De Amsterdamse Krant

8 juli 2016

De Amsterdamse Krant 8 juli 2016


In de 'engelenbak' achterin gingen we naar Bloemendaal

Het strand bij Bloemendaal.

Vakantieverhalen, we kunnen er geen genoeg van krijgen. Figuurlijk en letterlijk. Ook op onze herhaalde oproep kregen we weer een paar juweeltjes, goed voor twee pagina's heerlijk leesvoer, te weten de voorpagina en pagina 4. Geniet ervan!

door Henny van der Sluijs
Jullie roep om zomerse verhalen gelezen hebbende, ben ik weer 'in mijn computer gekropen' om een weekendje Bloemendaal te beschrijven.
Mijn peetoom en -tante stonden met hun drie dochters en twee zoons (in leeftijd rondom de mijne) elke zomer met een 6-persoonsbungalowtent en een 2-persoonssheltertje op de camping Bloemendaal. Ik weet niet precies waar die camping was, want ik heb er maar één weekend gekampeerd en dat was in 1970. Ik was nog geen 9 jaar.

Engelenbak
Het hele Emmelkampen-gezin haalde mij op in hun stationcar met 'engelenbak' (= verlengde bagageruimte) en in die engelenbak mocht ik met mijn neef Vincent. Helaas kenden we toen nog geen autogordels en er waren geen stoelen in die engelenbak, dus we zaten op de vloer.
Bij een flinke kuil in de weg stootte ik mijn kogelharde bol tegen het autodak en riep: "Au! Mijn kersenpit!" en hoorde tante Truus meteen vragen: "Je WAT, Henny?" Dit woord was blijkbaar niet netjes genoeg, dus ik herstelde dat: "Mijn hoofd, tante." Op de camping struikelde ik bijna over een scheerlijn, maar neef René ving me op, zodat ik niet direct met mijn neus in het gras lag. Tante kookte op een campinggasstel een prima maaltje en na het eten maakten we een strandwandeling, waarbij ik een zakje mocht vullen met schelpen om na het weekend thuis mee te knutselen.

Groeten uit Bloemendaal.

Bungalowtent
De bungalowtent had drie cabines: rechts sliepen mijn nichtjes Gitta en Saskia, in de middelste mijn oom en tante en links mijn oudste nicht Marion en ik. Mijn neven sliepen in het sheltertje dat er tegenover stond. Op een gegeven moment zag ik een schattig veldmuisje op zijn achterpootjes op mijn slaapzak zitten, dus ik wees Marion erop, niet wetend dat zij als de dood was voor die grappige beestjes. Zij begon te gillen, het muisje vluchtte onder het tentzeil door naar buiten en ik had de pest in, want ik vond het juist een LEUK beestje!
Ik heb dat weekend alleen nog met mijn andere nichtjes en neven gepraat en gespeeld. De volgende avond kwam vanuit het sheltertje een slaperige stem: "Pap, er zit een muis in onze tent." Oom Joop reageerde heel laconiek met: "Wegjagen, Vincent. Als je overeind komt vlucht hij al, want hij is net zo bang voor mensen als je zus voor hem." Ik moest er natuurlijk om lachen, maar hield me in, want dit vond ik wel zielig voor Marion. Ze werd 'te kakken' gezet bij haar broers en zusjes. Ik heb (op Marions gilpartij naast mijn oor na) een fantastisch weekend gehad op die camping en vond het heel jammer dat ik weer naar huis moest en dat ik daarna niet meer mee kon.
Meer vakantiegevoel op pag. 4.

Nieuwe raadplaat: we hebben geen idee

Marc Stegeman stuurde bijgaande foto die we bij deze bombarderen tot nieuwe raadplaat. Stegeman is coördinator van de Werkgroep Historische Gevelreclames Amsterdam (WHGA, zie www.gevelreclames.nl) en uit het archief van de WHGA komt deze foto. Alleen, Marc Stegeman heeft geen idee waar de foto is gemaakt en rekent een beetje op u. De man die op de foto staat kent hij wel, maar waar de foto is gemaakt: geen idee. Dus als u met een antwoord komt, zijn wij blij, maar dan is vooral de WHGA blij.
Uw inzending kunt u als gewoonlijk mailen naar info@amsterdamsekrant.nl.

Sloterplas

De Sloterplas is het grootste meer binnen de grenzen van de stad. De plas is gegraven tussen 1948 en 1956 en het zand diende als basis voor het huidige Nieuw-west. Duizenden mensen hebben er gerecreëerd, onder andere in het Sloterparkbad dat in 1957 is geopend. Het kan niet anders dan dat velen herinneringen bewaren aan de zomer aan, op of in de Sloterplas. Wij zijn er gek op en kijken ernaar uit.
U kunt uw reactie sturen naar
info@amsterdamsekrant.nl.

Herinneringen van een drogistenzoon aan arm Kattenburg

door Albert Ticheler

Ik ben nu bijna 80 jaar en denk nog vaak terug aan de tijd dat ik in Amsterdam woonde. Als Twents jongetje van 11/12 jaar was ik via Arnhem in Amsterdam terechtgekomen. Wij kwamen met een legertruck waarin de meubelen zaten en waarin mijn jongere broer en ik achterin op de grond zaten.

Drogisterij
Mijn vader had een drogisterij overgenomen op nummer 25 van de Kleine Kattenburgerstraat. Het was een hele overgang voor een provinciejongetje. Het was een heel smalle straat en ons huis/winkel stond helemaal apart omdat aan weerszijden de woningen gesloopt waren. Het was een heel merkwaardig huis. Het winkelgedeelte aan de voorzijde was helemaal onderkelderd. De winkel was bereikbaar door een hardstenen trap en de kelder aan de voorzijde door enkele gemetselde treden.
Het achterhuis lag deels lager, maar was ook apart onderkelderd. De wanden in de huiskamer en keuken waren betengeld en met linnen bespannen en behangen. Daarachter was de muur helemaal betegeld met blauwwitte tegeltjes met allemaal oude voorstellingen.

Broers en zusjes
Ik had twee jongere broers en van mijn stiefmoeder nog vijf zusjes. Zoals op de foto te zien is, zijn de buitenmuren door de gesloopte buurhuizen enkelsteens. Mijn jongere broer en ik sliepen op de zolder, die in de zomer bloedheet was en in de winter steenkoud. Ons bed stond tegen een muur waarop de vorige bewoners een multiplex plaat hadden vastgemaakt. In de winter liep het water van de muren door de condens van onze adem. Als mijn broer en ik uit het zolderraam keken dan zagen wij op het eerste huis boven het gesloopte pand een kippenhok aan de muur hangen.

