijen om de smaak iets te verstevigen.

Accu's. Wij gingen regelmatig naar familie in de Lumeystraat. De broer van mijn vader - VARTA-vertegenwoordiger - had daar een aantal accu's neergezet voor gebruik voor de hele familie.

Paarden. Regelmatig werden tientallen paarden begeleid op het Columbusplein. Waar ze vandaan kwamen was mij niet bekend, maar ik wist wel dat er in de Cabralstraat een paardenslager gevestigd was; maar of dat de reden was?

Puls. Tegenover ons huis op het Columbusplein was met grote letters geschilderd: PULS-VERHUIZINGEN. Na de oorlog werden deze letters met witte verf overgekalkt. Die kalk zit er nu - 2016 - nog op.

Gaarkeuken. Met een bonkaart om mijn nek ben ik meerdere malen wezen eten in het parochiehuis tegenover de kerk in de Chasséstraat. We kregen daar schillensoep (ook wel lawaaisoep genoemd). De schillen hoefde je niet te eten, maar wel de soep. Deze soep kwam uit de gaarkeuken op het Magelhaensplein uit een soort draaiende cementmolen en ongetwijfeld werd er méér dan schillensoep gemaakt. Na de oorlog werd het gebouw gebruikt door een breinaaldenfabrikant.

1e communie. 1945 is vermoedelijk het enige jaar dat de 1e communie in november 1945 plaatsvond en toevallig overkwam mij dat. Het bidplaatje heb ik nog.

Wuiven. Op de hoek van de Willem Schoutenstraat en de Hoofdweg heb ik aan de hand van de buurman nog staan te wuiven naar de intocht van de Canadezen.

Bunkers. Alle bunkers zijn verdwenen, maar op diverse plaatsen op het eiland Texel zijn ze nog steeds zichtbaar. Wij komen daar vaak en het valt nog steeds op.

'Onze halve woning heet nu een etage'

Ons straatje in Amsterdam.

door Sonja Tienstra
De foto's die ik hierbij stuur, zijn recent genomen in de Lange Leidsedwarsstraat, waar ik op nummer 200 twee hoog woonde van 1960 tot 1964. Mijn dochter is daar geboren in 1961.

De woning viel in die jaren van woningnood niet onder het CBH dat in die tijd de toewijzing regelde. Dit omdat de woning als 'halve woning' gold. Maar het was een eigen zelfstandige woning op de 2e verdieping met eigen voordeur. De woning besloeg totaal rond de 55 m2 en had aan de gehele achterzijde een balkon dat uitkeek op de achterkant van de Lijnbaansgracht. De woning was om de hoek van de Spiegelgracht.
Onder het pand was een filiaal van Bronswerk gevestigd. Aan de achterkant van het pand liep een lange pijp waardoor de dampen en rook van het bedrijf werden afgevoerd. De bewoner van de 3e etage klaagde veel over het bedrijf dat volgens hem veel herrie maakte en veel troep langs de woningen afvoerde. Mijn broer en zijn vrouw betrokken de woning een half jaar later op de 1e etage en wij als jonge mensen hadden toen andere zaken aan ons hoofd zoals de woning bewoonbaar maken en inrichten. Bovendien kregen mijn broer en schoonzus en ik daar ons 1e kind.

Veel geld betalen
In plaats dat 'de vis duur betaald werd', moesten wij, en later ook mijn broer, veel geld betalen aan de neef van de eigenaar van het pand. De neef was degene die de huur ophaalde en vermoedelijk ook zeggenschap had en/of zijn oom adviseerde over de mensen die op de woning reageerden. De nieuwe bewoners waren dus degenen die het meeste 'sleutelgeld' boden. Dit stak de huurophaler in eigen zak. Een goede bijverdienste dus.

De Lange Leidsedwarsstraat.
Dinie en ik op 1 hoog.

Demonteren
Als mijn schoonzus en ik met onze baby's en kinderwagen de deur uit wilden, moesten we eerst de kinderwagen demonteren en vast naar beneden brengen en vervolgens de baby halen.
Maar vaak kwam het voor dat er een grote wagen van Bronswerk onze voordeur blokkeerde en wij naar de buurvrouw op de 3e etage moesten om naar Bronswerk te bellen om te vragen of men even de wagen wilde verplaatsen.
Die buurvrouw was de een van de weinige mensen in de buurt die telefoon had. Al met al een heel gedoe en als de buurvrouw niet thuis was, konden we niet weg.

