De Amsterdamse Krant

2 februari 2016

De Amsterdamse Krant 2 februari 2016


Een winterse brand maakte van een loods een pracht ijspaleis

Foto: Lianne de Bruijn

We vroegen winterse verhalen en kregen winterse verhalen, genoeg voor alleen deze editie al twee pagina's winterpret.

door Bert Hoffschlag

De winter van 1978/79 mocht er ook zijn. Op een dag in december vlak voor oud en nieuw ging ik met mijn zwager wat klussen aan zijn auto bij de Rietlanden (in het Oostelijk Havengebied) waar hij werkte. Op een gegeven moment gingen we boven in de kantine even een broodje eten. Bij het naar buiten kijken van de vele opslagloodsen zagen we rook uit een dak komen. Opeens ging dat erg snel: de vlammen kwamen tevoorschijn en het vuur breidde zich snel uit. De ene loods na de andere ging in de fik, er was geen houden aan. De brandweer is de hele middag aan het blussen geweest.

Foto: Lianne de Bruijn

Een sprookje
Aan het eind van de dag begon het te vriezen. De volgende dag zijn we er weer naartoe gegaan om te kijken. De camera natuurlijk meegenomen. Wat we toen zagen was een sprookje. Een groot ijspaleis was het. Dat zijn dingen die je nooit meer vergeet. Ik stuur de foto's van na de brand mee.

door Henny van der Sluijs

Jullie vroegen om 'echte winterverhalen'. Ik heb weer twee korte vertelsels voor jullie.
Begin of midden jaren 70 had het enorm geijzeld. Zo erg dat we op de schaats naar school 'moesten'. Wat ik dus ook meteen deed, want ik schaatste graag. Met een boekentas om mijn nek en een gymtas op mijn rug van West naar Zuid op kunstschaatsen en af en toe klunen. Het viel niet mee, maar ik deed het met plezier en 's middags naar huis terug ook.

Plantsoen
Ook schaatste ik die winter op het plantsoen bij ons aan de overkant, maar daarvan kreeg ik het zo warm dat ik mijn muts en das aan een struik hing, wat later mijn jack, vervolgens mijn dikke vest en tot slot mijn blouse, zodat ik uiteindelijk in een T-shirt en een lange broek over het ijs zwierde. Bezweet en met mijn kleding onder de arm naar huis om te eten en u raadt het natuurlijk al? Dubbele longontsteking! Ik heb een paar dagen op het randje gelegen, maar redde het door mijn vechtersmentaliteit. Ik ben daarna nooit meer zo dom geweest om iets uit te trekken bij het schaatsen.

IJzelperiode
Mijn tweede verhaaltje dateert uit de winter 1984-1985. Ook toen hadden we een ijzelperiode, ik meen eind januari '85. Mijn man en ik hadden meegedaan aan een bridgeavond van ons stamcafé in de binnenstad en zouden door een kaartgenoot naar huis gebracht worden. Ik liep niet helemaal stevig vanwege mijn reeds 6½ maanden tellende zwangerschap van onze eerste en kwam op een gegeven moment op een ijzelplek terecht, waar ik een prachtige spagaat maakte en op straat kwam te zitten. Leve mijn turn- en balletachtergrond, want ik kwam heel gecontroleerd in spagaat neer!

Veilig thuisgekomen
Mijn man en onze liftgever hielpen mij overeind en we zijn veilig thuisgekomen. Vaak hoor je dat een zwangere vrouw op zo'n moment spontaan in de weeën schiet, maar onze zoon had blijkbaar geen zin in zo'n ijskoude geboorte, dus hij bleef tot een week na de uitgerekende datum in april in mijn warme buik spelen.

door Sake van der Zee

Van de winter van eind 1962/begin 1963 weet ik - ik ben van 1946 - me nog goed te herinneren dat wij als jongens van Amsterdam-Noord naar Schellingwoude zijn gegaan om daar iets unieks te beleven: we konden lopen over het IJ. Dat het uniek was, wisten we trouwens toen niet, dat werd ons pas gaandeweg het verloop van de jaren helder. Wat een kou was het toen zeg en het bleef maar koud, er kwam geen einde aan. Maar toch fietsten we compleet verkleumd naar dat mooie dorpje aan het IJ, want daar moest je zijn.
Het was een vreemd gezicht toen we daar aankwamen. Allemaal mensen op die plek die je normaal alleen maar dobberend en kabbelend ziet en nu was het één grote schaatsbaan. Wij zijn toen heel ver over het ijs gaan lopen, zo ver dat het ijs gevaarlijk begon te kraken en we toch maar snel weer naar de wal gingen. Maar die tocht is me altijd bijgebleven.

Lees meer winterverhalen op pagina 2.


foto 1                 Bijschrift: Na de brand bij Gebr. De Jong ontstond een ijspaleis. Foto: Bert Hoffschlag foto 2                 Bijschrift: De brand in het Oostelijk Havengebied vergeet Bert Hoffschlag nooit meer. Foto: Bert Hoffschlag

Nieuwe raadplaat

Op de vorige raadplaat zijn weinig inzendingen gekomen, waarschijnlijk door de feestdagen. Het betrof de hoek van de Cornelis Krusemanstraat (zichtrichting Valeriusplein) en de Hendrik Jacobszstraat (zichtrichting Koninginneweg), zoals Gielijn Escher laat weten. Op de nieuwe raadplaat die we op deze plek afdrukken, verwachten we veel meer inzendingen. Natuurlijk over de plek, maar ook informatie over bijvoorbeeld de voertuigen die bij dit ongeval betrokken zijn, is welkom. We verwachten in de volgende editie minimaal één pagina met oplossingen.
U kunt uw inzending mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Foto: geheugenvanoost.nl

Winter

Foto: Lianne de Bruijn

Winterse verhalen, we krijgen er geen genoeg van. Het dichtvriezen van de Sloterplas, de enorme brand van C&A in 1963, vastlopend verkeer door hevige sneeuwval en noem maar op: het zijn van die gebeurtenissen die voorgoed in ons geheugen zijn gegrift.
In deze editie hebben we de eerste twee pagina's met verhalen over strenge winters, maar in de volgende editie gaan we er vrolijk mee verder. En u kunt uw verhaal natuurlijk nog steeds inzenden via info@amsterdamsekrant.nl.

'Mijn persoonlijke Tocht der Tochten in de Indische Buurt in Oost'

Foto: Lianne de Bruijn

door Anneke Koehof

Het is bijna niet voor te stellen dat het alweer 50 jaar geleden is, die vreselijke koude winter van 1962/1963. We worden nu op de televisie doodgegooid met 'Komt-ie wel of komt-ie niet', en dan bedoel ik natuurlijk de Elfstedentocht ofwel de Tocht der Tochten met een hoofdletter T!
Alle Elfstedentochten, zeker die van na 1963, zijn niets vergeleken met die van toen, want wat was het erbarmelijk koud!

Vrolikstraat/Kastanjeweg
Ik woonde destijds op de hoek Vrolikstraat/Kastanjeweg op drie hoog in het huis waar mijn oma Koehof gedurende haar huwelijk en daarna heeft gewoond. Het lukte mij niet om de haard brandend te houden, de melk stond 's morgens bevroren in het pannetje, de keuken was een koelkast.

Kolen niet te krijgen
Kolen waren bijna niet meer te krijgen, de handelaren leverden alleen nog aan 'vaste' klanten.
Ik werkte op de reclameafdeling van VRG Papier op de Hoogte Kadijk en kreeg er op zeker moment lucht van dat je zakjes kolen kon kopen bij de SHM (Steenkolen Handels Maatschappij), die ook op de Hoogte Kadijk zat. Uren hebben wij daar, elkaar aflossend, in de rij gestaan en gelukkig met succes: de kachel kon weer een poosje branden.
Sommige mensen zagen er potsierlijk uit, allerlei kleding werd over elkaar aangetrokken en je zag mannen met over hun pet een dameshoofddoek.

Gruwelijke verhalen
In de krant stonden gruwelijke verhalen. Zo werden vastgevroren watervogels 'gered' door ze met grof geweld uit het ijs te trekken; dat lukte dan alleen met het bovendeel...
Die dag, de 18de januari, vroor het overdag een graad of zes, maar door de harde oostenwind was de gevoelstemperatuur (kenden we dat woord toen al?) vele malen lager. Ik had het daar op de Kastanjeweg zo verschrikkelijk koud gekregen dat ik besloot de warmte op te zoeken in het huis van mijn toekomstige schoonouders.

Oostenwind tegen
Dat was op de fiets niet eens zo ver, maar ik had de oostenwind pal tegen, mijn vingers waren totaal gevoelloos en mijn tenen lagen los in mijn schoenen. Ik zat te huilen van de kou en kwam totaal onderkoeld in de Soembawastraat aan, waar ze mij met warme melk en niet al te dicht bij de altijd snorrende kolenhaard 'ontdooiden'.