Kippenhokje
Er zat inderdaad een kip in, die vanuit een raam zijn voer kreeg. In onze verbeelding zagen wij ook dat de bewoners elke dag een eitje uit het kippenhokje pakten. Mijn vader verkocht van alles in deze drogisterij. Wat mij bijgebleven is zijn een aantal bijzondere producten. Hij had in de winkelkelder balen alpengras en zeegras. Dit werd in het voorjaar door de huisvrouwen gekocht om matrassen en kussens van nieuwe vullingen te voorzien.

Arme buurt
Het was een heel arme buurt. Het merendeel van de mannen werkte in de haven als lader en losser van de schepen. Dit ging meestal met de hand en balen en dergelijke moesten op de rug via ladders het ruim uitgehaald worden. De drie vrouwen waren bijzonder netjes op hun huizen en op de hygiëne. Er werden ontzettende grote hoeveelhedenbleekwater, zoutzuur, ammonia en soda in onze winkel gehaald. Ook stond er in de winkelkelder een grote rechthoekige metalen tank met petroleum. De klanten kwamen met hun petroliekan die gevuld werd door een handpompsysteem in de winkel. Een ander product was soort papiervitrages, die de huisvrouwen in het voorjaar nadat de oude vergeeld/bruin geworden waren van de ruiten afhaalden en door nieuwe vervingen.

Maandverband
Voor mij als 12-jarige jongen was er een groot raadsel. Er werd enorm veel maandverband verkocht. Ik had geen idee wat je daarmee kon doen. Er was Nefa wit, rood en paars. De dozen wogen niks. Als er weer een partij aangekomen was, moest ik dat hoog in de kasten van de winkel opbergen. Ik zei tegen mijn vader dat wanneer zo een product zo snel verkocht werd, je het beter laag kon stapelen. Hij gaf geen toelichting, maar ik moest het zo blijven doen.

Binnenplaats
De binnenplaats van ons huis was uitgevoerd in witmarmeren tegels. Het moet indertijd toch wel een bijzonder huis geweest zijn. De binnenplaats was voor ons om te spelen, maar werd ook bedrijfsmatig gebruikt. Er stonden teilen met water waarin lege flessen in alle soorten en maten lagen. Hierin moesten de etiketten losweken. Het waren flessen waarin bleekwater, ammonia, levertraan en siroop had gezeten. Je moest altijd een lege fles inleveren als je iets in een fles wilde kopen.

Etiketten eraf
Na een paar dagen moesten de etiketten eraf gehaald worden. Je deed dat door met een bot aardappelschilmesje de etiketten en lijmresten eraf te krabben. Dan moesten de flessen nog een keer goed omgespoeld worden en omgekeerd te drogen gezet. Daarna werden ze gevuld. Mijn vader liet mij dat doen zoals hij dat in zijn leertijd bij een drogisterij geleerd had.

Aardappelkist
Een mandfles van 70 liter met zoutzuur stond op een aardappelkist. Een lege mandfles ernaast. Hij of ik deden een rubberslang vol met water en knepen de uiteinden dicht. Het ene uiteinde ging dan in de volle fles en aan de andere kant zoog je even met je mond totdat het water begon te lopen. Dan stak je dat einde in de lege, lager staande fles en dan ging vanzelf het zoutzuur in de lege fles hevelen. Als mijn vader dacht dat er genoeg in die fles zat, vulde hij de rest met water. Vanuit die fles werden dan de kleine flessen met verdund zoutzuur gevuld.

Gevaarlijke methode
Achteraf was dit natuurlijk een heel gevaarlijke methode, maar ik deed het in het volste vertrouwen. Het fijnste was de kurken erop te doen en de etiketten erop te lijmen.

Grote fout
Mijn vader had bij de overname van de winkelvoorraad een grote fout gemaakt. Een groot deel van de verfvoorraad bleek te bestaan uit zakken met pigmentstofffen zoals oker, lindegroen, dodekop etc. Inmiddels bestond er Ripolin, de beste lakverf en was de pigmentvoorraad waardeloos. Hij huurde een man met een handkar die ervoor zou zorgen dat het weg kwam. Mijn vader liet mij met de man meegaan opdat ik zou zien dat hij het niet doorverkocht.

Handkar
Ik liep met de man mee langs de Prins Hendrikkade en toen richting de oostkant van het station. Daar was een brug. Hij zette de handkar naast de brugleuning en kieperde de hele inhoud zo in het water, dat meteen alle kleuren van de regenboog kreeg. Van milieu hadden wij toen nog niets gehoord. Ik kon mijn vader in ieder geval vertellen dat de man niets had doorverkocht.

Heel bijzonder
Kattenburg was heel bijzonder. De Grote Kattenburgerstraat, met de Marinierskazerne, de Kleine Kattenburgerstraat en de Katttenburgergracht kwamen tezamen op het Kattenburgerplein. Daar was een kantoortje van De Waarheid en dat was echt een ontmoetingsplek. Van mijn vader mocht ik daar niet komen. In de Kleine Kattenburgerstraat was ook een bakker Cebro en een snoepwinkeltje waar je snoep kon kopen voor 5 voor 1 cent (zuurballen 5 cent).

Een kroeg
Je had ook de 1ste en 2de Kattenburgerdwarstraat. Op een van de hoeken met de Kleine Kattenburgerstraat zat een kroeg waar de deur precies op de hoek zat. De deur stond 's zondags open en was afgesloten met een bruin, dikharig gordijn. De havenwerkers verdronken daar tot verdriet van de vrouwen een deel van hun loon. Soms werd het daar te luidruchtig en werd de politie geroepen. Ofschoon wij van onze vader niet op straat mochten zag ik toch een keer het ingrijpen door de politie. Een heel klein busje met een opbouw van dik kippengaas en blauw zeildoek werd achterwaarts tegen de deuropening gezet.

Potige agenten
Een paar potige agenten pakten binnen een paar dronkenlappen op en smeten die aan armen en benen op de geribbelde grondplaat van het busje. Er gingen drie mannen in die probeerden uit de wagen te komen. Het busje had een treeplank waar twee agenten op gingen staan terwijl zij met hun laarzen de mannen binnenboord trapten.

Lees verder op de volgende pagina.

Het leven op Kattenburg speelde zich veelal af op straat

Albert Ticheler met zijn twee broers en drie van de vijf halfzusjes.

Vervolg van pagina 2.