Telefoneren
Hoe we zaken oplosten zonder telefoon in die tijd is me nu een raadsel. We leven nu in de tijd van te veel communicatiemiddelen. Ik weet nog wel dat ik vaak naar de sigarenwinkel ging waar we (in jaren 50 en 60 rookten de meeste mensen) altijd onze sigaretten kochten, om te telefoneren. Er hing een apparaat bij dat precies aangaf hoeveel de kosten waren. Privégesprekken waren niet mogelijk, want de aanwezige klanten konden meeluisteren.
Ik weet ook nog wel dat toen de weeën begonnen van mijn eerste kind ik de deur uit moest om een taxi te bellen om naar het Wilhelmina Gasthuis te gaan. Thuis bevallen kon niet, want mijn man en ik sliepen in een nis in de keuken (die keukenruimte was wel in totaal rond de 20 vierkante meter) en men kon niet rond het bed lopen. Wij kropen er altijd via de achterkant van het bed in. De achterkant van het bed stond half tegen de zijkant van het gasfornuis. Overdag had ik het bed opgeklapt.

Klein paleisje
De woning hadden we tot een klein paleisje gemaakt. Zo mooi en zelf alles opgeknapt. Tot nieuwe elektrische bedrading toe. Vermoedelijk zijn er onder de eerdere bewoners in dat oude pand, waar nooit iets vernieuwd was, wel mensen geëlektrocuteerd. Na een paar jaar 'kregen' we ons eerste eengezinshuis in Weesp. Het was niet meer te doen met een kind in dat kleine bovenhuis in die drukke buurt.
Mijn man had daar zijn baan en ik had dus gelukkig moeten zijn in een 4-kamerwoning met tuin, maar ik miste mijn oude buurtje heel erg.
Het naar de Albert Cuyp gaan, het Rijksmuseum om de hoek (waar toen nog geen rijen stonden en men zo naar binnen kon), het Leidseplein en de Spiegelstraat, en vooral met ons kleine dochtertje en mijn schoonzus met haar kleine zoontje samen naar het Vondelpark of samen naar Zuigelingenzorg wandelen.
Dat was voor ons heel gezellig en normaal dat we drie kwartier heen en terug moesten wandelen. We hadden geen auto's.
Ook was het voordeel van de stad dat er overal trams reden en het ov was heel goedkoop! De neef en huurophaler was het eerder al niet eens geweest met onze samenwoning in de Lange Leidse, want in het begin 'hokten' we. Hij kwam bij ons thuis om te klagen, want wij leefden in zonde. En… we moesten van de woning af als we niet gingen trouwen. Wij zijn toen maar, ik achterop bij mijn vriend op de fiets, heel snel getrouwd.

Becker kachels
Maar nu we hem hadden verteld dat we gingen verhuizen als het huis in Weesp opgeleverd werd, had hij een plan waarbij we onze stoffering, mooie Becker kachels, zwart/witte marmeren tegels in de lange gang, houten lambrisering, gordijnen door heel het huis enz. enz. konden laten overnemen.
De overname zou worden gedaan door een nichtje van hem dat hoogzwanger was en dus heel erg huisvesting nodig had. Wij maakten kennis met 'zijn nicht' en inderdaad hoogzwanger. We vonden het zo zielig dat we afspraken dat wij met ons drieën zolang bij mijn schoonmoeder in Hilversum gingen wonen en onze inboedel wel zolang lieten opslaan tot we naar onze woning in Weesp konden. Ik tekende een overeenkomst voor de overname van alle zaken in ons huis met de huurophaler.

Jong en naïef
Toen het zover was en de nieuwe bewoners in de woning hun intrek hadden genomen en wij in één klein kamertje bij mijn schoonmoeder voor een paar maanden waren gaan logeren, vroeg ik om ons geld aan de nieuwe bewoners. Maar die wisten helemaal van niets en wij konden naar ons geld en spullen fluiten… Je bent jong en naïef. Nooit zou ik zo dom meer handelen. Ik had geen kopie gekregen van het overnamecontract en de huurophaler wist van niets meer. Die man die vond dat het een zonde was dat wij hokten, vulde zijn zakken door mensen een flinke poot uit te draaien, hetgeen hij kon doen door de toen heersende woningnood.