's Avonds zagen we de Elfstedentocht op de tv. Door de toenmalige zwart-witbeelden leek het nog erger dan het toch al was, maar voor mij was mijn fietstocht van de Oosterparkbuurt naar de Indische buurt op 18 januari 1963 mijn persoonlijke tocht der tochten!

Ik op
mijn
ene
schaats
-been

door Peter Koghee

Oom Loe, paukenist bij de Nederlandse Opera, had één grote passie, namelijk fotografie. Gewapend met zijn Leica-fototoestel legde hij alles, maar dan ook alles wat hij tegenkwam op de gevoelige fotorol vast.
Het ontwikkelen, belichten en afwerken van de uiteindelijke fotografie gebeurde in zijn donkere kamer, opgetrokken op de hoogste verdieping, de lattenzolder, van het pand. Oom Loe was dan ook erg in zijn nopjes toen hij door een der solisten, een ietwat corpulente bariton, gevraagd werd om een foto van hem te vervaardigen die hij, in een bepaalde oplage, voor promotiedoeleinden kon gaan gebruiken.
De afspraak was dat de zanger tijdens de repetities gefotografeerd zou worden telkens als Ome Loe ruimte had en hij vrij had van het bespelen van de, zoals hij het gekscherend noemde, boemketel.

Het is koud! Jemig wat is het koud!
De ijsbloemen op mijn tuinkamer staan een duim dik op het venster en de thermometer in de tuin telt min 6 graden. En ik? Ik ben de ergste koukleum van het westelijk halfrond. Gelukkig is het in onze keuken in de Holendrechtstraat even koud als op mijn slaapkamer, dus hoef ik niet aan het temperatuurverschil te wennen. Vlot een natte lap met leidingwater over mijn snoet en ik haast me om me zo warm mogelijk in te pakken. Dat ik daarbij niet lette op wat de laatste mode voorschreef mag duidelijk zijn.

Wandelende lappenpop
Met andere woorden: ik leek sprekend op een wandelende lappenpop, maar dan wel een waar lijn 4 zeven keer overheen gereden had. Mijn gedachten dwaalden af en bleven steken bij het dichtgevroren Zuider-Amstelkanaal. Ik dook in de voorraadruimte onder de trap en viste een paar verroeste rondrijders tevoorschijn waarop ik een paar jaar daarvoor met gepaste tegenzin rondjes op had gedraaid. En voor alle duidelijkheid, op deze rondrijders, de naam zegt het al, kon je alleen maar in de rondte rijden. Voor simpel rechtdoor was dit model schaatsen ten enenmale ongeschikt. Maar uitstekend passend bij mensen met een hekel aan de winter, aan sneeuw, aan kou en bovenal aan schaatsen, kortom: prima passend bij iemand zoals ik. Ik slenterde richting Amstelkade, bond de schaatsen onder en begaf me op het ijs.

Een soort van ijsbaan
Zo relaxed als mogelijk schaatste ik in de richting van een paar bekenden, maar voordat ik hun kon bereiken waren zij als bliksemschichten er op hun Friese doorloopijzers vandoor gegaan. Ik kroop onder de brug bij de Rijnstraat door en belandde op het gedeelte bij de P. L. Takstraat waar een soort ijsbaan was aangelegd. In een vlaag van waanzin besloot ik ook een rondje mee te draaien. Alhoewel ik vrijwel constant door iedereen werd ingehaald lukte het mij na veel gekras een halve ronde op de ijsbaan afteleggen. En precies daar stond Ome Loe de schaatsende meute met zijn camera vast te leggen.

Richting Ome Loe
Even liet hij de camera zakken en knikte naar mij, wenkte mij, mompelde iets van, ik dacht, Mephisto en verzocht mij of ik slechts op een been à la Sjoukje Dijkstra op hem af wilde schaatsen. Ik voldeed aan zijn wens en stortte mij als een volleerd lid van Holiday On Ice op één schaats richting Ome Loe. De lappen om mijn lijf en de drie wollen sjaals wapperden daarbij vrolijk om me heen zodat het leek of het beroemde ballet 'De Vuurvogel' door mij persoonlijk ter plekke werd opgevoerd.

Even geduld
Ome Loe bedankte mij voor mijn inspanning en nam afscheid met de belofte dat hij binnenkort de foto van mij bij ons thuis zou deponeren, maar dat ik even geduld moest tonen omdat hij eerst een serie foto's moest afwerken: promotiemateriaal, voor een beroemde zanger.

Bariton
Een week of wat later, de vorst was weer voorbij, werd er 's avonds gebeld en Ome Loe bracht de foto met mij op mijn ene schaatsbeen. Daarbij vertellende dat de opdracht van de Bariton weliswaar op tijd was afgeleverd, maar dat er, door een voor hem groot raadsel, op een aantal opnamen van de bariton mijn vuurvogelschaatsact duidelijk op 's mans buik zichtbaar was. En dat een intendant van een Duits operahuis de foto, 'Bariton met kunstschaatser op buik', niet in dank had aangenomen en zeker niet in aanmerking zou komen voor promotiedoeleinden van 's mans Opernhaus. Herr Intendant zag de humor er dus zeker niet van in.
Maar ja, Duitsers en humor hè?...

PS
De ijspretfoto is in de loop der jaren helaas zoek geraakt.

Luykx

door Marinus van der Leest
Precies welk jaar het was, weet ik niet, maar ik vermoed dat het, getuige alle verhalen over de winter van 1962 op 1963, in deze winter was: de brand bij Luykx (van de augurken en zure uien) in Diemen. Het was een grote brand heb ik later begrepen, maar gek genoeg was er bij Luykx zelf niet veel te zien. Er rookte wat en er waren veel brandweerwagens op de Stammerdijk waar ik aandachtig toeschouwer was. Maar een echte brand, nee, dat vond ik het niet. Misschien zijn er lezers die een heel andere perceptie hebben?

                 Bijschrift: In de winter van '62/'63 was ook de Sloterplas dichtgevroren. Dat is daarna nooit meer gebeurd.

Nozem paradepaardjes bij Rob Bron (1)

door Peter Koghee

1957
Mijn vaders fietsen- en bromfietszaak op de Amsteldijk krijgt er een concurrent bij. Jan Bron, de vader van Rob Bron, begint een handel in 2e hands bromfietsen in de tuin en schuur van een woning aan de Vrijheidslaan, naast de praktijk van dokter Van Ooijen.
Ik ontmoet Robbie voor het eerst als hij bij mijn vaders pomp een paar liter benzine (mengsmering 1:25) komt halen. Terwijl ik Robbies jerrycan vul, raken we aan de praat en het klikt meteen, hij jarig op 16 mei, mijn vader op 16 mei en ik 17 mei. Kortom, Rob nodigt me bij hem thuis uit. Die middag bel ik aan en een grote corpulente man doet open en stelt zich voor als de vader van Rob, met een: "Zeg maar Jan".

In de tuin word ik rondgeleid en zie dat er prachtig glanzende, blitse brommers en motoren staan. Heel anders dan de ouwelullenbrommers die mijn vader in zijn etalage heeft staan. Nee, hier staan echte nozem paradepaardjes: Benneli, Kreidler, Royal Nord, NSU, Ducati en Demm. Ik spreek met Rob af dat ik hem aan een vriendje van mij zal voorstellen, een vriendje dat op zijn slaapkamer zelf een racebrommer aan het bouwen is. We spreken af dat we de volgende zaterdag bij hem, Charles de Heer, in de Holendrechtstraat gaan kijken. Charles' brommer bestond uit een allegaartje van in elkaar geflanste frames en motoronderdelen. Hoofdbestanddeel van zijn racemonster waren een Royal Nord frame en motor. Verder had Charles de cilinder laten uitkotteren voor een overmaats zuiger, een verstelbare sproeier en een zelfbedachte (extra) versnellingsbak gemonteerd zodat zijn racertje niet standaard over drie, maar over acht versnellingen beschikte. Om het racemonster een echt racegeluid te geven had Charles de uitlaat vervangen door een lange koperen buis. "Hoe klinkt-ie?", vroeg Robbie. "Zo", antwoordde Charles en prompt startte hij zijn brommer, gaf een paar maal volgas ('m effe laten ruiken in vaktaal) en een jankend geluid en een dikke walm vulden zijn slaapkamer. Zijn moeder maakte hetzelfde geluid toen ze de slaapkamer binnenstormde. "Charles! Dit is verdikkeme al de derde keer deze week dat je dat kreng start." "Ja ma, maar ik moest de jongens alleen even laten zien dat-ie het doet. En om hem telkens de trap af te tillen…"

Wonderolie
"Trouwens jongens, wat vonden jullie van de geur van de rook? Ik heb d'r wat Wonderolie in gedaan, in de tank bedoel ik." Rob en ik keken elkaar aan en konden alleen o zeggen.
Rob en Charles werden echte brommermaatjes. Ik was niet zo begaan met motortechniek, vond het wel leuk om zo af en toe mee te brommen, maar sleutelen liever niet. Rob maakte een autoped met een motor en Charles maakte voor mij een autoped met een Berini op het voorwiel.