Het busje reed naar de Kattenburgergracht waar een paardenstal van de politie was. De mannen werden zonder pardon in het stro gezwierd, zodat zij hun roes konden uitslapen. Voor opgroeiende kinderen was dit natuurlijk een geweldig schouwspel.

Op straat
Een groot deel van het leven op Kattenburg speelde zich op straat af. Ofschoon wij niet veel op straat kwamen, maakte een manke vrouw grote indruk op mij. Zij kon een diabolo tot aan de nok van het dak omhoog gooien. Ik kreeg er niet genoeg van om daar naar te kijken.

Bernardusschool
Ik ging niet op Kattenburg naar de lagere school, maar naar de Bernardusschool aan de Stadhouderskade. Ik liep dan via een brug over de Prins Hendrikkade naar de beginhalte van de tram, die daarna schielijk naar links ging op de Plantage Middenlaan. Dan ging de tram over de Roeterstraat. Deze liep schuin over een paar grachten. Het was een sport om met losse handen midden in de tram te blijven staan als die de schokkerige bochten over de bruggen nam. Ergens was er ook een oudemannenhuis waar de mannen op stoeltjes voor het gebouw zaten te roken. In mijn herinnering hadden ze allemaal blauwe hesjes aan.

Weteringplantsoen
Ik stapte uit bij het Weteringplantsoen. Als ik naar de school liep dan lag links de Heinekenbrouwerij. Vaak stond er een paardenwagen voor die getrokken werd door twee zware knollen. Op de wagen lagen dan de fusten met bier. Als een paard begon te plassen, dan deed de ander mee. De plas stond dan soms tot aan de trottoirrand. Jongens van school beweerden dat ze in de brouwerij zo ook het bier maakten.

Geen speelplaats
De Bernardusschool had geen speelplaats en daarom stond je voor school begon gewoon op de stoep. Ik had van thuis een aluminium opvouwbaar broodtrommeltje gekregen dat dichtgehouden werd door een rode weckring. Ik zette het trommeltje in de vensterbank van de school. Toen de bel ging pakte ik het trommeltje. Een van mijn nieuwe klasgenoten viel tegen mij uit en riep: "Blijf met je vurige tengels van mijn trommeltje af." Hij bleek eenzelfde uitmonstering te hebben. Ik leerde meteen voor mij onbekende woorden en hun betekenis.

IJsclubterrein
Vanuit de school gingen we voor gymnastiek naar het IJsclubterrein. Het bleek een braakliggend stuk grond te zijn tussen het Rijksmuseum en het Concertgebouw. Wij speelden daar kastie, oftewel slagbal met rondjes. Op de weg daarheen moesten wij over een brug bij een brandweergarage (Ruysdaelkade?) en ik zag daar enorm grote vogels in het water drijven: die had ik in Twente nooit gezien. Ik vroeg aan een klasgenoot: "Kunnen kippen zwemmen?" Het gebrul was niet van de lucht. Er werd mij uitgelegd dat dit zeemeeuwen waren. Een jongen uit de klas zei dat het leven eenvoudiger was als je vogels indeelde in sijsjes en drijfsijsjes!

Stakingen
Je had indertijd een communistisch vakverbond, de EVC. Er waren mensen die dat de Eeuwige Vakantie Club noemden vanwege de vele stakingen. Ik heb er twee gezien. Er was een staking van het personeel van het GVB. De samenkomst was net nadat de school was uitgegaan en enkele jongens hadden er lucht van gekregen.

Meer loon
De stakers riepen in koor dat ze meer loon wilden. De politie sommeerde hen weg te gaan. Dat deden ze niet, waarna er door de politie ingegrepen werd. Het was een ongelijke strijd. De stakers waren familievaders die als bestuurder of conducteur werkten. De politieagenten waren getrainde vechters. De agenten trokken de stormbanden van hun pet onder de kin en trokken hun wapenstok. Op een gegeven moment zag ik een staker door de lucht vliegen en ruggelings op de grond terechtkomen. Wij applaudisseerden omdat het spectaculair was, terwijl je niet wist waarom het echt ging. Nu achteraf denk ik dat het heel vreemd was dat gemeentepersoneel - politie - in opdracht van het gemeentebestuur ander gemeentepersoneel - GVB - hardhandig ging aftuigen.

Havenarbeiders
Een andere staking was van havenarbeiders in Kattenburg. Ik kwam terug van school en kon nog net de draaibrug over de Prins Hendrikkade over toen deze werd opengedraaid. Er was veel volk op de been op het Kattenburgerplein en er werd geroepen en geschreeuwd.

Zanderige oever
De Kattenburgergracht had aan een kant een zanderige oever met daarvoor een gietijzeren hek. Een agent dirigeerde mij achter het hek en zei dat ik daar moest blijven. Op een gegeven moment vlogen er stenen door de lucht in de richting van de bereden politie.
Ik stond verbaasd te kijken. Vanaf de Oostenburgergracht kwamen een paar motoren met zijspan in gesloten formatie aanrijden. De mensen bleven staan. Toen schoten agenten die in de zijspan zaten in de lucht, waarna iedereen op de vlucht sloeg. De brug naar Rapenburg was opengedraaid zodat de mensen via de Kleine en Grote Kattenburgerstraat wegrenden. Een groep mariniers van de marinierskazerne rende achter ze aan en toen was het plein ineens leeg.

Koninginnedagfeesten
In 1948 waren er ook koninginnedagfeesten. Ofschoon ik een provinciejongetje was, vond ik al gauw de weg door de stad. Op Koninginnedag was ik op de Dam. Er was een enorme mensenmassa en ik kon niet zien wat er gebeurde. De mensen waren opgewonden en blij. Er werd de hele tijd gezongen: 'Oranje boven, Oranje boven, Leve Willemien.' Wie dat was wist ik niet, maar het maakte door de enorme massa mensen een grote indruk op mij. Ook de versieringen vond ik mooi. Aan lantaarnpalen zaten kegelvormige houten versieringen met daarin dennentakken gestoken en zover ik mij kan herinneren een kroon erop.

Astmatisch
Ik was een astmatische jongen en mijn vader vond dat er iets aan gedaan moest worden. Ik moest daarvoor naar dokter De Hoogh op de Willemsparkweg. Van deze homeopathische dokter kreeg ik een kuur voorgeschreven. Ik moest elke dag alleen maar kwark eten: als ontbijt, tussen de middag en als avondeten. Voor tussen de middag kreeg ik de kwark mee in een jampot. Op dinsdag en donderdag mocht ik in de ochtend niets eten en tussen de middag nuchter in zijn spreekkamer komen. Dan gaf hij mij een injectie in mijn bovenbeen en een zuurtje omdat ik na een paar minuten een vieze smaak in de mond zou kunnen krijgen. Ik ging dan de wachtkamer weer in en viel dan vaak flauw. De vrouwen die daar zaten brachten mij dan weer bij en voerden mij de kwark. Daarna liep ik weer terug naar de Bernardusschool aan de Stadhouderskade.