350.000 euro
Nu las ik poosje geleden in een krant dat 'mijn' etage in de Lange Leidsedwarsstraat 200 te koop was voor 350.000 euro. Wij betaalden in het begin van de zestiger jaren 8 gulden huur in de week!
Er stond beschreven bij de advertentie:
-        Grote woonkamer aan de voorzijde met achter in een nis de mooie hoekkeuken;
-        Ruime entree (klopt, want de gang was daar iets breder);
-        Lange gang met zwart/wit marmeren vloer (dus nog steeds mijn vloer);
-        Ruime slaapkamer aan de achterzijde met balkon;
-        Mooie badkamer met jacuzzi.
Ik was totaal verbijsterd. Deze etage heette dus vroeger 'een halve woning'.

Aanrechtje
Wij hadden in de (grote) ruime achterkamer een aanrechtje met gootsteen dat totaal 1.25 m. breed was en er was geen douche. Wij wasten ons aan de gootsteen en als de baby in badje moest, werden eerst de pitten van het gasfornuis aangezet om het een beetje warm te maken en vervolgens werd een zeil uitgespreid om de stoel met badje op te zetten en de eettafel aan de kant geschoven. Er was alleen een kachel in de woonkamer.
Men had de achterkamer, die inderdaad net zo ruim was als de kamer aan de voorzijde en die beide een nis hadden, in tweeën gedeeld tot slaapkamer en badkamer. In de voorkamer was in de nis een hoekkeuken gebouwd. Een keuken in je woonkamer bestond vroeger niet. Dat werd toch raar gevonden, zo'n werkplek in je woonkamer. En… om eerlijk te zijn, vind ik het nog steeds heel raar en lelijk om een keuken - en dan helemaal erg is een keukeneiland - in je woon-zitkamer te hebben. Dat dit ons is opgedrongen en verkocht als mooi, komt door het feit dat de bouwkosten veel lager zijn.

Harry toog naar het Mekka van de drugsverslaafden

Krantenbericht waarin de nieuwe plottafel wordt belicht. Foto: Roel Leijendekker

door Marten de Vries
Harry was een jongen die, qua postuur, niet bepaald veel indruk maakte op een hem onvriendelijk persoon. Hij nam dan ook meestal de benen als er ruzie was.
Hij had een spits muizengezicht, met ingevallen wangen, omkroond door een grote bos krullend, blond haar. Scheren deed hij zich niet en hij had her en der een plukje dons op zijn kin staan. Hij was altijd gekleed in een spijkerbroek en wit T-shirt, die al lange tijd niet meer gewassen waren. Bij lage temperaturen had hij ook nog een versleten grijze trui aan en, bij regen, daar nog een goedkoop plastic jack overheen.
Harry was geen Amsterdammer, maar afkomstig uit Brabant. Daar was ik ooit eens achtergekomen toen hij was aangehouden, omdat hij in ruil voor een enkel shotje heroïne de voorraad van een dealer verkocht, zodat deze buiten schot bleef. Maar ook aan zijn accent was zijn afkomst te horen.

Mekka
Toen hij niet meer buiten zijn dagelijkse portie heroïne kon was hij naar het Mekka van iedere drugsverslaafde getrokken: de Zeedijk. Vaak zat hij, samen met z'n maatje, op de leuning van de brug van de Oudezijds Kolk, of stond bij een groepje mensen die gelaten op hun dealer stonden te wachten, wetend dat het nog wel even kon duren vanwege de duidelijke aanwezigheid van de politie.

Zelf op zoek
Als het te lang duurde, kon de nood wel eens te hoog worden en ging hij zelf op zoek. Hij liep dan op z'n tenen in een poging om over de hoofden van de mensen heen te kijken, op zoek naar een bekend gezicht. Zo kon je hem vijf of zes keer voorbij zien komen en eenieder die hem aansprak snauwde hij af. Hij had geen tijd, hij had haast, zijn lichaam schreeuwde om dope. Hij moest 'scoren' en bleef net zolang doorgaan tot hij had wat hij wilde. Ik probeerde wel eens praatje met hem te maken. Meestal gedroeg hij zich afstandelijk, draaide zich om en liep weg of gaf een grote bek. Dit kon verschillende oorzaken hebben.