1958
Charles en Rob verbouwden brommers tot crossmotoren en ik, creatief met kurk, verbouwde op de Christelijke LTS Wibautstraat, tijdens het vak lassen en smeden, een oude transportfiets met Victoria-motor om tot (Zadkine had er water van in z'n mond gekregen) een soort crossmotorfiets. Op het land voor de Maple Leaf, een land vol kuilen en zandhopen crosten we. Aan Rob kon je gelijk merken dat hij een geboren coureur en evenwichtskunstenaar was. Sterk, onverschrokken, brutaal en bovenal moedig. Kortom, als Rob op zijn 'fiets' zat, kon je hem zelfs niet met een zware motor bijhouden. Rob vloog als een engel! En ik? Ik hield het crossen na een zware val, waarbij ik een tweede navel op m'n buik creëerde, verder voor gezien.

Volgende keer deel 2

Het Winterboek

Begin 2014 stopten we met de rubriek 'Dit komt nooit meer terug', die werd geschreven door Jos Mol. We zijn erachter dat er nog genoeg valt te melden over dingen, beroepen en gebeurtenissen die nooit meer terug komen. Vandaar dat we de rubriek voortzetten.

Foto: Lianne de Bruijn

door Karel van der Graaf
Elk jaar kreeg ik steevast voor Sinterklaas een winterboek. Of: een Winterboek, want dit mag best met een hoofdletter worden geschreven. Het Margriet Winterboek, want dit weekblad dat mijn moeder altijd las, was de afzender. Voorop - in mijn beleving was de cover meestal blauw, maar dat zal wel niet - stond altijd een mooie winterse plaat, logisch. Geen foto, maar een mooie tekening die je in het boek zoog. En daarna was het een aaneenschakeling van hoogtepunten. Korte verhalen, langere verhalen, stripverhalen (ik herinner me nog stripverhalen in zwart-wit van Richard Leeuwenhart en van Vidocq, een Franse soort detective), puzzels, rebussen, dingen die je kon knutselen om bijvoorbeeld in de kerstboom te hangen, aanmoedigingen om een toneelspel in elkaar te draaien, allerlei spelletjes; het was één groot feest. het doel was dat je er als kind de winter mee doorkwam. Welnu, dat is in mijn geval prima gelukt. Ik heb er nog steeds elf bewaard (waarvan acht met een blauwe harde cover) en ondanks alle technische dingen van tegenwoordig vinden mijn kleinkinderen de boeken ook leuk.

Reeds verschenen
In de voorganger van deze rubriek in De Oud-Amsterdammer verscheen in respectievelijke volgorde: de blauwe girobus, de brievenbus aan de tram, kruidenier P. de Gruyter, de vuilnisemmer met nummer, de verkeersagent, de telefooncel, de Afghaanse jas, de tv-antenne, de voddenman, dubbele remmen op de tram, de open tramwagen, rieten vloerbedekking, de ratelman, de schillenboer, bakkerskar en drollenprikker (deze in één aflevering), matten kloppen, de ponskaart, de postzegelautomaat, 'vleesch voor honden en katten', de brandmelder, de scharensliep, de spaarzegel, het licht- en gasmuntje, warmtekrulspelden, drankje Trio en aardappelschilcentrifuge (de laatste drie in één aflevering), de knijpkat, de looien draaier, ijsstaven, het badhuis, losse melk, de kattenbakcentrale, pruimtabak, de triotrack, de letterzetter, de bruggentrekker, de klaar-over en knipperbol, de marskramer, de dienstbode, de rekenliniaal en passerdoos (in één aflevering), de kruier, de filmrol, de pompbediende, de straatveger, de parlevinker, de tonnenmaker, de telex/telefax, de koetsier en de zuurkar.
Recent is hier in de Amsterdamse Krant aan toegevoegd: de Lach, het cassettebandje, de floppydisk, de alpinopet, Dick Bos, het petroleumstel van Haller en speldjes om te sparen.

Machtig Mooi Mokum: Vroeger was een agent oom agent

Kleren maken de man. Toen ik las dat de politie liever in een gevechtspak loopt, moest ik met weemoed denken aan de tijden van weleer. Dat een smeris nog oom agent en diender was, die je buurvrouw vriendelijk duidelijk maakte dat ze 's ochtends na tien uur geen matten meer mocht kloppen. Dat je nog gewoon strafregels moest schrijven op bureau Raampoort zonder dat de Kinderbescherming daar aan te pas kwam. Ik was 17 en had net een tweedehands Zundapp met drie voetversnellingen gekocht. Zo'n buikschuiver waarmee je indruk kon maken. Ik woonde in de Eerste Helmersstraat tegenover de verpleegstersflat van het WG, in de volksmond de Hunkerbunker genoemd. Niets was mooier dan op een zomeravond door de straat te scheuren, loerend naar de verpleegsters op hun balkonnetje. Als de portier het welletjes vond belde hij 5x8 en na de eerste politiesurveillance keerde de rust in de straat weer. Op een zaterdagavond ging ik naar een studentenfeest op de Lauriergracht. Voor die twintig minuutjes lopen, hoefde ik helemaal niet met de brommer te gaan. Maar wie weet moest ik na afloop nog wel een meisje naar huis brengen. In de sociëteit zat een bevriende muzikant achter de piano die mij vroeg wat te zingen. Vijf uur Amsterdams repertoire en twintig biertjes later ging niet alleen in de sociëteit het licht uit. In de eerste versnelling reed ik naar huis. Op de Koekjesbrug bij Bernardus stopte ik keurig voor een rood stoplicht. Mijn brommer sloeg af en ik viel bijna om. Achter mij stopte een politiewagen en oom agent vroeg: 'Waar komen wij vandaan en waar gaan wij naartoe?' 'Waar jullie vandaan komen weet ik niet, maar ik ga naar huis.' 'Hoe is de naam?' 'Slinger, meneer.' 'Ja, dat hebben wij gezien, maar hoe heet je?' Ik friemelde mijn verzekeringspapiertje tevoorschijn. De ome schoot in de lach: 'Nou, jij doet je naam wel eer aan!' Als ik voorzichtig reed, zouden ze mij wel naar huis brengen. Gelukkig waren de meisjes al in een diepe slaap toen ik om drie uur hortend en stotend met een politieauto achter mij aan langs de Hunkerbunker reed.

Het grill's Hofje en het Hodshon-Dedelhofje

Foto: Lianne de Bruijn

door Jos en Frits Mol, Adrie de Koning

Ligging en ouderdom
Het Grill's Hofje is gelegen aan de Eerste Weteringdwarsstraat 19-35 en is gesticht in 1721 en gebouwd tussen 1724/26. Het Hodshon-Dedelhofje is gelegen aan dezelfde straat op nr. 83-105 en werd gesticht in 1842.

Bijzondere kenmerken
Het Grill's Hofje is gesticht door de lutherse zilversmid Anthonie Grill en zijn vrouw Elisabeth. Zijn grootvader, ook Anthonie geheten, was een bekende zilversmid afkomstig uit Augsburg, die zich later in Zweden vestigde. De vader van Elisabeth was de jongste broer van Anthonies grootvader en eveneens afkomstig uit Augsburg. Anthonie en Elisabeth, die kinderloos zijn gebleven, zouden het hofje hebben gesticht uit dankbaarheid voor de in Holland genoten zegen. In 1713 was Anthonie kerkmeester van de Ronde Lutherse Kerk, waar hij in 1727 ook is begraven. Ook zou hij een belangrijk bedrag geschonken hebben voor het orgel van de Ronde Lutherse Kerk. De bewoonsters van het hofje moesten dan ook behoren tot de Lutherse of Gereformeerde Gemeente. Elisabeth Grill heeft de bouw van het hofje niet meer meegemaakt: zij overleed in 1724. In de regentenkamer vinden we een schouw uit 1731 waarin het wapen van de familie Grill met de volgende tekst te zien is:

Foto: Lianne de Bruijn
Foto: Lianne de Bruijn

Anthonie Grill, die met zijne echtgenoot
Hij heeft gestigt, leert ons nog na hun dood
Hoe ieder Lidt der Christelijke Kerke
Dient zijn Geloof te toonen door zijn Werke

Voor 32 vrouwen
Het hofje bestond uit acht beneden- en acht bovenwoningen en was bestemd voor 32 vrouwen. De huizen aan de straat op nr. 11/17 en 37/43 die al in 1721 zijn gebouwd, behoren niet tot het hofje maar zijn wel eigendom van de stichting. Van de huuropbrengst van deze huizen moest het hofje worden onderhouden. Het middelste huis geeft via een poortgang toegang tot het hofje, daarboven bevindt zich de regentenkamer. De huisjes van het hofje worden slechts door een smal straatje gescheiden. In dit straatje, geplaveid met gele klinkers, staan een grote klok in Lodewijk de XVI-stijl en een eenvoudige waterpomp die dit binnenplaatsje een bijzonder aanzien geven. Curieus was dat in het Grill's hofje geen wasgoed mocht worden opgehangen.