Zes maanden
Dit duurde ongeveer zes maanden en toen stelde dokter De Hoogh vast dat het bij mij niet hielp en dat ik weer gewoon moest eten. Ik hoefde in mijn verdere leven geen alternatieve geneeskunde, maar kwark lust ik nog altijd!
Intussen had ik vijf halfzusjes gekregen en was ons gezin met mijn drie broers en ouders best heel druk. Daarom kwam er een hulp in de huishouding en waren we met elf. Dit werden er zo veel dat de hulp er de oorzaak van werd dat ik naar de Jordaan verhuisde en daar nummer 23 werd. Maar dat vertel ik wel in een ander verhaal.

Veel beroemdheden in de Biesboschstraat

De Biesboschstraat zoals Albert Ticheler deze gekend heeft.

Onlangs hadden we als raadplaat de kunstenaarsstudio's aan de Zomerdijkstraat/Uiterwaardenstraat. In de afgelopen twee edities is daar uitgebreid op gereageerd. We hebben nog een nagekomen uitgebreide reactie die we u niet willen onthouden.

door mr. René Polanus

Dat zijn de kunstenaarsstudio's (benedenverdieping) aan de (ene kant) Uiterwaardenstraat en aan de andere kant van die studiohuizen is de Zomerdijkstraat. De naastgelegen Maranathakerk heb ik nog zien bouwen. Er was ook een balletstudiootje in die huizen; ik ben eens met een buurmeisje meegelopen toen ze naar balletles ging; ingang Zomerdijkstraat.

De Biesboschstraat gezien vanaf de wolkenkrabber.

Geboren en getogen
Ik ben in die buurt geboren (1946) en getogen. Tegenover de Uiterwaardenzijde bevond zich een sportveld (toen alleen nog maar een deels afgetrapt grasveld), aan de andere kant van dat veld staat een school die in mijn jaren Prof. Gunningschool heette. Op het sportveld ben ik maar al te vaak geweest.

Prof v.d. Leeuwschool
De eerste vier jaren lagere school (1952) was ik op de Prof. v.d. Leeuwschool naast het De Mirandabad. Omdat die al spoedig te klein werd, werden enkele klassen voor een periode van circa 3½ maand 'gedeloqueerd' naar de Prof. Gunningschool. Ook ik was het laatste kwartaal van de 3e en 4e klas verhuisd naar de Winterdijkstraat.

Veel voetballen
Dat was veel voetballen vóór schooltijd en in het speelkwartier. In de 4e klas hadden we een zeikerd van een onderwijzer (Ton Visser) die vond dat we na het voetballen niet meer met dezelfde schoenen de klas in mochten en hetzij maar op onze sokken moesten gaan lopen, hetzij een apart paar schoenen of pantoffels moesten meebrengen.

Verhuizen was leuk
Dat verhuizen was wel leuk, want dat betekende in schooltijd ettelijke malen heen en weer lopen met allerlei spullen als leermiddelen, de plantjes en noem maar op.
Op 28 mei 1957 verhuisde ik met mijn ouders en broer van de Vechtstraat nr. 145-hs (precies recht tegenover op nr. 158" is Sonja Barend geboren en getogen, maar ik kan me haar niet herinneren, ze is vijf jaar ouder dan ik) naar de Biesboschstraat 29". Andere BN'ers uit de Vechtstraat: de familie Alberti, al woonde die helemaal aan het begin, bijna bij de Amstelkade. In het schooljaar 1956-1957 was ik samen met Willeke Alberti op de Vondelschool in de Jekerstraat, maar ook haar kan ik mij niet herinneren; ze is een 1½ jaar ouder dan ik en liep een schooljaar voor op mij. Tonnie Alberti woont intussen ook al jaren in Hoofddorp en ik spreek hem af en toe.

Carry Tefsen
Overigens woonde enkele huizen verwijderd van ons in de Biesboschstraat de BN'er Carry Tefsen. Ze heeft er - voor zover ik het in de herinnering heb - niet lang gewoond. Een wat minder bekende: Max van Praag, de man die alles over films weet, enkele keren over dat thema aan quizzen op TV meedeed en in het filmwereldje wél echt bekend is. Het gezin Van Praag woonde schuin tegenover ons in de Biesboschstraat.

Wereld- ontvanger

door Henny van der Sluijs
Na het zien van de foto van een transistorradio bij 'Dit komt nooit meer terug' ben ik even mijn slaapkamer ingelopen, want het ding deed me heel sterk denken aan de Wereldontvanger die daar staat.
Ook een 'zenderschaal', een speaker met 'gaatjes' en een uitschuifbare antenne. Maar er is wel verschil. Mijn radio heeft een draaiknop aan de rechterkant (dus niet voorop) en de volume-regelaar zit boven op als schuifje, evenals de hoge- en lagetonenknoppen en de 6(!) drukknoppen die 'golfzoeker' zijn voor O, U, L, M, K1 en K2. U zal wel Ultrakorte Golf zijn, L Lange Golf en M Middengolf, maar helemaal zeker weet ik dit niet.

De overige drie kan ik niet plaatsen en ik gebruik alleen de U om in bed naar klassieke muziek te luisteren, want mijn Wereldontvanger staat standaard op Radio4. Als ze daar een enkele keer 'bagger' uitzenden heb ik nog een wekkerradiootje dat NH doorgeeft. De Wereldontvanger is een geschenk geweest van een inmiddels overleden zeer dierbare vriend, dus die doe ik nooit weg. De ontvangst is prima.