Moeilijkheden
Als hij op z'n dealer wachtte, zou de transactie zeker niet lukken met een politieagent in de buurt. Ook zou hij na een gesprek met een smeris wel eens moeilijkheden kunnen krijgen. Stel dat er ergens een inval plaatsvond. Misschien had hij de boel wel verraden. En Harry mocht geen problemen op de Zeedijk krijgen, omdat hij anders met z'n verslaving in de knoei kwam en geen dealer hem meer als klant wilde. Hij mocht zeker niet de indruk wekken dat hij een vriend van de politie was. Zo'n praatje lukte dan ook meestal als het rustig was op de dijk.
Om het in zijn eigen woorden te zeggen: hij was zo verslaafd als een konijn. Meestal lachte hij daar wat zuur bij en deed alsof het hem niet zo veel interesseerde.

Veel geld nodig
Om in zijn dagelijkse portie heroïne te voorzien had hij veel geld nodig en zijn uitkering was daarvoor niet toereikend. Enige dagen nadat hij z'n geld van de Sociale Dienst had ontvangen was het al op. Daarom verdiende hij bij door auto's open te breken en alles mee te nemen wat enige waarde had en geld op zou brengen. Vooral autoradio's, die hij voor een habbekrats verkocht aan helers die zich regelmatig in een groepje ophielden op de hoek van de Zeedijk en de Nieuwmarkt.
Hij had zich gespecialiseerd in auto's met buitenlands kenteken, omdat er in deze auto's meestal meer te halen viel dan in auto's van reeds door ervaring gewaarschuwde Amsterdammers.

In alle staten
Werd hij eens een keer gepakt, dan was hij tijdens het overbrengen naar het bureau in alle staten. Zeker als dit overbrengen te voet, over de Zeedijk of omliggende straten, gebeurde. De vloeken en dreigementen galmden tegen de gevels van de huizen. Doch zodra hij het bureau had betreden was hij zo mak als een lammetje en kwam hij zelfs wat verlegen over. Tenzij er een arrestant, afkomstig van de Zeedijk, op de arrestantenbank zat. Harry was afhankelijk van het milieu op de dijk en liet dan duidelijk zien dat er met hem niet te spotten viel.
Als hij na verhoor werd heengezonden ging hij op zoek naar geld en heroïne. Vaak was hij te lang zonder geweest en het was te zien dat hij in een miserabele toestand verkeerde.

Wikkel met wit poeder
Hij vertelde me eens dat hij op z'n achttiende met z'n vrienden in het weekend vaak naar het café ging. Op een avond werden hij en z'n maten aangesproken door een man die hen een wikkel met wit poeder toonde. Dat moesten ze eens proberen. Te gek, man! Nieuwsgierig liet hij zich door de man instrueren hoe het spul te gebruiken en hij had zich in zijn leven nog nooit zo goed gevoeld. Toen hem het volgende weekend in hetzelfde café door dezelfde man nogmaals een portie werd aangeboden zei hij geen nee. Dit herhaalde zich nog een paar keer en daar hij wist dat heroïne verslavend was, besloot hij om het de volgende keer af te slaan. Hij wist nu hoe het was. Maar het was te laat. Hij begon er behoefte aan te krijgen om zich niet beroerd te voelen.

Verslaving
Echter, hij kreeg het niet meer aangeboden. En toen hij erom vroeg moest hij ervoor betalen. Des te erger zijn verslaving werd, des te meer geld hij nodig had. Uiteindelijk werd hij door zijn ouders het huis uit gezet. Daar had hij begrip voor.
"Ik zou hetzelfde gedaan hebben", zei hij.
Volgens zijn ouders was er geen land meer met hem te bezeilen. Regelmatig verkocht hij iets bij de plaatselijke lommerd, iets dat hij uit het huis van zijn ouders had meegenomen. Na wat omzwervingen kwam hij in Amsterdam terecht.

Overleden aan een overdosis
Toen ik op een ochtend in de kantine van het bureau Warmoesstraat een kopje koffie zat te drinken, overhoorde ik een gesprek tussen twee collega's. Eén van de twee had nachtdienst gehad en stond op het punt om naar huis te gaan. Hij had samen met een collega Harry aangetroffen in een smerig kamertje in een nabijgelegen louche pension. Hij was overleden, niet aan een overdosis, maar aan een hartstilstand.
Harry was versleten en dan te bedenken dat hij kort daarvoor eenentwintig jaar was geworden…

'Aan mijn lijf geen polonaise'