Chinahandel
De Grills legden zich in Zweden vooral toe op de Chinahandel en de Zweedse Oostindische Compagnie. Voor arme oude mensen stichtten zij ook woonvoorzieningen in Stockholm. De Grills bestelden verschillende wapenserviezen in Canton met het familiewapen of monogram van de familie er op.

Hodshon-Dedelhofje
Het Hodshon-Dedelhofje is gesticht in 1842 door Isaac Hodshon (1772-1855) en zijn vrouw Isabella Dedel (1778-1865) die trouwden in 1798, maar die het zonder nageslacht moesten stellen. Het hofje had aan de straatzijde een blinde muur met een poort. Boven de deur prijkte het alliantiewapen van de Hodshon-Dedels. Het is een voortzetting van het Hodshon-Dedelhofje aan de Passeerdersstraat. In 1807 kocht Isaac Hodshon het Blokhofje, dat zijn naam al van voor 1730 ontleende aan de leerlooier Jan Blok. Het bestond uit 18 woningen en drie huizen daarnaast. Een naastgelegen fabriek breidde uit en daardoor kon dit hofje niet langer aan zijn doel beantwoorden en werd een nieuw hofje gebouwd onder de naam van de stichters.
De eerste steen werd gelegd door Isabella de Windt, het petekind van het echtpaar Hodshon en Dedel. Er staat te lezen:

Isabella de Wildt oud 9 jaar
Petekind van Isaac Hodshon en
Isabella Dedel echtelieden
Heeft van dit door hen gestichte hofje
Den eersten steen gelegd
Op den 25 Maart MDCCCXLII

Binnenplein
De poort maakt een binnenplein toegankelijk, waaromheen drie vleugels staan. Op dit binnenplein staat een mooie pomp met een lantaren die gedragen wordt door vier dolfijnen. De vroegere 'poephuisjes' staan er ook nog, maar worden nu gebruikt als berging. De toiletten stonden ver van de huizen af en dit was een luxe in de 19e eeuw. Waar eens het bleekveld was, is nu een tuin aangelegd. Stadsherstel heeft dit hofje in 1980 aangekocht en vijf jaar later geheel gerestaureerd. Bij deze renovatie werd het aantal woningen teruggebracht tot tien. De slaapkamers bevinden zich op de vroegere zolder, hetgeen voor de oudere dames die beneden woonden nog wel eens een probleem opleverde. Dit hofje lag op de hoogte van het Walenhuis, dat is tegenwoordig het Frans Consulaat en Maison Descartes. De lezers zullen nog wel weten dat dit vlak bij de huisjes is die door de metroaanleg ernstig verzakt zijn.

Doelstellingen
Het Grill's Hofje was bestemd voor bejaarde lutherse of gereformeerde vrouwen en de huidige bestemming is nog steeds voor dames. In het midden van de 19e eeuw was het aantal bewoonsters al teruggebracht tot 16. Naast vrij wonen kregen zij in de wintermaanden turf en kaarsen en het hele jaar door wekelijks nog levensmiddelen, zoals aardappelen, grutterswaren en brood. Later woonden hier nog steeds 16 vrouwen die vrij wonen genoten, alleen de verstrekkingen waren afgeschaft. Het Grill's Hofje is nog steeds eigendom van de stichting en wordt bestuurd door een college van regenten. De acht huisjes bestaan na de laatste restauratie uit vier beneden- en vier bovenwoningen, één van de zeven bewoonsters heeft een beneden- en bovenwoning. De stichting die over de toewijzing gaat richt zich daarbij steeds meer op jongeren, waaronder studenten. In een van de huizen aan de straat woont de conciërge, die toezicht houdt en als tussenpersoon fungeert.

Statig complex
Het Hodshon-Dedelhofje was een statig complex met 20 woningen. Het doel van het hofje was de protestantse dienstbodes van de beide families een verzorgde oude dag te bezorgen. Daarnaast was er een ruimere woning voor een echtpaar aan wie het toezicht op het hofje werd opgedragen. Ongeveer een halve eeuw geleden woonden er nog 21 dames die vrij wonen hadden. De bedsteden werden uitgebroken en de gootstenen vervangen door vaste wastafels.

Toegankelijkheid
Het Grill's Hofje is dagelijks geopend van 07.00 tot 19.00 uur. Het Hodshon-Dedelshofje daarentegen is niet meer te bezichtigen.

En dan nog dit...
Op 15 oktober was er een uitzending over De Amsterdams Straatjes op AT5 die ging over de beide hofjes. De moeite waard!

De merkwaardigste Amsterdamse trams zijn de sneeuwvegers (2)

Sv1 en wegdienstauto op de Berlagebrug - 30 december 1962. Foto: Lianne de Bruijn

Hans de Haan schreef op www.amsterdamsetrams.nl een artikel over de pekelwagens van het GVB. Vandaag deel 2. In deel 1 is de auteur beland bij de beschrijving van de sneeuwvegers en hier pikt hij die draad op.

De borstels bestaan uit een stalen as. Daaromheen zitten houten blokken met daarin de 'haren' die van vrij dik pitriet of rotan waren gemaakt. Deze blokken kunnen losgenomen worden. Ze zien eruit als een dikwandige bus die overlangs in tweeën gezaagd is. De helften van die bus kunnen met bouten aan elkaar bevestigd worden en zitten dan klem op de as.

Nieuwe haren
De borstels moesten af en toe van nieuwe 'haren' worden voorzien. Daarom waren er reserve houten blokken die dan naar een bedrijfje in de Jordaan werden gebracht om opnieuw van pitriet te worden voorzien. Dit bedrijf leverde alle bijzondere bezems en borstels aan het GVB, met name de speciale smalle wisselbezems.
Na de eerste ervaringen bleek dat de sneeuw in Amsterdam meestal een andere consistentie had dan de sneeuw in Amerika. Bij ons is sneeuw veel plakkeriger omdat de temperatuur vaak maar een paar graden onder 0 is. De sneeuw werd door de borstels tot op de daken van de huizen geslingerd. Daarom werden er al snel zware zeilen rond de borstels gehangen.

De Sv1 tijdens de optocht GVB-75, Vijzelstraat - 20 september 1975. Foto: Lianne de Bruijn
Werkmotorwagen Sv2 opgesteld voor de remise Havenstraat i.v.m. excursie van lezers van Railnieuws - 8 oktober 1966. Foto: Lianne de Bruijn
De rechteronderhoek van de tekening van de sneeuwvegers. Foto: Lianne de Bruijn

Hoogte kan worden veranderd
De hoogte van de borstels kon veranderd worden met een handwiel met pal, zodat je de slijtage van de haren kon compenseren. Het werkte zo dat je, door het handwiel rechtsom te draaien, een ketting rond de as kon opwinden. Deze ketting was aan de borstelconstructie vastgemaakt. De borstel ging dan omhoog. Op de tekening is wel een beetje te zien hoe het zat. De as, waar het handwiel bovenaan zat, was voorzien van een palwiel met pal.

Wegschuiven
Het apparaat dat op de tekening bovenaan 'side plow' genoemd werd, kon over een breedte van 5 voet de sneeuw naast de baan wegschuiven. In een bocht naar rechts was dit zelfs de enige manier om de rechterrail schoon te schuiven, want door het grote overstek van de borstels veegden deze in bochten naar rechts alleen het baangedeelte links van het midden. Er was nog een handwielkolom aanwezig om de 'side plow' in de juiste stand te trekken. Als er niet gewerkt werd, hing het 'zwaard' (want zo noemde men de 'side plow' in Amsterdam) aan een haakje. Als je de zware stalen plaat van de haak tilde kwam het zwaard in de bedrijfstoestand. Je kon het dan op en neer bewegen met een handel die binnen tegen de zijwand van de tram was bevestigd. Daarna moest je met het handwiel het zwaard naar voren trekken tot het bijna haaks op de wagen stond.
Bij obstakels, zoals vluchtheuvels, moest je het zwaard weer intrekken door de pal van het handwiel los te schoppen en het ook nog omhoog te tillen met de hefboom. Het zijraam bij het zwaard kon open, zodat je goed kon zien wat er gebeurde. Het nadeel was dat je dan een koud hoofd kreeg, terwijl het in de wagen na een uurtje werken bloedheet was.
In de tijd dat de sneeuwveegmachines urenlang moesten rijden, was het gebruikelijk dat de bedieningsman van het zwaard zorgde dat hij een keer 'vergat' om het op tijd in te trekken. De wagen moest dan naar binnen voor reparatie en de bemanning kreeg even tijd om te schaften. Pekelwagens raken leeg en de bemanning daarvan kreeg altijd een welverdiende pauze tijdens het vullen, maar de sneeuwveger kon in principe continu doorwerken en dat werd dan ook verwacht door de leiding van de sneeuwdienst.