Zelf bouwen

door Jap Kaan
Naar aanleiding van het artikel van Bert Hengel met zijn transistor radio ging ik nog verder terug in de tijd. In jaren vijftig jaren gaf uitgever De Muiderkring boeken uit over het bouwen van radio's. In het eerste deel stond hoe een kristalontvanger te bouwen. Voor die tijd een heel gedoe omdat je zelf je spoelen moest wikkelen.
Ook om een goede ontvangst te krijgen moest je met een staafje waaraan een draadje zat in de kristal (carborundum) poeren, net zolang tot je goed geluid had.
Een vereiste was dat je een zeer lange antenne moest hebben. Gelukkig woonde ik toen drie hoog in Amsterdam en kon zodoende een lange antenne spannen tussen de schoorstenen op het dak.
Je was vreselijk gelukkig dat je zo'n geval zelf had gemaakt en er zelfs geluid uit kwam ! Onderdelen kon je kopen bij "Aurora" in de Vijzelstraat. Een hele verbetering was het toen de 402 spoel en de westector (een diode) te koop waren. (Afb. 003).
Later toen deel 4 van Jongens Radio uitkwam maakten we radio's en versterkers met het Uni Frame systeem. Een soort Mecano waarvan de chassis gemaakt werden.


Met de hele bubs naar Aerdenhout

In de Oude RAI waren in de zomer altijd sport- en spelactiviteiten.

vervolg voorpagina: zomerbelevenissen

door Willie Janse
Wij gingen ieder jaar op zomerkamp in Aerdenhout via clubhuis St. Franciscus in de Borgerstraat. De pater, Mooiman, die dat bestierde had een studiegenoot in het kerkje in Aerdenhout en naast dat kerkje stond een clubhuis van de padvinders dat voor ons bestemd was.

Spaarkaart
Wij spaarden er het hele jaar voor. Een kwartje per week, op een spaarkaart die werd bewaard door juffrouw Lucassen, de drijvende kracht van het clubhuis. In de weken voor het zomerkamp leerden wij hoe we een bed moesten opmaken en wat we mee moesten nemen.

Opmaken
Iedere zomer gingen we met de hele bubs de bus in naar Aerdenhout. Daar aangekomen stonden er al britsen klaar en we begonnen meteen met het opmaken ervan. Buiten zetten wij onze meegenomen afwasbak neer waarin je je 's morgens kon wassen, plus een bekertje met tandenborstel en zeep. Die afwasbak werd gevuld met ijskoud water en als het regende moest je jezelf buiten wassen.

Slaapzaal
Er was een zaal om te slapen en een zaal om te eten. Wat ik het lekkerste vond waren de boterhammen met jus die we na de gewone prak ook nog kregen. Het eten was prima.
Er was een tuinder in de buurt die het leuk vond om voor die arme kindertjes tomaten af te staan. Die kwamen je op het laatst de keel uit en dan zongen wij: ''O, was ik maar bij moeder thuis gebleven. Ik kan niet eten en niet slapen, want we lusten geen tomaten", enz.

Op de fiets
Ook gingen we lopend door de duinen naar Zandvoort en we hielden een speurtocht door de buurt. Als het regende deden we spelletjes in de eetzaal.
Toen wij meisjes wat groter waren zodat we niet meer tussen het grut in de slaapzaal pasten, gingen we op de fiets naar Aerdenhout en sliepen we in een boerderij waar in de zomer de koeien van in de wei stonden. We lagen met onze bedden in de stal en dat kon je nog ruiken ook.

Goeiemorgen dames
De jongen die de melk kwam ophalen vond het lollig om iedere morgen die staldeur open te gooien en keihard GOEeIEMORGEN DAMES te roepen. Hoe laat dat was weet ik niet meer, maar het was erg vroeg. En elke ochtend gingen we op de fiets naar het zomerkamphuis om te eten en mee te draaien in het programma.

Loenen aan de Vecht
Toen pater Mooiman niet meer in het clubhuis zat, gingen we op zomerkamp in Loenen aan de Vecht. Daar was het lang zo leuk niet als in Aerdenhout, maar mijn voordeel was dat mijn zusje dat jaar voor de eerste keer ook meeging. En mijn broer was daar ook. Ik bedenk nu dat mijn ouders het wel lekker rustig hebben gehad die week. Wat een feest als we weer naar huis toe gingen met zo veel leuke verhalen.
En dan weer sparen voor het volgende jaar.

Bleekneusjes

door H.J. te Zetten
Voor 1940 was het in de crisistijd geen vetpot, dus in de Amsterdamse Indische buurt dito met gevolg: bleke smoeltjes van de jeugd, daar er ook geen geld was voor vakanties om bij te kleuren. Maar, zoals al eerder aangehaald, bestond er een huisartsenvereniging in Amsterdam-Oost die het mogelijk maakte dat op hun advies de bleekneuzen naar een opfriskolonie werden gezonden. Petten en Voorthuizen waren het doel van mijn broer Jan en mij. Nog herinner ik mij het ruime zusterspersoneelbestand, de blikken pap, de borden en het leven daar. Enkele weken vakantie met grote groep kinderen en als herboren ging je weer naar huis.
Dankzij die sociale huisartsen ben ik thans 89 jaar.

Sjansen in de Oude RAI

door Jannie Booij
Goedemiddag, net op deze zondagmiddag op mijn gemak De Amsterdamse Krant gelezen. Gezellig weer en zeker het onderwerp 'Sporten in de Oude en Nieuwe RAI' sprak mij erg aan en haalde weer herinneringen naar boven uit die goeie ouwe tijd!

De RAI
Tuurlijk ging ik ook iedere 'grote vakantie' sporten in de RAI. Ik ben van 1950 en woonde vrij dichtbij op de hoek Ceintuurbaan/Dusartstraat en mijn vriendinnetje woonde aan de overkant. Met haar sprak ik af om naar de Oude RAI te gaan. Er was alleen één nadeel: we hadden allebei een broertje dood aan sporten en waren meer het soort meisjes van de getoupeerde kapsels, liefst met sjaaltje eromheen, en de gestippelde BB-jurkjes. Dus wij gingen helemaal niet sporten in de RAI: wij gingen lekker sjansen met jongens; o, wat was dat spannend in die tijd! Ik weet nog dat een grote hit in die tijd was 'Having my baby' van Paul Anka. Pfffff, dat moest mijn moeder weten.
Maar alles is goed gekomen. Ik hou nog steeds niet van sport of fitness, heb inmiddels twee volwassen dochters, maar dit waren mijn herinneringen aan ;sporten; in de Oude RAI. Later ging ik trouwens over naar de nieuwe RAI, en daar heb ik ook nog jaren gewoond in de Rivierenbuurt. En inmiddels alweer 30 jaar in Almere, maar oohhhh wat mis ik Amsterdam!! Dat gaat nooit over!

De straat waar Willy Alberti geboren is

De raadplaat in de vorige editie.