Van Jos Wiersema, initiatiefnemer van het Geheugen van de Amsterdamse Tram (www.amsterdamsetrams.nl), hebben we toestemming om artikelen van deze site mee te nemen in de Amsterdamse Krant. Dat geldt ook voor de rubriek van Tom Mulder. We hebben de afgelopen periode al veel verhalen gepubliceerd, met name van echte kenners en 'tramgekken'. De komende periode plaatsen we reacties van enthousiaste lezers van de site, die voor lezers van de Amsterdamse Krant ook vaak een feest van herkenning zullen zijn.

door Valiant (oud-medewerker GVB)
Het GVB kwam in de jaren 80 met het onzinnige besluit dat trambestuurders net als de busbestuurders eens in de vijf jaar voor de medische keuring moesten verschijnen bij de bedrijfsarts.
Nou is daar niets op tegen, maar dan wel door een onafhankelijke arts en niet door de bedrijfsarts.
Maar goed, je werd ervoor opgeroepen in de baas zijn tijd dus we gingen maar naar de Havenstraat. In dat gebouw zat de dokter op de eerste etage.
Ik was samen met een vaste bestuurder van lijn 16, Kale Willem, eenieder welbekend. We moesten er alle twee om tien uur zijn. We werden samen binnengeroepen en we wachtten op wat er zou gaan gebeuren.
Ik moest bij de dokter komen, die met de keuring begon. In een boek met kleurtjes kijken en Wim moest bij de zuster komen voor de keuring.

Nou was Wim een kei van een collega. Hij stond altijd voor eenieder klaar, was erg sociaal bewogen en ook een echte Amsterdammer met het hart op het puntje van zijn tong en die voor niemand zijn mond hield, wie het ook was, de directie incluis.
Wim was dus bij de zuster en die begon met: "We zullen maar beginnen met een hartfilmpje, doet u uw overhemd maar even uit."
Wim trok zijn overhemd uit en stond in zijn blote body met een partij haar op zijn borst waar je u tegen zei.
"Dat zullen we maar eens even wegscheren", zei ze.
Wim gaf ad rem als antwoord: "Ik dacht het niet. Op mijn kop heb ik niets meer, maar van mijn borsthaar blijf je af, daar is mijn vrouw gek op en als dat er af gaat hoef ik niet meer thuis te komen. Dan sta ik vanavond met mijn koffertje buiten op de stoep en aangezien er in de remise geen slaapplaatsen zijn heb ik een probleem."
De zuster keek hem stomverbaasd aan en dacht dat hij een grapje maakte, maar de dokter had het vlekkeloos door.
De dokter had de oplossing en zei: "Kom maar hier. Ik doe de bloeddrukmeter wel even om je arm en maak dan maar tien diepe kniebuigingen."

Wim keek mij heel verbaasd aan en vroeg me: "Wij zijn toch bijna gelijk in dienst gekomen, wij verdienen toch hetzelfde salaris?"
"Ja Wim, we verdienen evenveel."

Wim keek me aan en vroeg: "Kijk jij wel eens op je loonstrook?"
"Ik wel en ik heb er nog nooit een toeslag op zien staan voor tien diepe kniebuigingen, jij wel?" En hij lachte zich rot. "Dokter, ik vind het leuk hoor, maar aan mijn lijf geen polonaise. Ik ga datgene doen waar ik hier voor in dienst ben gekomen: ik ga rijden, mijn passagiers liggen nu in de stress omdat ze me niet zien rijden. Goedemorgen allemaal!"
Wim had in de tussentijd zijn overhemd alweer aangetrokken en verdween door de deur.
De arts en de zuster keken elkaar eens aan, maar durfden niets te zeggen omdat ik er nog stond.
Of hij ooit die keuring nog gehad heeft weet ik niet, het was ook maar eenmalig. In die 35 jaar heb ik het nooit meer meegemaakt.