Dichtgesmeerd met sneeuw
Wanneer de sneeuwveger goed aan het werk was, werden wissels helemaal dichtgesmeerd met sneeuw. Als de wissel niet in de goede stand lag, was het onmogelijk om er nog beweging in te krijgen. Bij een elektrisch verwarmde wissel moest je een tijdje wachten tot de sneeuw weggedooid was. Met een onverwarmde wissel was het alleen mogelijk om met een flinke hoeveelheid pekel het tongstuk schoon te krijgen. Op de sneeuwveegmachines waren wel gieters, bezems en krabbers aanwezig, maar de onmisbare pekel ontbrak. Daarom werd al snel na de indienststelling een houten ton voor (en achter) op de wagens gezet, die elke winter werden gevuld met pekel. Hiermee kon je zo nodig, als er geen pekelwagen in de buurt was, een gieter vullen om een wissel schoon te spoelen

Zowel dit artikel als de rubriek van Tom Mulder kwam tot stand in samenwerking met Jos Wiersema, initiatiefnemer van het Geheugen van de Amsterdamse Tram (www.amsterdamsetrams.nl).

Hou de paaltjes in de gaten

Rond 1963 was ik zelfs 's avonds op pad om te genieten van het dagelijkse tramgebeuren. Bij buslijn 12 had ik mijn busvriend ome Ko en na mijn verhuizing naar Slotervaart was er bij de tram een uitstekende band met bestuurder Sosrosuwarno, vaste bestuurder van lijn 13.
Op die avond in april 1963 ging voor mij weer een droom in vervulling. Ik had eerst gezellig zitten bomen in het eindpunthuisje van lijn 13 aan de Sloterplas. Ik had alle sterke verhalen weer aangehoord van bestuurders en conducteurs. Maar de voorganger van Sos was naar het CS vertrokken en dus moest de 621 naar de kop van de eindpunthalte worden gereden.
"Nou," zei Sos, "probeer jij het dan maar!" Ik ging op de bestuurdersplaats zitten (dat vond ik sowieso een wonderlijk voorrecht) en reed de 621 naar voren. Ik moet eigenlijk zeggen 'scheurde', want het tempo was ongetwijfeld een beetje boel te hoog. "Zo," zei Sos, "jij hebt haast!" Maar het werd een van die avonden die ik mijn leven lang nooit meer zal vergeten. Iedere keer als ik, decennia later, de 621 zag rijden, moest ik denken aan die avond aan de Sloterplas met Sosrosuwarno.
Uiteraard maakte ik daarna nog een ritje met Sos naar het CS. En ook bij andere ontmoetingen, hij als bestuurder en ik als wandelaar, was zijn begroeting altijd bijzonder beleefd en erg hartelijk. Als je nagaat waren er eigenlijk geen chagrijnige personeelsleden bij het Gemeente Vervoer Bedrijf. Maar ook op andere lijnen had ik een vriendschappelijke band met de GVB-bestuurders. Natuurlijk reed ik regelmatig met Joyce van lijn 1 mee en ook met haar vrouwelijke collega's had ik altijd het grootste plezier. Maar ik hield wel het bordje NIET SPREKEN MET DE BESTUURDER in de gaten. Zelfs tijdens mijn jaren bij de TROS kwam er nog wel eens een aardig briefje van de GVB-bestuurders/sters. Zelfs van de weduwe van de lijn 3-bestuurder van de 453, die toen nog steeds op het Nassauplein woonde. Ik vind dat nog steeds een heel groot compliment. Toen ik in de jaren 90 weer trams ging fotograferen, iets wat ik sinds 1968 niet meer had gedaan, ontstond automatisch weer een band met vele GVB-collega's. De eerste foto was die van de 779 op lijn 3.
Vooral de bestuurders van de Vijzelgrachtlijnen waren helemaal in. Toen ik een keer aan het eind van de week op weg naar huis ging, zwaaide ik naar een bestuurder op een elektroon van lijn 24. Daarbij vergat ik natuurlijk dat de politie rood-witte metalen paaltjes in de grond had gezet om het verkeer te leiden. De schade aan mijn auto was toen aanzienlijk. En er wordt door de lezers a.u.b. niet gelachen. Het contact was er niet uitsluitend met bestuurders/sters, maar ook met de GVB-instructeurs. Door hen heb ik ook leren tramrijden, waar ik ze natuurlijk heel dankbaar voor ben. Gelukkig staan er geen paaltjes tussen de tramrails.

'Ik was perplex en opgelucht ineen'

Foto: Lianne de Bruijn

door Marten de Vries

Die nacht waren Frans en ik uitgemaakt voor burgerdienst. De bedoeling was dat we ons bezighielden met straatrovers. De laatste tijd regende het aangiften.
Rond een uur of elf die avond gingen we de straat op. Het was die dag drukkend heet geweest en toen we door de Lange Niezel liepen voelden we een lauw windje. De buitentemperatuur was nog boven de 20 graden.
Het was druk op straat en her en der liepen enige drommen toeristen die, onder begeleiding van een gids, 'The Red Light District' bekeken. Zo nu en dan stopte men voor een seksshop om gniffelend de in de etalage uitgestalde handelswaar te bekijken.

Lange zwarte jas
Toen we even stil bleven staan op de brug van de Oudezijds Voorburgwal, ter hoogte van de Lange Niezel, viel mijn oog op een man, gekleed in een lange zwarte jas. Hij was zojuist vanaf het Oudekerksplein de Oudezijds Voorburgwal opgewandeld en was op de hoek blijven staan.

Help
Hij zei: "Help." Hij riep het niet, maar hij zei het. We bevonden ons ongeveer honderd meter bij hem vandaan en boven het straatrumoer uit was het nog net te verstaan.
We stonden hem even te bekijken. Hij stond stram rechtop, wendde zijn hoofd theatraal naar rechts, hield zijn rechterhand bij zijn rechtermondhoek en zei: "Help." Liet zijn hand weer zakken, om vervolgens zijn hoofd naar links te wenden, de hand weer naar de mondhoek te brengen en "help" te zeggen. Dit ritueel bleef hij herhalen.
"Zou er wat zijn, of is-ie gestoord?", vroeg Frans zich af.

Het zou wel meevallen
We besloten om toch maar even te gaan kijken en liepen zijn richting uit. Van enige commotie in zijn buurt was geen sprake. Groepen toeristen liepen hem al druk pratend voorbij, samen met een enkele junk die meer aandacht had voor het zilverpapiertje in zijn hand dan voor de omgeving. We waren er dan ook van overtuigd dat het wel mee zou vallen.

Rechtgeaarde diender
Toen we de hoek om liepen, zagen we tegen de muur van de Oude Kerk een man liggen. Hij was gekleed in een net blauw pak en zijn bril stond scheef op zijn hoofd. Naast hem zaten, gehurkt, twee mannen die druk bezig waren zijn zakken te doorzoeken en leeg te halen.
Direct kwamen we in actie. Als rechtgeaarde diender roep je dan: "Stop daarmee, politie!!"
De mannen keken ons verschrikt aan, stonden op en zetten het op een sprinten.
Nu ben ik niet zo'n hardloper, maar Frans had een hobby. In zijn vrije tijd deed hij veel aan sport en de honderd meter wist hij in een bewonderenswaardige tijd af te leggen.

Foto: Lianne de Bruijn

Snel inhalen
Frans' start was dan ook twee keer zo snel dan de mijne en hij wist de laatste man snel in te halen.
Onder het voorbijrennen haakte hij hem pootje en de man viel languit op de kasseien, gleed nog even door en kwam met zijn hoofd tot stilstand tegen een 'Amsterdammertje', een langs de rijbaan geplaatst paaltje om bestuurders van auto's te beletten het trottoir op te rijden. De man bleef versuft liggen en ik dacht een 'makkie' te hebben en hem zonder veel moeite in de boeien te kunnen slaan. Frans was inmiddels doorgerend, achter de tweede verdachte aan.
Ik boog me over de man heen, maar op het moment dat ik hem de boeien om wilde doen, begon hij wild om zich heen te slaan, stond op en zette het weer op een rennen. Ik wist hem in te halen, maar bij deze sprint verloor ik mijn sleutelbos.

Kalm
Hoe ik ook mijn best deed en wat ik ook zei, de man bleef wild met zijn armen om zich heen maaien en de handboeien kreeg ik niet om. Daar ik toch iets moest, trok ik mijn pistool en direct werd hij kalm.
Als in trance staarde hij met schele ogen naar de loop van het pistool. Met het vuurwapen in de rechterhand pakte ik hem met de linkerhand bij zijn arm en liep samen met hem terug naar de plek waar ik mijn sleutelbos had verloren. Vervolgens trachtte ik hem weer in de boeien te slaan. Daar me dit niet lukte met één hand stopte ik het pistool weg in de hoop dat hij nu kalm bleef. Maar zodra het wapen verdwenen was begon hij zich weer hevig te verzetten.
Ik was geen partij voor hem. Hij was twee keer zo breed als ik en daar ik absoluut niet wilde dat hij er vandoor ging trok ik het pistool maar weer, waarop hij weer zo mak werd als een lammetje.