In elke editie van de Amsterdamse Krant publiceren we de raadplaat, waarbij we de lezers laten raden waar foto's uit de collectie van Simon Blokland of foto's die lezers hebben ingestuurd, zijn gemaakt. Voor een groeiend aantal trouwe lezers is het inmiddels een leuk tijdverdrijf. Soms zijn de foto's makkelijk, soms moeilijk, maar over het algemeen krijgen we veel inzendingen.
De raadplaat in de vorige editie is net als die in de editie daarvoor ingestuurd door Werner Bucher. Menigeen heeft zich erop stukgebeten. Sterker nog: we kregen maar een handjevol inzendingen en die waren allemaal fout. Dus hierbij om te beginnen de goede oplossing: het betreft een foto uit 1990 (ook alweer 26 jaar geleden) van de Konijnenstraat vanaf de Elandsstraat richting Lauriergracht; hartje Jordaan dus. En dit is niet zomaar een straat, maar het is de straat waar Willy Alberti is geboren.

"Volgens mij is het de Grote Bickerstraat", schrijft W.H.Kuster en Eric van de Vuurst houdt het op de Rozenstraat.

Utrechtsedwarsstraat
Gerard Jansen komt met weer een andere optie. "Waar deze foto genomen is, is zeker niet eenvoudig, de straat lijkt op de vele zijstraten van b.v. de Leidse- of de Utrechtsestraat, ook in de Jordaan zie je deze veel. Om toch een antwoord te geven, en het tijdsbeeld van de jaren 90 meenemend, zeg ik de Utrechtsedwarsstraat, het gedeelte tussen de Utrechtsestraat en de Reguliersgracht."

Nogmaals de vorige raadplaat, die van de brug bij de Kwakersstraat.
Willy Alberti als jonge zanger.
De Konijnenstraat nu.

Goudsbloemstraat
"Ik denk dat het de Goudsbloemstraat is", schrijft Bertus Stoeltjes.

Opgraving
En dit is het dan, wat betreft het aantal reacties. Maar omdat we wel aan een pagina willen komen, zijn we even gaan googelen op Konijnenstraat in Amsterdam. Op de website tussentaalenbeeld.nl lezen we: "Dit gebied werd in het begin van de 17de eeuw bij de stad getrokken. Een archeologische opgraving was bedoeld om informatie in te winnen over de eerste huizenbouw, maar vooral over de landinrichting en de activiteiten ter plekke voor de aanleg van de stadswijk de Jordaan."

Een sloot
"Midden in het opgravingsterrein werd een sloot aangetroffen, de Gasthuissloot, die de noordgrens van het verkavelingsperceel, het Margrietenpad, markeerde. Onder in de sloot lag laat-16de-eeuws materiaal. De perceelscheiding bleek met zand en een pakket biezen en rijshout te zijn gedempt, vermoedelijk vanwege de herinrichting van het gebied tijdens de stadsuitbreiding van 1612. Na de demping van de Gasthuissloot werd het terrein opgehoogd en bebouwd."

Carel(tje) Verbrugge
Op 14 oktober 1926 werd in de Konijnenstraat Carel(tje) Verbrugge geboren. Carel werd in Nederland wereldberoemd onder zijn artiestennaam Willy Alberti. Op dezelfde website lezen we: "Moeder Fie van Musscher en vader Ko Verbrugge hadden 8 kinderen. Careltje was het derde kind. Fie schilde aardappelen en uien voor de firma Loman en pa werkte in het café van Nelis de Moor aan de Prinsengracht. Ko was de eerste zingende kelner van Amsterdam. Daar had Careltje zijn gouden stem vandaan. Hij zong in een matrozenpakje boven op het biljart en kreeg daar een kogelflesje, een frisdrankje, voor. Maar snel verdiende hij er ook geld mee en werd zijn artiestennaam Willy Alberti vanwege zijn Napolitaanse repertoire."

Jordaanoproer
"Tijdens de crisis van de jaren dertig trok het gezin Verbrugge van de steun en ze moesten eten halen uit de 'snertloods', een gymnastieklokaal op de Elandsgracht. Toen Careltje zeven jaar was, brak het Jordaanoproer uit. Careltje ging naar dezelfde school als zijn neef Jantje van Musscher, die beroemd werd als Johnny Jordaan. Samen zongen ze bij de terrassen van het Rembrandtplein en het Leidseplein. Ook zongen ze voor de mensen die in de rij voor het Asta-theater, hét uitgaanscentrum van de Jordaan aan de Rozengracht, stonden te wachten. Ome Henk Schwarz, een vaste bezoeker van de cafés, raadde de ouders van Careltje aan hem zangles te laten nemen.
Aan de Westertoren is een bronzen plaquette aangebracht ter herinnering aan de zanger die in 1985 is overleden."

Nazit, Kwakersstraat
Nee, dan de vorige foto, die van de Kwakersstraat en Kwakersplein en het erachter gelegen Bellamyplein. Die maakte veel meer los, vandaar een nazit.
Ben Stokman stapte weer terug in zijn jeugdtijd. "Erg leuk die verhaaltjes over het Bellamyplein en de Kwakersstraat. Ik ging als jongen naar de St. Bavoschool in de Bilderdijkstraat en woonde in de Ten Katestraat schuin tegenover de Hasenbroekstraat. Ik passeerde dus bijna dagelijks dit punt. Het valt me op dat de meeste verhalen niet zover terug gaan in de tijd. Maar dat zit hem waarschijnlijk in de leeftijd."

Aan het werk
"Ik weet nog als de dag van gisteren dat we om twaalf uur uit school kwamen en dat ze aan het werk waren op het Bellamyplein. Het leek erop dat ze daar iets gingen bouwen. Iedereen was hoogst verbaasd want er werd nergens meer gebouwd: het was 1943, dus midden in de oorlog. Er werd een eenvoudig gebouw neergezet. Het bleek dat het een gaarkeuken moest worden en later, toen er geen gas en licht meer was, moesten we daar elke dag een maaltijd halen. Maaltijd was wel een groot woord voor dat waterige spul. Ik denk dat de gaarkeuken heeft gedraaid tot eind 1945."

Bloksma
"Het gebouw is nog jaren blijven staan en werd gebruikt door Bloksma radiateurenfabriek. De hongerwinter heb ik daar gelukkig niet mee hoeven maken, want toen was ik via de kinderuitzending bij de boeren in Ursem. Ik werd daar geweldig opgevangen in een gezin met elf kinderen. Hier ben ik gebleven tot juli 1945. De leidster van de kinderuitzending woonde trouwens ook op het Bellamyplein en later heeft mijn zus daar nog gewoond, dus allemaal bekend terrein. Net als de winkeliers: de bakker, Topido, schoenmakerij Krom en Cornelis Hiep."