Lekker kakken

door Valiant
Het huisje in de Van Hallstraat was door vandalen in de brand gestoken, dus geen huisje meer. De volgende dag stond er een groene bouwkeet op wielen als vervanging, maar geen toilet: dat was een losse ronde unit die naast het huisje stond.
Een van de collega's kwam van zijn wagen af omdat hij schaft had en zei in het algemeen: "Ik ga eerst eens lekker kakken", liep naar buiten en nam plaats in de toiletunit.
De Van Hallstraat was toen een drukke doorgaande weg, ook bus 18 reed er toen al.
Na een paar minuten liepen ineens twee collega's naar buiten en bleven een tijdje weg.
Toen ze weer binnenkwamen zeiden ze: "Moet je eens naar buiten kijken."
Wat hadden ze nou gedaan? Ze hadden de toiletunit midden op de kruising Van Hallstraat / Van der Hoopstraat neergezet.
Op het moment dat ze dat deden zat de collega al met zijn broek op zijn hielen rustig te poepen en kon moeilijk uit de unit stappen. Hij had wel wat gevoeld, maar wist niet wat er gebeurde.
Alle auto's en bussen raasden aan beide kanten om de unit heen.
Toen hij met alles klaar was, deed hij de deur open en stond hij midden op de kruising, met de ellende dat door het schudden er enige troep over de pot heen was gekomen.
De collega's stonden te brullen van het lachen, maar we waren wel zo sportief dat we hem naar huis hebben gestuurd om zich schoon te maken en gaven hem stoombonnen voor zijn pantalon. Hij woonde vlak bij het eindpunt. Iedere bestuurder schoof een wagen op, zodat de wagen die hij weer moest hebben na zijn schaft, toch gereden heeft.

(De foto's bij dit artikel horen bij de column van Tom Mulder die hiernaast staat en betreffen de aanleg van de trambanen bij de Czaar Peterstraat en Zeeburgerdijk ten behoeve van lijn 10 en zijn gemaakt door Tom Mulder).

Geheime hobby

In de jaren 60 was ik abonnementhouder bij het GVB. Dus overal in Amsterdam waar trams en bussen reden had ik vervoer. Daarnaast hoefde ik nooit in de rij voor de conducteur op drukke achterbalkons op de gelede wagens, maar kon ik heel chic voor bij de bestuurder instappen. Alsof ik de directeur was. Zo voelde ik me ook. En dat voor maar fl.18,- per maand.
Het is jammer dat de trams me niet helemaal thuisbrachten en dat, als extra service voor vaste klanten, een bestuurster me naar bed bracht en me 's ochtends weer wakker maakte met een glaasje sinaasappelsap en een gekookt eitje. Natuurlijk kwam de belangstelling voor de trams en bussen op de eerste plaats. Maar overal waar ik leefde, dacht ik maar aan twee zaken: de trams en bussen en… de radio.
Toen het blauwe wagenpark noodgedwongen en droef afnam en daaruit voortvloeiend mijn hysterische interesse voor trams, kwam er plotseling iets bijzonders op mijn pad wat hun plaats innam.
En dat was de komst van de Engelse radiopiraten. Het begon met Radio Caroline op Goede Vrijdag 1964. Enkele weken daarna gevolgd door Radio Atlanta, dat later weer fuseerde met Radio Caroline. Met kerst '64 opende zich de radiohemel met de komst van het op Amerikaanse radio gebaseerde radiostation (wonderful) Radio London.
Alles bij elkaar waren er binnen een jaar ELF verschillende op Engeland gerichte radiopiraten met soms heel sterke zenders! En natuurlijk hadden we hier het sinds 1960 opererende Radio Veronica. Net zoals in Nederland was de radiosituatie in Engeland erbarmelijk. Sterker, zowel de Nederlandse als de Britse omroep schaamde zich diep als ze heel ordinair een populaire grammofoonplaat draaiden.
Natuurlijk heeft in principe railvervoer niets te maken met radio. Maar het is opmerkelijk dat veel radiomedewerkers in binnen- en buitenland geïnteresseerd zijn in railvervoer. Natuurlijk zijn veel radiofans vaak niet beroepsmatig met radio bezig. Maar er is nog een tak aan deze stamboom en dat is de tak van de schepen.
De cirkel was daarmee rond. Ik heb het nooit iemand horen zeggen, maar die combinatie is ongetwijfeld de reden van het voortdurende enthousiasme voor radioschepen, terwijl zij alle al lang, heel lang geschiedenis zijn. Terwijl ze dus geschiedenis zijn, is de tak van de trams nog altijd springlevend en groeiende door de voortdurende uitbreiding van het (internationale) tramnetwerk.
Want als je denkt dat de mooie tijd van trams in het verleden ligt, dan staat je nog wat te wachten! We zitten pas aan het begin van de besmettelijke trammolitus.