Een hoop geschreeuw
Ik hoorde een hoop geschreeuw in de verte en begon me nogal ongerust te maken om Frans, die ik inmiddels uit het oog verloren was. Ik was bang dat het met zijn verdachte ook niet wilde lukken, zeker als deze hulp zou krijgen van vrienden of andere voorbijgangers met een uitgesproken krom rechtsgevoel.
Ik zette de loop van het pistool in de man zijn rug, pakte hem weer bij de arm en liep in de richting van het geschreeuw. Ik had nog maar een paar stappen gedaan toen ik ongeveer tien leden van mijn dienstgroep met getrokken pistool het plein op zag komen rennen. Ik was perplex en opgelucht. Perplex, omdat ik niet om hulp had gevraagd: de portofoon zat nog steeds in mijn achterzak. Opgelucht, omdat de verdachte nu zeker niet meer de benen kon nemen.

Worstelen
Om de hoek van de kerk lag Frans, onder de blikken en het commentaar van belangstellende toeschouwers, te worstelen met zijn verdachte. Ook deze verdachte verzette zich hevig en ook hij was al enige tijd bezig de man onder controle te krijgen.
Het geschreeuw was afkomstig van een over zijn toeren geraakte junk die het met de hele situatie niet eens was.
In stoet gingen we met het slachtoffer en de verdachten naar het bureau Warmoesstraat, gevolgd door enige toeschouwers die waarschijnlijk hoopten dat er nog iets uit de hand zou lopen.

Arts
Het slachtoffer was een uit Engeland afkomstige arts die een werkbezoek aan Nederland bracht en logeerde in het nabijgelegen hotel Krasnapolsky. Hij was voor het slapen gaan nog even de buurt rondom het hotel aan het verkennen. Hij was zeer tevreden over de snelle hulp en de volgende dag stond er een bos bloemen op de balie.

Een malloot
Toen ik aan mijn collega's vroeg hoe het toch kwam dat zij wisten dat wij zo aan het worstelen waren met twee straatrovers en waarom ze met getrokken pistool het plein op waren gerend, werd me verteld dat het bureau was gebeld door de portier van de seksbioscoop op het plein. Hij had gemeld dat er een malloot voor zijn tent rondliep die met een pistool liep te zwaaien.
Die malloot was ik.

Van 500 naar 8.000 parkeermeters en door naar een ware plaag

Foto: Lianne de Bruijn

Parkeren is in Nederland nergens zo duur als in het centrum van Amsterdam. Inmiddels hebben veel andere steden het betaald parkeren ontdekt, met dien verstande dat er momenteel hier en daar een terugtrekkende beweging is om de winkels wat voller te krijgen. Hoe dan ook: betaald parkeren behoort langzamerhand tot het cultureel erfgoed van Nederland, hoe vervelend we het ook vinden. In 1962 verschenen de eerste parkeermeters in de hoofdstad. Waarom, hoe en hoe dit zich ontwikkelde tot een ware plaag, staat hieronder.

De opmars van de automobiel zorgde in Amsterdam al ver voor de Tweede Wereldoorlog voor de nodige commotie. In die tijd waren er nog niet veel auto's en de exemplaren die er waren werden 'beschermd' door zogeheten sloebers. Die gingen doodleuk bij een auto staan en of je maar even wilde afrekenen. Zo niet, dan waren een paar krassen op blik of gezicht je lot. Na de oorlog nam het parkeerprobleem hand over hand toe en langzamerhand werd het, dat vond de gemeente, tijd voor regulering.

Regering De Quay
Dat kon overigens pas nadat in 1962 de regering-De Quay het middels een parkeerwet mogelijk had gemaakt voor parkeren geld te vragen. Maar toen was de beer ook meteen los. In Nederland verschenen overigens al in 1961 de eerste parkeermeters op Schiphol, dus nog zonder wetgeving. De gemeente Amsterdam maakte zich in 1962 op om vijfhonderd parkeermeters te plaatsen in het centrum van de stad. De parkeermeter was uitgevonden door de Amerikaan Carl C. Magee die op 16 juli 1935 zijn uitvinding in het straatbeeld van Oklahoma City zag verschijnen.

Welke Amsterdammer heeft er geen één gehad: een parkeerbon? Foto: Lianne de Bruijn
Foto: Lianne de Bruijn

Rijen klokken op palen
Toen de ANWB lucht kreeg van de plannen van de gemeente, reageerde ze direct. In het lijfblad de Kampioen van april 1962 verscheen een artikel onder de paniekerige kop 'Amsterdam: sla geen munt uit de parkeernood!' waarin ferm stelling werd genomen tegen deze 'rijen klokken op palen', zoals ze werden omschreven. We lezen onder andere: 'De ANWB heeft reeds enkele maanden geleden zijn ernstige verontrusting uitgesproken naar aanleiding van het advies dat een speciale commissie aan het gemeentebestuur van Amsterdam heeft uitgebracht over het parkeervraagstuk in de hoofdstad.'

500 parkeermeters
'Dit advies beoogt plaatsing van 500 parkeermeters in de city, niet als controlemiddel op het parkeren, maar als kassa-automaat voor betaald parkeren tegen een hoog tarief.' En verder: 'De Bond meent dat het niet mogelijk moet zijn dat welgestelden en zij die de kosten op een bedrijf kunnen afwentelen via een parkeermeter bevoordeeld worden.'

Achterhoedegevecht
Maar het was een achterhoedegevecht, want de parkeermeter deed in 1964 definitief zijn intrede in het Amsterdamse stadsbeeld. Dat was trouwens ook in een ander opzicht veel gedoe, want niet iedereen wist hoe er met de meter moest worden omgegaan. Terwijl het toch zo makkelijk was, lezen we in een soort handleiding: 'Wanneer de auto wordt geparkeerd kan, door het inwerpen van munten, de toegestane parkeertijd worden ingesteld. Daarna loopt de tijd terug naar nul. Wanneer de tijd is verstreken, vertoont de meter een rode vlag; als er dan nog een auto staat geparkeerd kan een voorbijkomende parkeerwachter een boete geven.' Ook vernemen we uit een krantenbericht uit die tijd: 'Parkeermeters accepteren een maximaal parkeerbedrag en kunnen dan ook niet worden gebruikt om ongelimiteerd te parkeren. Zogenaamd bijvullen (later munten ingooien om de parkeertijd te verlengen) is veelal verboden. Maximale parkeertijden variëren tussen 15 minuten en twee uur. Ook de tarieven kunnen flink verschillen, afhankelijk van de locatie.'

Van 500 naar 8.000
Zoals gezegd was er geen houden meer aan. In 1964 waren er vijfhonderd parkeermeters en in 1975 was dit aantal opgelopen tot achtduizend; en niet alleen in de binnenstad. Er kwamen daarnaast ook andere parkeerfaciliteiten. In 1965 al bouwde warenhuis Vroom & Dreesmann een garage op het dak. En in 1969 bleek voor het eerst dat Amsterdam te klein was om alle auto's kwijt te kunnen, want voor de eerste megaparkeergarage aan de Marnixstraat - Europarking geheten - moesten oude panden worden gesloopt. Deze parkeergarage had trouwens de jaren erna nog een andere functie, want bij de krakersrellen verzamelden de pelotons ME zich onder deze parkeergarage. In 1980 werd een andere en misschien wel de bekendste parkeergarage in Amsterdam geopend: de Bijenkorfgarage.

Parkeerautomaten
De parkeermeter is inmiddels voltooid verleden tijd en heeft plaatsgemaakt voor parkeerautomaten. Die zijn er in vele soorten en maten. Sommige zijn zeer irritant. Zoals de automaat met de beruchte draai- en drukknop die tot voor kort tot het vaste straatbeeld behoorde. Maar inmiddels zijn er gebruiksvriendelijke automaten waar je kunt pinnen nadat je je kenteken hebt ingetikt, dat dan weer wel.
Maar het grote probleem van elke parkeerautomaat is en blijft, naast natuurlijk de hoogte van het bedrag, dat je er altijd te veel of te weinig ingooit en dat je als gevolg daarvan óf op hete kolen zit tijdens een afspraak óf de pest in hebt dat je meer hebt betaald dan nodig was. Dat kan tegenwoordig namelijk met de gsm, een app op je smartphone of via internet.

Dienst parkeerbeheer
Op de valreep nog een leuk weetje: in 1983 is de Dienst Parkeerbeheer opgericht die het parkeren en alles wat er omheen hing regelde. In 1996 ging deze dienst op in Stadstoezicht en sinds 2010 is Cition verantwoordelijk voor de uitvoering van het parkeerbeleid in het grootste deel van de stad. In een zogeheten ambtelijke notitie die leidde tot de Dienst Parkeerbeheer staat de reden: 'Begin jaren 80 kon geconstateerd worden dat veel parkeerplaatsen in de binnenstad overdag bezet werden gehouden door forensen die van buiten Amsterdam kwamen en pas aan het einde van de dag weer vertrokken. Kortom: het systeem werkte niet meer zo goed.'