Nieuwe raadplaat

Marc Stegeman stuurde bijgaande foto die we bij deze bombarderen tot nieuwe raadplaat. Stegeman is coördinator van de Werkgroep Historische Gevelreclames Amsterdam (WHGA, zie www.gevelreclames.nl) en uit het archief van de WHGA komt deze foto. Alleen, Marc Stegeman heeft geen idee waar de foto is gemaakt en rekent een beetje op u. Dus als u met een antwoord komt, zijn wij blij, maar dan is vooral de WHGA blij. Uw inzending kunt u mailen naar
info@amsterdamsekrant.nl.

Het Broenshoefje

33

Het Broenshofje op nummer 52.

door Jos en Frits Mol, Adrie de Koning

Ligging en ouderdom
Het Broenshofje is gelegen aan de Boomstraat 52. De Boomstraat ligt aan de ene kant tussen de Eerste en Tweede Boomdwarsstraat en aan de andere kant tussen de Linden- en Westerstraat.

Bijzondere kenmerken van de Boomstraat
Het huis is ontworpen in 1878 door de architect A. L. van Gendt. Dit nu Gemeentelijke Monument valt onder de bouwstijl van het eclecticisme. Hij ontwierp een rij gezichtsbepalende gebouwen in Amsterdam: Theater Frascati, de Hollandse Manege, de winkelgalerij bij het Paleis voor Volksvlijt, het Concertgebouw, het Burgerziekenhuis, de chromolithografiefabriek Van Leer en Co., de Beijerse Bierbrouwerij De Amstel, Café de Ysbreeker, de Werkspoor Stork fabriek (nu ook Van Gendthallen), het Centraal Station (met Cuypers), de Stadsschouwburg (met Jacobus Springer), de Graansilo op de Westerdoksdijk (met J. Klinkhamer) en de Villa Heineken aan het Tweede Weteringplantsoen 21.

De Boomstraat waaraan op nummer 52 het Broenshofje gelegen is.

Enkele gangen
Aan de Eerste Boomdwarsstraat/Boomstraat kennen we enige gangen: aan de Boomstraat tussen de nrs. 22 en 26 de Schuitenvoerdersgang en verder een aantal naamloze gangen.Tussen de nrs. 23 en 27 lag de Apothekers-Blauwegang en verder een groot aantal naamloze gangen.

In de eerste Boomdwarsstraat kennen we tussen de nrs. 45 en 53 de Schuijermakersgang en tussen 55 en 59 de Kistenmakersgang. Tussen 61 en 71 de Melkmeisjesgang en tussen 85 en 89 de Blauwe-Hanengang. Om de hoek in de Tweede Boomdwarsstraat tussen de nrs. 3 en 7 de Smidsgang. Aan de Boomstraat tussen de nrs. 22 en 26 de Schuitenvoerdersgang.

Doelstellingen
Het Broenshofje was een hofje voor zes protestantse alleenstaande vrouwen. De stichteres A.C. Broen schonk na haar overlijden in 1873 dit hofje en wat geld aan de Vereeniging tot Ondersteuning van Minvermogenden, die in 1878 dankzij het verworven kapitaal in staat was de naastgelegen panden 54 en 56 te bouwen. Uit de rente van dit kapitaal ontvingen de bewoonsters een uitkering.

Toegankelijkheid
Dit hofje is verkocht aan particulieren in 1995 en werd geheel gerestaureerd, waaraan herinnerd wordt in een steen naast de deur. Het is daarom niet toegankelijk voor het publiek. Het huis staat inmiddels op de Monumentenlijst.

Te laat

In de jaren tachtig kwam ik vaak in Amsterdam-Noord. In de armere gedeeltes woonden veel mensen met psychische- en alcoholproblemen, soms deur aan deur. Een van die mensen was Frans. De buren zagen hem regelmatig over straat schuifelen, meestal om drank te kopen. Doorgaans liet men Frans met rust, maar daar kwam verandering in toen diezelfde buren stankoverlast kregen. Ik ging poolshoogte nemen.

Op de bank ligt, tussen flessen en blikjes, onder een met stront besmeurde deken een man van ongeveer zestig jaar. Hij ligt languit op zijn rug met zijn bolle buik naar boven. Zijn mond staat een beetje open. Rondom de bank ligt veel bedorven eten, vooral restanten van kant-en-klaarmaaltijden. Alles is groen uitgeslagen van de schimmel. Zachtjes loop ik naar hem toe en buig me over hem heen. Ik zie dat hij ademt en geef hem een duw. Verschrikt slaat hij zijn ogen naar mij op. Ik probeer een gesprekje met hem aan te knopen, maar hij is moeilijk te verstaan en geeft met tegenzin antwoord op mijn vragen. Stukje bij beetje krijg ik zijn verhaal te horen. Frans was ooit buschauffeur geweest, maar werd ontslagen omdat hij een keer met een glaasje op naar zijn werk was gegaan. Getrouwd geweest, geen kinderen en geen enkel contact met zijn ex en familie. Sindsdien leeft hij als een kluizenaar.

Dat hij een probleem heeft, ontkent Frans ten stelligste. Frans houdt van drank en is absoluut niet van plan om te stoppen met drinken. De viezigheid in zijn huis interesseert hem voor geen meter, zegt hij. Ik probeer op Frans in te praten en hem over te halen hulp te aanvaarden: "Frans, luister. Jij bent niet de enige die zo leeft en ik zal je dit vertellen: vaak moet ik een week na mijn bezoek aan mensen zoals jij terugkomen in een witte overall en met rubber laarzen aan. En weet je waarom? Omdat ik dan de persoon in kwestie in een lijkzak moet sjorren omdat hij te vies is om aan te pakken. Wil je dat dat ook met jou gebeurt? Of wil je dat we je helpen, je huis schoonmaken en wat aan je alcoholprobleem doen?"

Op dat moment kan ik niet vermoeden dat het verhaal precies zo afloopt zoals ik het hem letterlijk heb verteld. Als Frans in de zak verdwijnt, flitst mijn waarschuwing aan hem door mijn hoofd en ik denk: had dan geluisterd, klojo!