Hofjes in de Elandsstraat

31

Het door bouwmaatschappij Concordia gebouwde Hof van Parijs.

door Jos en Frits Mol, Adrie de Koning

Inleiding
In aflevering 17 van 28 oktober 2015 hebben we reeds het Venetiae- of Maarloopshofje aan de Elandsstraat 104-142 behandeld. Maar er waren nog veel meer hofjes aan de Elandsstraat. De volgende hofjes zullen we kort bespreken: het Hofje van Voorzienigheid op 34 (later RK. gesticht De Voorzienigheid), het Mosterdpothofje op 153-171, het Hofje van Parijs op 160-180, St. Aloysiushofje 177 en het Concordiahofje Zuid op 183-197. Daarenboven kwamen er nog drie hofjes voor namelijk het Menisten- of Mennonietenhofje op 4-6, het Salamanderhofje op 44-60 en het Bakkershofje op 133-145. Maar er is over deze laatste drie hofjes verder niets te vinden.

Ligging
De Elandsstraat is gelegen tussen de Lauriersgracht en de Elandsgracht. Beide grachten eindigen in de Lijnbaansgracht en de Prinsengracht. Reeds eerder zagen we dat in de Anjelierstraat een aantal gangen aanwezig waren, die later hofjes werden. De Elandsstraat is of was ook zo'n straat met vele gangen.
Op de oneven nrs. lag bijvoorbeeld tussen nrs. 7 en 13 de Zwarte-Arendsgang. Tussen de nrs. 23 en 33 de Smidsgang of Vijf-Gerstebroodengang en tussen nrs. 37 en 55 de Mandenmakersgang. Tussen de nrs. 71 en 83 de Bloempottengang en tussen 85 en 101 de Vetermakersgang, die ook wel Victorsgang genoemd werd. Tenslotte tussen de nrs. 105 en 109 de Dolphijnengang, ook wel Vergulde Dolphijnen- en soms Dollewijnsgang genoemd. Tussen de nrs. 133 en 145 lag de de Slagters- of Slagersgang, ook wel Nieuwegang en soms Bakkershofje genoemd. Aan de even noordzijde lagen bijvoorbeeld de Bries-, Spooken- en/of Merselaarsgang op nrs 34 en 40, de Salamandergang op nrs 44-60 en de Danswijker- of Dantzigergang op nrs 68-84.

Concordiahofje zuid/hoek Elandsstraat-Lijnbaansgracht.

Bijzonderheden
Van de volgende hofjes uit de Elandsstraat is iets bekend:

Hofje van Voorzienigheid
Op nr. 34 bevond zich het klooster van de Congregatie der Zusters van De Voorzienigheid. Het eerste huisje werd in 1856 aangekocht: de 'Franse Tuin' in de Elandsstraat. De geldschieters waren de rijke, katholieke heren van de Vereniging van Weldadigheid. Nadat er ook huizen in andere plaatsen werden opgericht, werd de Lauriergracht het moederhuis.

Mosterdpothofje
Tussen de nrs. 153 en 171 lag het Mosterdpothofje. Dit hofje is in 1873 ontstaan door de herbouw van 10 nieuwe huisjes aan de Mosterdpotgang. Uniek was dat deze nieuwe huisjes een aansluiting op het riool kregen. Van de beeldhouwer Simon Petrus van Veen hebben we terug kunnen vinden dat hij in 1790 en 1828 op het Mosterdpothofje heeft gewoond.

Hofje van Parijs
Het grootste hofje in de Jordaan, dat in 1902 werd afgebroken, is gesticht in 1858 voor arbeiders ,net als het Concordiahofje. De filantropische woningbouw is uitgevoerd door P. J. Hamer, een architect die tegen lage kosten degelijke, betaalbare woningen wist te realiseren. Hofjes als dit Hofje van Parijs, het Constantiahofje en Concordiahofje behoorden tot deze filantropische woningbouw. Voor het ontstaan van de Jordaan heette de huidige Elandsstraat het Margrietenpad. Het Hofje van Parijs lag tussen de nummers 158 en 178. Een herberg genaamd 'Het Hof van Parijs' lag er in de 17e eeuw voor Franse vluchtelingen. In de 19e eeuw was dit een binnenhof met dertig huisjes die bereikt konden worden via de Boerengang. Het zat vol met ongedierte in de gang en het wemelde er van de kwartjesvinders en morgensterren. In 1858 heeft P. C. van Eeghen het Hof van Parijs gekocht en laten opknappen. De panden hebben dezelfde weg afgelegd als die van het Concordiahofje.