De krul
Net als parkeermeters zijn de plaskrullen onderdeel van het Amsterdamse straatleven. In de volgende editie komt een artikel over dit fenomeen, maar we kunnen ons best voorstellen dat er Amsterdammers zijn die zelf een leuke bijdrage hebben over belevenissen in of met de krul. Mail deze naar info@amsterdamsekrant.nl. Wij zijn er gek op en publiceren ze met liefde.

Om kwart voor twaalf kwam de rozenkrans

De vermaarde nieuwsjaarbrand in Floradorp staat op het punt van beginnen. Foto: Lianne de Bruijn

Oud en nieuw is al geweest, maar we komen er toch nog op terug.
In Den Haag staan ze zich er graag op voor dat ze kerstbomen gaan 'rauzen' om een nieuwjaarsvuur te ontsteken. In Amsterdam gebeurde dat echter ook. Berucht zijn de verbrandingen in Floradorp in Noord. Maar ook in andere stadsdelen was het bal. Ruud van Koert weet zich nog de stammenstrijd in West te herinneren. "In West was het ieder jaar een strijd tussen groepen vriendjes om zo veel mogelijk kerstbomen van elkaar te jatten en liefst op de geheimste plekken in de fik te steken. De inham bij de Queridoschool op de hoek van de Gerard Callenburgstraat en de Karel Doormanstraat was perfect, want uit het zicht (van politie) en weinig wind, en wie weet was er een kans dat je na 1 januari nog even niet naar school hoefde."

Politie dwars zitten
"Het 'meest gedurfde' was om de politie zo veel mogelijk dwars te zitten en dus was het plan op een gegeven moment om een brandende barricade van kerstbomen te leggen dwars over de Karel Doormanstraat. We hadden bijna de laatste boom een plek gegeven toen vanaf de Willem de Zwijgerlaan een politieauto met vliegende vaart op de nog net niet brandende barricade af reed. Joelend (ook van angst) lieten we de kerstbomen vallen en spurtten alle kanten op. Ik rende een zijstraat in, belde lukraak ergens aan en er werd van boven opengedaan en gevraagd: Wie is daar? Razendsnel denkend riep ik: Heeft u nog ouwe kranten? Toen er nee werd geantwoord, zei ik nog netjes Oké, bedankt en deed de deur weer dicht, waarbij ik zelf heel stil binnen bleef staan. Ik heb daar wel een half uur verstopt gezeten voordat ik durfde te kijken of de kust in de Karel Doormanstraat veilig was."

Rozenkans bidden
Fons Buis is katholiek opgevoed en dat geloof maakte een belangrijk deel uit van het ritueel op oudejaarsavond. "Wij zaten vroeger de hele oudejaarsavond met het hele gezin in de kamer. We genoten van de oliebollen met en zonder krenten, de appelflappen en appelbeignets die door moeder 's middags waren gebakken. Zelf deeg maken, appels schillen en uiteindelijk bakken in spetterend gloeiendhete slaolie. Wijn en bier was er bij ons thuis niet bij. We dronken thee, koffie en limonade. Wel maakte moeder ter verhoging van de feestvreugde een heerlijke bowl en voor de ouderen was er een glaasje advocaat met slagroom of boerenjongens. Met z'n allen speelden we traditionele gezelschapsspelletjes als Halma, Domino en Mens-erger-je-niet. Daarna kwamen de kaarten op tafel om te een-en-dertigen en te pandoeren. De tijd verstreek altijd langzaam, tot het kwart voor twaalf was. Moeder stond dan op, liep naar de kast en dan kwam de rozenkrans tevoorschijn. Iedereen lag op zijn knieën bij een stoel, de handen gevouwen en de ogen dicht. Steels gluurde ik dan naar de klok. Het eerste tientje van de rozenkrans was gebeden, nog vier te gaan. Snel rekenen hoeveel minuten dat eerste tientje had geduurd en of we klaar zouden zijn voor twaalf uur. Gelukkig waren we altijd op tijd klaar en als de radioklok twaalf uur sloeg, wensten wij elkaar een Zalig Nieuwjaar."

Hier een kerstbomenbrand in de Jordaan. Foto: Lianne de Bruijn

Daarna begon voor Fons eigenlijk het echte werk: hij ging de straat op. "We gingen naar buiten om lawaai te maken. Vuurwerk was er bijna niet. Een enkeling had wat rotjes (knallen) en gillende keukenmeiden. Wel had ik een paar sterretjes waarmee ik, nadat ze waren aangestoken, grote cirkels maakte. Verder restte mij en velen met mij niets anders dan lawaai te maken. We maakten gebruik van ijzeren vuilnisbakken en sloegen met pollepels op metalen deksels van pannen. Daarna ging ik met vader verder de straat op. Op de hoek lag een grote berg kerstbomen die door de jongens tussen kerst en nieuwjaar waren verzameld en op verschillende zolders waren bewaard, want de buurten probeerden elkaars bomen te stelen.
De berg werd aangestoken en de vlammen laaiden huizenhoog op. Al snel waren de naalden en kleine takken verbrand en restte er een smeulende hoop stammen. In latere jaren ontaardden deze brandstapels in grote fikken waar zelfs de brandweer aan te pas moest komen. Oud meubilair en autobanden vonden dan ook hun weg naar deze kerstboomverbrandingen. Zo rond één uur 's nachts was alles weer voorbij en na een glaasje ranja ging ik naar bed. De volgende ochtend moest ik weer bijtijds op, want ik moest de vroegmis bij de zusters in het klooster dienen. Met een gelukzalige glimlach viel ik in slaap: wat was het toch weer een mooi oud & nieuw geweest."

Het oude jaar wegjagen
Ook Yvonne Kruk kent de pannen uit de keuken als materiaal om het nieuwe jaar met veel herrie in te luiden. "Boven het aanrecht in de keuken hing een plank waar de pannen op stonden. Eerst waren er grijsgemarmerde pannen en later crème geëmailleerde pannen met een groen randje. De pannen hadden op oudejaarsavond een andere functie. Wanneer de klok 12 uur had geslagen en iedereen elkaar een gelukkig nieuwjaar had gewenst, gingen we met zijn allen de waranda op om met pannen en deksels en lepels zo veel mogelijk herrie te maken en het oude jaar weg te jagen. Wij waren niet de enigen die dit deden, van meerdere waranda's klonk herrie. Vuurwerk zag je nog maar weinig; een enkele gillende keukenmeid en wat rotjes en af en toe zag je zelfs een vuurpijl! Voor kinderen werden er wel eens een paar sterretjes gekocht die je buiten het raam mocht laten branden."
(Bronnen onder andere www.geheugenvanoost.nl en www.geheugenvanwest.nl)

Gezocht: nazaten van familie Douwé

door Arie Haagsma
Mijn vraag is of er onder de oudere Amsterdammers en/of Joodse gemeenschap in Amsterdam misschien meer informatie te verkrijgen is (misschien zelfs nog fotomateriaal), middels kinderen/kleinkinderen van deze 16 Joodse mensen, over de periode in de Kleine Kattenburgerstraat 44 te Amsterdam, bij Frans en Tjitske.
Dat zit zo.

George Douwé (mijn schoonvader) kwam in 1942 na een werkkamp in Duitsland inwonen bij zijn broer Frans Douwé, in de Kleine Kattenburgerstraat 44 in Amsterdam. Hij dook daar dus onder omdat hij niet meer terug wilde naar Duitsland.

Frans Douwé (1909-1989) trouwde op 16 februari 1938 in Amsterdam met Tjitske Klein (1911-1963). Zij kregen twee kinderen: Anna Douwé, (1938-2015), in 1980 met haar man geëmigreerd naar Australië en daar in eenzaamheid overleden, en Dirk Douwé, geboren 1945, die in 1966 met Wil Haagsma (mijn oudste zuster) trouwde en met zijn gezin in 1976 definitief naar Australië emigreerde, waar ze twee kinderen krijgen.

In de Kleine Kattenburgerstraat 44 duiken in 1942 16 joodse mensen onder. Naast deze 16 personen was er ook nog familie uit Groningen (van Tjitske) in huis en het gezin zelf.

In mijn onderzoek naar de familienaam Douwé is dit een niet onbelangrijk deel geschiedenis die voor de kleinkinderen en achterkleinkinderen van Frans bewaard moet blijven. De zoon van Frans is na de scheiding van mijn zuster niet meer te traceren in Australië. Omdat de familie Douwé nu wel heel klein wordt en allen (op mijn vrouw na dan) in Australië wonen, wil ik hen zo veel mogelijk informeren.

Mij is verder bekend dat de familie van de Joodse personen lederfabriekjes had op de Kloveniersburgwal te Amsterdam.

Er was veel afstandelijk gedrag in Amsterdam-Zuid

Prentbriefkaart van de Roerstraat in Zuid waar Jos Wiersema 18 jaar heeft gewoond. Foto: Lianne de Bruijn

door Jos Wiersema
In 1954 ben ik, als 2-jarige, met mijn ouders naar de Roerstraat verhuisd. Voordien woonden we in Plancius aan de Plantage Kerklaan 61/2. Mijn vader was destijds bedrijfsleider bij de ATAX. (Atax Taxicentrale) Hier is nu het Verzetsmuseum gevestigd. Van deze woning kan ik me niets meer herinneren.
Van de Roerstraat daarentegen veel meer. Daar heb ik ruim 18 jaar gewoond. We woonden op nummer 65 drie-hoog en keken uit op het speelpleintje.