Huisverslaafde PJ stonk nogal

Op 17 oktober 1986 ging het wijkteam Wallen van start.

door Theo Evers
Tijdens een van mijn avonddiensten in 2001 kwam een vrouw aan de balie met de mededeling dat op de hoek van de Oudebrugsteeg/Beursstraat een man levenloos in de goot zou liggen.
Aangezien al mijn collega's druk bezig waren met aangiften en baliewerk, ging ik zelf maar even kijken.
De opgegeven locatie was immers enkele meters bij ons bureau vandaan. Toen ik ter plaatse kwam, zag ik de ons bekende Petrus Johannes (PJ) aan de rand van het trottoir liggen. Hij was kennelijk buiten westen, want hij reageerde niet op het geven van porren en pijnprikkels.
Na enkele minuten kreeg ik toch beweging in PJ, die nauwelijks aanspreekbaar was.

Huisverslaafden
Nu moet je wel even weten, dat PJ tot een van onze 'huisverslaafden' gerekend kon worden en dat hij zichzelf nooit verzorgde. Als gevolg daarvan rook je eerst een ondraaglijke stank en dan pas zag je PJ aankomen. Hij liep altijd op kapotte schoenen en sokken en na enkele maanden 'verkleefden' deze sokken zich met zijn voeten.
Als hij zich al medisch liett verzorgen dan moesten de sokken eerst met een teil warm water van zijn voeten worden geweekt.

Haast kokhalzen
Deze avond had PJ dagenlang drugs gebruikt en had niet gerust of geslapen, maar door de buurt gelopen totdat hij in de goot in slaap viel. Ik moest haast kokhalzen van de stank die zijn lichaam verspreidde en ik moest er niet aan denken om hem in het bureau uit te laten rusten. De stank zou namelijk dagenlang in het bureau blijven hangen.
Via de portofoon vroeg ik om de surveillancebus, die even later bij mij voor kwam rijden.
Samen met de collega tilde ik PJ de bus in. Hij had medische verzorging nodig en waar kun je die beter krijgen dan in het ziekenhuis.

Eerste hulp OLVG
Hierna zijn wij met PJ naar de Eerste Hulp van het OLVG ziekenhuis in Amsterdam-Oost gereden. Ik meldde mij bij de receptie en deelde de verpleegkundige mede dat ik onderweg bij het Sarphatipark een man in de goot had aangetroffen die mogelijk gewond aan zijn voeten was.
Het was op dat moment erg druk in de wachtkamer van de Eerste Hulp en de verpleegkundige vertelde mij dat ik maar een rolstoel uit de hal moest pakken en PJ daarin in de wachtkamer moest 'parkeren'.
Zo gezegd, zo gedaan. Wij hesen PJ in een rolstoel en onder het mom van 'PJ, je wordt zo geholpen' reden wij hem de wachtkamer binnen. PJ hoorde dit niet eens, want hij snurkte luid.
Na snel de verpleegkundige te hebben gegroet zijn wij schielijk weggevlucht, terwijl wij de eerste kreten van afschuw uit de wachtkamer hoorden.

De brand in Casa Rosso

door Frans Raap
Het was vrijdag 16 december 1983. Ik was als leerling-brigadier werkzaam aan het bureau. Dienstgroep 1 had de dienst 17.00-02.00 uur en wij waren net afgelost door groep 2, die nachtdienst had.
Op dat moment kwam er een bericht binnen over de brand bij Casa Rosso. (Over deze brand staat veel omschreven in het boek 'Warmoesstraat' van Cees Koring).
De brand was ontstaan aan de zijde van de Oudezijds Achterburgwal.
Een ontevreden ex-medewerker had aan die kant een brandbom binnen gegooid.
Ik werd belast met een post aan de zijde van de Oudezijds Voorburgwal, omdat het pand doorliep. Steef, Peter en ik hebben nog verschillende mensen geassisteerd die met veel ademhalingsmoeilijkheden uit het pand wisten te komen.

Nadat de brand geblust was en er geen gevaar voor verstikking meer aanwezig was, werd ik benaderd door een commandant van de Brandweer. Hij vroeg of ik even met hem mee wilde lopen. Ik volgde hem en via een deur aan de Voorburgwal was links een deur naar een ruimte. Ik zag dat in deze ruimte 11 mensen lagen. Deze waren allen gestikt en lagen erbij alsof zij vredig sliepen.
Het bizarre van het verhaal was dat als zij de deur direct voor zich hadden genomen, zij buiten hadden gestaan. Nu waren zij zodanig door de rook bedwelmd dat zij verdwaald waren en de verkeerde deur hadden geopend, hetgeen hun noodlottig is geworden.

We werden gelanceerd

door Ton Stellaard
Op een mooie zomerdag was ik als 202 aan het surveilleren in het Wallengebied. Ik reed samen met Rob M. en we reden juist op de Nieuwmarkt toen een auto uit het 3e district de opdracht kreeg te gaan naar de Raamgracht, alwaar een paar toeristen beroofd werden.

Rugzaktoeristen
Aangezien we daar maar een paar honderd meter vandaan waren, besloten we met spoed daarheen te gaan. En inderdaad. We zagen dat twee rugzaktoeristen met een mes bedreigd werden door twee heren uit de gebiedsdelen overzee. Toen ze ons in de gaten kregen renden ze weg de Raamgracht op. Ik scheurde er volgas achteraan. Op een gegeven moment ging er één rechtdoor en één rechtsaf. "We pakken die gozer die rechtdoor gaat", schreeuwde Rob. Ik liet me dat geen twee keer zeggen en gaf nog een dotje gas bij.

Bruggetje
Nu wil het feit dat de Raamgracht een pittoresk bruggetje heeft liggen, midden op de weg. Dat komt in Amsterdam wel meer voor. En we hebben allemaal wel eens een sprongetje gemaakt op zo'n bruggetje. Helaas gaat de weg op de Raamgracht niet rechtdoor, maar maakt een klein, venijnig knikje.

Effe vergeten
In mijn enthousiasme de boef te pakken was ik dat effe vergeten. We werden daarom gelanceerd en vlogen een eind door de lucht om uiteindelijk boven op een Amsterdammertje te landen. Onze auto kon dat niet lijden, dus die ging over de kop, gleed een eind door en bleef bij een invalidenparkeerplaats op zijn kop liggen. We hebben eerst gekeken of we allebei oké waren. Toen deden we de mededeling die ik nu nog steeds (bijna 20 jaar later) moet horen.
Rob pakte (al liggend in de op zijn kop liggende auto: "HB, hier de 202. Onze blauwe pit is kapot." Het HB antwoordde: "Dat is toch geen probleem jongens. Rij even naar de garage en haal een nieuwe." Rob sprak toen: "Dat gaat een beetje moeilijk HB, want de auto ligt erop." Achteraf een schitterend incident, dat mij helaas drie maanden rijverbod heeft opgeleverd.