St. Aloysiushofje
Op nr. 177 lag het Sint Aloysiusgesticht of -hofje, later ook Huize St. Aloysius genoemd dat in 1846 gesticht werd. Het gebouw was een voormalige suikerfabriek, zoals er zo veel in deze buurt stonden. Het was geschonken aan de Heerenvereeniging van Weldadigheid door regent Van Cranenburgh.
Dit was een complex met diverse katholieke instellingen, waaronder een lagere school. De rest van het blok lag in 1853 nog grotendeels braak met wat bebouwing aan de Lijnbaansgracht. Op de kaart van 1876 is de gehele ruimte bebouwd door Bouwmaatschappij Constantia, die hier net zo'n blok arbeiderswoningen bouwde als aan de Westerstraat. Het gebouw van het Aloysiusgesticht bestaat niet meer. Er is een modern Regionaal Opleidings Centrum (ROC) voor koks voor in de plaats gekomen.

Concordiahofje zuid
Het is gesticht in 1858/1859 en was bestemd voor arbeiders. De filantroop en zakenman C. P. van Eeghen, die nauw betrokken was bij de 'Vereeniging ten behoeve van de Arbeidersklasse', kocht percelen op, sloopte die en liet er het Concordiahofje op bouwen. In 1917 zijn de woningen overgenomen door de gemeente Amsterdam. In de jaren 80 van de vorige eeuw zijn de woningen in het kader van de stadsvernieuwing gerenoveerd. Sinds 2004 zijn ze in beheer van Ymere.

Op een broeierige dag in de zomer van 1992 scheur ik met mijn busje over de Plantage Middenlaan. Achterin zit agent Thomas, mijn collega van politiebureau IJburg. Naast hem zit Harry. De stank in mijn auto is bijna ondragelijk. Een mengeling van poep, urine en verrotting dringt mijn neusgaten binnen. Wat heb ik me in vredesnaam op de hals gehaald?

Via mijn achteruitkijkspiegel houd ik de mannen nauwlettend in de gaten. Thomas heeft een arm losjes en ongemakkelijk om Harry's schouder geslagen, zijn andere arm houdt hij voor zijn mond. Hij ziet spierwit en kijkt strak voor zich uit. Harry wiegt zachtjes heen en weer en neuriet een monotoon deuntje. We zijn op weg van de Jodenbreestraat naar de ontsmettingsdienst van de GGD aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam-Oost.
Nog geen vijf minuten geleden hebben we Harry voor de boekwinkel van zijn broer Wim opgepikt. Daar was hij plotseling opgedoken. Totaal verwaarloosd en letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Wim had zijn broer jaren niet gezien. Hij wilde Harry helpen, maar wist niet hoe. Dat begreep ik wel. Harry was niet aanspreekbaar en zag er verschrikkelijk uit. Ik schatte hem op een jaar of veertig, maar dat bleef een gok omdat zijn tengere gezicht verweerd was en onder de korsten zat. Zijn gescheurde en versleten kleren waren botervet en ranzig. Hij was erg mager en had piekerig, ongewassen haar. Het was niet te zien of hij schoenen droeg of niet. Maar het ergste van alles was de poep die uit de pijpen van zijn spijkerbroek sijpelde.

Ik vond de situatie mensonwaardig en wilde Wim graag helpen. Ik had de rijdende psychiater kunnen bellen of een ambulance, maar ik verwierp beide mogelijkheden. Te veel rompslomp. Harry moest eerst schoon. Dat kon ik zelf wel regelen. Ik belde mijn collega's van de ontsmettingsdienst met instructies.

Na een tocht die eindeloos lijkt te duren parkeer ik mijn busje pal voor de gietijzeren deur van het gebouw. We stappen uit en lopen snel naar binnen, Harry stevig tussen ons in geklemd.
In de vier badkamers die het complex telt lijkt het of de tijd heeft stilgestaan. Het zijn bedompte ruimtes zonder buitenlicht, met gele wandtegels, een rode vloer, tl-buizen en ingemetselde emaillen baden. In iedere badcel staat een plastic stoel. In de hoek een wastafel met spiegel. Er liggen scheermessen, nagelschaartjes, kappersbenodigdheden, handdoeken, zeep en shampoo. (10/6)

(Wordt in de volgende editie vervolgd)