De Zuiderschool
Als kleuter ging m'n moeder vaak met me naar buiten, naar de zandbank en de klimrekken. Op 4-jarige leeftijd werd ik door haar naar de kleuterklas van de Zuiderschool in de Geulstraat gebracht. Daar heb ik in totaal 9 jaar op school gezeten en kijk daar met gemengde gevoelens op terug. De tegenstelling tussen rijk en arm was voor mij als kind duidelijk merkbaar. Het ene kind had de gaten in zijn wollen trui en de ander zat op zweefvliegles.
Ik vond altijd dat ik tot de middenmoot behoorde. Niet arm en niet rijk. Vriendjes had ik genoeg in de buurt en er was ruimschoots ruimte om te spelen en kattenkwaad uit te halen.

Het Landje
Populair was 'het Landje'. Dat was gelegen achter de toenmalige Rivierenlaan, nu Pres. Kennedylaan. Dat beschouwden we als een soort niemandsland. Daar kon je heerlijk fikkie steken zonder dat iemand er wat van zei. De Roerstraat en omgeving waren echt mijn thuis. Ik had dus ook altijd heimwee naar mijn huis, mijn buurt en mijn vriendjes.

Jos Wiersema's geboortehuis is nu het verzetsmuseum. Het gezin woonde achter de drie ramen rechts op de bovenste etage. Jos heeft hier geen herinneringen aan. Hetgeen bij ons de vraag oproept: hebben hier voorheen of nadien nog andere gezinnen gewoond? Foto: Lianne de Bruijn

Roerstraat, de schoonste straat van Amsterdam
De Roerstraat was, zoals men zei, de schoonste straat van Amsterdam. Niet omdat de bewoners altijd even enthousiast hun stoepjes boenden, maar eenvoudig omdat de directeur van de Stads Reiniging er woonde. Elke dag was er wel een schoonmaakbakfiets te zien met daarbij een overijverige ambtenaar die, regelmatig omhoog kijkend of de vrouw van zijn baas hem wel zou zien, aan het vegen was. Het maakte niet uit of het vuil was.

Parkeeroverlast in de Roerstraat
Zeker tijdens een drukke RAI-tentoonstelling zoals de personenauto RAI was de parkeeroverlast enorm. We schrijven begin zestiger jaren en werkelijk de halve Rivierenbuurt stond vol geparkeerd. Trottoirs en straten waren onbegaanbaar door de dubbel en dwars geparkeerde auto's. Het parkeergedrag was echt asociaal. Wat had m'n vader de pest in als hij zijn auto ergens op de Rooseveltlaan kwijt moest.

Mevrouwen- en menerenbuurt
Wat mij als kind in die buurt opviel was het afstandelijke gedrag tussen volwassenen. "Dag mevrouw, dag meneer" klonk het bij ons in het trappenhuis, terwijl men elkaar al jaren kenden en dagelijks tegenkwam. Zelden kwam men bij elkaar op visite. Dit patroon werd iets doorbroken doordat ik met vriendjes thuis kwam en er onderling contact tussen de ouders ontstond. Hierdoor hebben mijn ouders ook enkele vrienden gekregen en werd het stroeve gedrag wat losser.

Geschilderde huisnummers
De Rivierenbuurt was voor de oorlog een buurt waar veel gevluchte welgestelde Joden woonden. De oorlog is niet ongemerkt aan deze bewoners voorbijgegaan. Er werden in die periode meer dan 17.000 bewoners weggevoerd. Slechts 4000 daarvan overleefden deze misdaad.
Stille getuigen uit de oorlogsjaren zijn er bijna niet meer. Wel de geschilderde huisnummers. Deze werden veelal door de bewoners in opdracht van de Luchtbeschermingsdienst aangebracht om ook 's nachts in de verduisterde straten de juiste percelen te kunnen onderscheiden.

Het huis met het balkonnetje
Ook een stille getuige is het 'huis met het balkonnetje'. Dit is wel een heel stille getuige, hoor. In de knik van de Roerstraat (perceel 60/1 om precies te zijn) is een woning waar op de eerste verdieping openslaande deuren en een klein balkonnetje met hekwerk zijn aangebracht. Tijdens de oorlog was deze woning gevorderd door een Duitse officier. Kennelijk was hij niet tevreden met 'zijn' woning en heeft het raamwerk eruit laten slopen en vervangen door dubbele openslaande deuren met een balkon en hekwerk. Het toeval wil dat de foto uit 1957, waarop ik als jongetje van een jaar of vier sta, het betreffende balkon goed in beeld brengt. Het is er overigens nu nog steeds.

Prettig
Ik kan me onze woning ook nog als erg prettig herinneren. De woonkamer bestond uit een voor- en achterkamer (en suite) gescheiden door schuifdeuren met glas-in-lood. In de voorkamer was ik het meest te vinden. Dan stond ik voor het raam als het slecht weer was en niet naar buiten kon/mocht.
Nog steeds rij ik, als ik in Amsterdam moet zijn, even door 'mijn straat'. Eigenlijk is er niets veranderd. En dat mag van mij zo blijven.

Dit artikel is eerder gepubliceerd op www.geheugenvanplanzuid.nl

Vincent van Gogh in Amsterdam

De Februaristaking met onder andere stakend personeel van Fokker. Foto: Lianne de Bruijn

Voordat Vincent van Gogh de kunstenaar werd die we nu kennen, verbleef hij ruim een jaar in Amsterdam voor zijn studie theologie: hij wilde predikant worden. Hij schreef in deze periode vele openhartige brieven aan zijn broer Theo. Deze brieven – met prachtige beschrijvingen van de stad aan de hand van verschillende schilderijen en prenten – vormen het uitgangspunt van 'Vincent van Gogh, 400 dagen in Amsterdam' die tot 17 april te zien is.

Eva Jones Barnor is typisch jaren 60. Foto: Lianne de Bruijn
Amsterdam, geschilderd door Vincent van Gogh. Foto: Lianne de Bruijn
Karel Appel in New York. Foto: Lianne de Bruijn

Appel in New York

Ter gelegenheid van de tentoonstelling 'Vincent van Gogh in Amsterdam' toont het Maria Austria Instituut de tentoonstelling 'Appel In New York', het kleurrijke resultaat van een bezoek van fotograaf Sem Presser aan de schilder. Appel werkte medio jaren zestig tot begin jaren zeventig in New York. Daar maakte hij gebruik van de ateliers van figurist Walasse Ting en van popartkunstenaar Richard Lindner (69 Street). Presser portretteerde hem begin 1967 in zijn studio en in de galerie van Martha Jackson (32 East 69 Street), op iets meer dan een steenworp afstand van Lindners adres. 'Appel In New York' is tot 17 april te zien in de Kofferkluizen van het Stadsarchief Amsterdam.

Amsterdam in gesprek

Elke 1e en 3e zondag van de maand worden in het gebouw de Bazel aan de Vijzelstraat (het gebouw waar het Stadsarchief is gevestigd) onder de noemer 'Amsterdam in gesprek' spraakmakende gastsprekers geïnterviewd over onderwerpen uit de roemruchte Amsterdamse geschiedenis. Of een actueel onderwerp wordt in historisch perspectief besproken. De aanvang is elke keer om 15.00 uur, de toegang is gratis en er geldt het credo 'vol is vol'. In de zaal kunnen 100 mensen plaatsnemen.

Het programma voor januari en februari is:
- Zondag 17 januari: Vincent van Gogh: Hard Times in Amsterdam.
- Zondag 7 februari: De Parken van Amsterdam.
- Zondag 21 februari: 75 jaar herdenking Februaristaking: het verhaal van februaristaker Joop IJisberg.

Tentoonstelling over jaren 60 in Tropenmuseum

Op 16 oktober is in het Tropenmuseum in Amsterdam de tentoonstelling 'The Sixties - A Worldwide Happening' geopend. De tentoonstelling, die tot 13 maart te zien is, biedt een wereldwijde blik op de jaren 60.
'The Sixties - A Worldwide Happening' is een tentoonstelling waarbij de jaren 60 verrassend dichtbij en herkenbaar aanvoelen, omdat de wereld van nu voortbouwt op de iconen van toen. Aan de hand van een aantal kenmerkende thema's laat de tentoonstelling zien hoe wereldwijde veranderingen zich vertaalden in grafische vormgeving, mode, muziek, architectuur, fotografie en media. Er is een aantal legendarische voorwerpen te bewonderen, zoals kleding van Jimi Hendrix, de Mondriaanjurk van Yves Saint Laurent, de spacelookmode van Pierre Cardin en Paco Rabanne en een van de eerste minirokken van Mary Quant.